Jacobus Bodrij of Bodri of Bodrie: vier jaartjes vrije kolonist in Wilhelminaoord, daarna terug naar Leiden

Op 19 juli 1821 arriveren vijf gezinnen uit Leiden die worden gevestigd in de dan net van start gegane kolonie Wilhelminaoord. Ze staan met z'n allen op een aankomststaat, invnr 1343. Op de site worden ze genoemd bij hoeve 38 op een pagina die over Wilhelminaoord gaat en sommige staan op een pagina over Leiden. Degene van hen die het kortst blijft is Jacobus Bodrij of Bodri of Bodrie.


Hij is zo snel weg dat hij niet voorkomt in de oudst bewaard gebleven stamboeken van Wilhelminaoord. Daardoor zijn er in de kolonieadministratie geen geboortedata van de familieleden te vinden. We hebben alleen de namen zoals ze staan op die hiervoor al genoemde aankomststaat:

Jacobus Bodrie  is de man des huizes. Zijn echtgenote is
Geertrui Kesselenberg. Ze hebben de volgende kinderen bij zich:

Jacobus Bodrie,
● Willem Bodrie,
Wouter Bodrie,
Jacoba Bodrie.

Een van die jongens, zal later blijken, is gebrekkig. De subcommissie van weldadigheid Leiden heeft er - dat doen bijna alle subcommissies - een ingedeelde bij gestopt, ene Dick Gerrits Lodewijk, maar daar wordt verder niets meer van vernomen.

In 1824 is er een verzoek van de oudste zoon, Jacobus Bodrie, om met ontslag van de kolonie te vertrekken, invnr 70, zie de scan van een brief van de directeur. Ik neem aan dat het verzoek wordt toegestaan.

Het verzoek om ontslag

Het eerste geluid dat het gezin van de kolonie af zou willen komt op 15 maart 1825. De subcommissie Leiden maakt melding van de wens van de familie en vraagt om de 'consideratien' (= de mening hierover) van de permanente commissie. Invnr 72, zie de scan van de brief.

Waarschijnlijk schrijft de permanente commissie dat ze dan meer informatie wil hebben. En op 20 maart 1825 meldt de subcommissie dat ze de brief die ze van Jacobus Bodrie gehad hebben naar de permanente commissie opstuurt, invnr 72. De brief van Bodrie zelf zit er in het archief helaas niet bij. Zie de scan van de brief van de subcommissie.

Zoals gebruikelijk stuurt de permanente commissie alles door naar de directeur der koloniŽn. Die meldt op 25 maart 1825, ook invnr 72, zie hier voor de scan: 'Omtrent den brief van Bodrie hoop ik de Permanente Kommissie bij eene volgende te informeren.'

Er wordt op gewacht. De ijverige secretaris van de Leidse subcommissie Bodel Nijenhuis schrijft op 30 maart 1825, nog steeds invnr 72, zie hier voor de scan: 'Omtrent het huisgezin Bodrij zijn wij de consideratien der Perm. Komm. inwachtende.'

Het advies

Het duurt tot 2 april 1825, we zijn inmiddels in invnr 73, tot de directeur eraan toekomt. Zie hier de scan vanb de brief. Als hij op het ontslagverzoek reageert, geeft hij meteen een beschrijving hoe de familie haar tijd op de kolonie besteedt:

Met terugzending des briefs van den kolonist Bodrie, heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten dat Bodri zelf altijd op de weefzaal is, en dus zijn gewoon handwerk uit oefend;
dat voor eenen gebrekkigen zoon het groot- of wolwiel aan zijn huis is, ten einde hij om te spinnen niet naar de zaal behoeft te gaan;
dat bovendien aan de vrouw en andere zijner kinderen, voor eene gulden of meer fabriek arbeid word gegeven, zodat het geheele huisgezin van zodanige arbeid bestaat, zonder eenige landarbeid te verrigten;
en deszelfs verdienste met die der beste huisgezinnen gelijk staat, het geen verder blijkt uit nevensgaand extrakt der rekening; waarom de gronden waarop Bodrie zijn ontslag vraagt geheel zwak zijn of weg vallen; -
Van onze zijde hebben wij ook geene reden van ontevredenheid over Bodrie en de zijnen, de vrouw hoewel niet zindelijk is gewillig en ieverig in het waarnemen harer zaken, vooral in het doen van eenig werk om en bij het huis; als het maken van mest enz.:
het komt mij derhalve voor dat door Bodrie zijn ontslag uit de kolonien te geeven, men zijn lot waarschijnlijk niet zal verbeeteren; en ik moet dus in zijn belang advijseren dat zijn verzoek niet worde toegestaan, terwijl de belangens der Maatschappij door zijn vertrek zeker geen nadeel zouden leiden.

Zoals gebruikelijk dus weer behoorlijk bevoogdend. Uit de volgende brief zal blijken dat de permanente commissie dit negatieve advies op 9 april 1825 overbrengt aan de subcommissie Leiden.

Aandrang

Het ontslag gaat dus niet zomaar door en er is aandrang nodig. Dat neemt Geertrui Kesselenberg voor haar rekening als ze verlof heeft om haar oude woonplaats te bezoeken en ze meteen bij de subcommissie naar binnen stormt. De subcommissie rapporteert daarover op 1 juli 1825, invnr 75, zie hier voor de scan:

Vrouw Bodri, welke met haar man en verder huisgezin ontslag uit de kolonien verlangd had (waarover ampel te zien is in UEds. geŽerden van den 9 april ll.) verzocht ons heden bij herhaling, mondeling hetzelfde, uit aanmerking van hunne hoogere jaren, ziekelijke zoon, gemis van een genoegzaam overige getal kinderen, die door hunne kostwinning het huisge≠zin stijven, maar vooral (en dit deed wel het meeste bij ons af), gerugsteund door de onder mij berustende certificaten van een fabriekant in vlagdoek alhier, bij wien de man 10 jaren, en van een spinsterbaas alhier, waar de vrouw 13 jaren gewerkt had, en welke beide hen gaarne zagen terugkeeren tot en werkzaam zijn in gemelde ambachten, waar in zij weder terstond zoude geplaatst worden.
Zoo zouden ze hier een even goed bestaan erlan≠gen als in de kolonien, en wij onderwerpen dus gaarne dit verzoek nog maals aan het oordeel der Perman. Kommissie.

Het vertrek

Nouja, dan moet het maar, denkt men bij de Maatschappij van Weldadigheid. De subcommissie dringt nog een keer aan op 10 juli 1825, invnr 75, zie hier de scan van de brief: 'Aangenaam zal ons het ontslag der fam. Bodri wezen.'

Maar dat is niet nodig, want de opdracht tot ontslag is al gegeven. Op 15 juli 1825 schrijft de directeurder koloniŽn, invnr 75, zie hier voor de scan van de brief: 'Dat het huisgezin van Bodri waarschijnlijk op morgen uit de kolonie zal vertrekken.'

Daarna is er van hen geen spoor meer in het koloniearchief te vinden.