Zaalopziener Hendrik Arend Bolman onder vuur van de gemeente Norg, 1829

Van de sollicitatie van Hendrik Arend Bolman op 15 augustus 1825 naar een baan bij de Maatschappij, wordt melding gemaakt op een kladje in invnr 75, scannummer 594. Die sollicitatie heb ik niet gezien, maar wel een begeleidende aanbeveling door predikant Hendriksz uit Groningen, zelfde invnr scan 595, en dat moet geholpen hebben, want het volgende levensteken is een brief van Bolman aan de permanente commissie, gedateerd zaterdag 26 november 1825, invnr 76:


Ik heb de eer bij dezen mijnen hartelijken dank te betuigen voor de gunst, welke UWEDGestr. mij beweezen hebben en ter voldoening aan de missive van UWEDGestr. van den 10 november 1825 No. 748 op heden bij mij ontvangen, te berigten, dat ik ten gevolge mijne benoeming als zaalopziener in een der koloniale etablissementen, voornemens ben op maandag den 28 dezer vroegtijding van hier te vertrekken en zoo spoedig mogelijk mijne reis voort te zetten.

Gezinssamenstelling

Hij is dus aangenomen en hij begint per 29 november 1825 zijn werk als zaalopziener in het derde gesticht, een kinderetablissement, voor ƒ 5,20 per week. Hij staat op folio 52 van het personeelsregister met invnr 997 (daarvan zijn geen scans) en vandaar neem ik de gegevens van het gezin over:

● Hendrik of Hindrik Arend Bolman is volgens de in dit opzicht lang niet altijd betrouwbare kolonieadministratie geboren op 25 maart 1798. Hij is net als de rest van het gezin hervormd en komt uit Groningen. Hij is getrouwd met:

● Grietje of Greetje Bosman, geboren op 12 september 1791. Het echtpaar heeft één zoon bij zich:

● Arend Bolman, geboren op 8 mei 1824. Op de kolonie komen daar bij:
● Hendrik Arend Bolman, geboren op 8-12-1826; hij zal overlijden op 14 november 1828,
● Hermanus Bolman, geboren op 8 februari 1829, en
● Gerrit Bolman, ook geboren op 8 februari 1829, een tweeling dus. Maar Gerrit Bolman zal overlijden op 27 juli 1829.


Drekstoffe

Dan heb ik een hele tijd niks over hem. Misschien staan er dingen in de post, zie dit lijstje (waarbij je alles NA 1829 kunt weglaten), maar dat mogen anderen uitzoeken. Ik kom Hendrik Bolman weer tegen als op 31 mei 1829 de geneeskundige commissie van de provincies Groningen, Drenthe en Overijssel zijn naam naar voren brengt in hun rapport.

Op ongeveer 2/3de van die pagina wordt Polman, maar ze bedoelen Bolman, genoemd als iemand die ‘op een zeer ruwe wijze met de kinderen aan zijnen zorg toebetrouwd omgaat’. Verhaald wordt dat hij een jongen die zich 's nachts bevuild had, 'onder het toedienen van stokslagen' gedwongen zou hebben 'met eenen lepel in tegenwoordigheid van andere kinderen, deze drekstoffe op te eten'. Die jongen zou daarna ziek geworden zijn en overleden.

Laster

Het verhaal wordt verteld op pagina 184-185 van De kinderkolonie, maar de bron waaruit dit komt is niet onverdacht. De burgemeester van Norg attaqueert al langer op allerlei manieren de directie van Veenhuizen.

In haar reactie stelt de permanente commissie 'dat dit alles een verzinsel is', de commissie heeft 'zich hier dus weder iets laten diets maken'. Ze willen de naam van de veldwachter van Norg die met dit verhaal is gekomen en spreken van laster.

Ontslag

Die veldwachter komen we straks weer tegen, maar eerst de permanente commissie, want die neemt kort daarop het besluit om Hendrik Bolman de laan uit te sturen, zij het niet wegens drekstoffen. Het besluit van 29 augustus 1829 bevindt zich in invnr 367:


’s Gravenhage den 29 Augustus 1829

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Overwegende dat het is gebleken dat de zaalopziener Hendrik Arend Bolman bij het 3e gesticht te Veenhuizen, zich niet ontzien heeft, zeer dikwijls aardappelen en brood, tot voeding der kinderen onder zijn opzigt staande bestemd, tot eigen gebruik van den verstrekte voorraad af te nemen, en dit ook door hem volmondig is bekend geworden.

Besluit

Art 1
De Zaalopziener Hendrik Arend Bolman wordt met den 1: September aanstaande uit de dienst der Maatschappij ontslagen.

Art 2
De Veteraan Jean Jeune wordt aangesteld tot zaalopziener bij het derde gestichte te Veenhuizen op het gewoon traktement van drie gulden in te gaan met primo september aanstaande.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Directeur der Kolonien ter informatie en nazigt en aan den Adjunct Directeur de Geus en den Onder Directeur Hulst voor het vervolg een meer naauwkeurige toezigt aan te bevelen en het ontslag aan Hendrik Arend Bolman met de redenen van hetzelve ter kennis van de adjunct Directeuren der gestichten te brengen ten einde door hen ter waarschuwing aan de zaalopzieners te worden mede gedeeld.

En zal een afschrift dezes worden uitgezonden aan den Boekhouder.
De P C der M v W voorn.

De veldwachter

In het personeelsregister staat aangetekend: 'Bij besluit van 29 Aug N1 is H.A. Bolman uit de dienst der Maatschappij ontslagen en den 1 September 1829 met zijn gezin uit de kolonien vertrokken.' Ietsje later komt de veldwachter van Norg proberen om bewijzen te vinden voor zijn eerdere beschuldigingen van Bolman. Die onderneming wordt beschreven op pagina 186 van De kinderkolonie. De adjunct-directeur maakt er 12 september 1829 een proces verbaal van, invnr 100:


Kolonie Veenhuizen, 3e Etablissement


Proces Verbaal

Op heden den twaalfden September Een duizend acht honderd en negen en twintig verklaren de ondergetekende vernomen te hebben dat de Persoon met name Baks Veldwachter in de gemeente Norg op den twaalfden voorzegd is gekomen aan de agterpoort van het 3 Gesticht alwaar hij heeft aangetroffen den Wees jongen met name van Louwe in ’t Houdt aldaar dienstdoende als portier welke zoo als de overige in dit Proces Verbaal genoemde Jongelingen verklaren dat bovengenoemden Veldwachter Baks met hun te ondervragen is te werk gegaan als volgt:

Baks kwam bij de agterpoort en vroeg aan de portier hoe zijn naam was, die hem zeide Louwe in ’t Hout, en bij wien hij in de zaal was; thans bij vader Jeune en vroeger bij Bolman

Hij vroeg aan Louwe of hij bij dat geval toen die jonge vuil in de mond was gestopt om op te eten tegenwoordig was geweest, hij zeide neen, maar dat hij wel van andere jongens als Jan Pinxter & Jan Kriek die gezegd hadden het gezien te hebben, gehoord had.-

Frans van der Spek, die daarbij tegenwoordig was nam het woord en zeide, Ja Backs, van de winter heeft Bolman mij onder de pomp laten boenen door Hein Kat,  het geen Jurgens gezien had die daarvan schande sprak;

verder zeide Spek hij heeft niet alleen mij dat gedaan, maar hij heeft ook een jonge een stuk van ’t oor afgetrokken; vraag het maar aan die jonge (Karel van Leeuwen) die heeft het zelve gezien –

Karel van Leeuwen antwoorde daarop dat het waar was, en dat hij wel 15 a 16 Jongens kon aanwijzen die dit zouden willen getuigen –

Baks zeide daarop, houd u nu maar stil, en zeg aan geen mensch dat ik hier bij u ben geweest, de jongens vragend, lust gij wel appels? waarop zij toestemmend antwoorden, en waarop Baks in de zak taste en de Jongens een stuiver gaf om daarvoor appels te koopen;

bij het weggaan zeide hij, als gij wat meer weet moet gij het mij maar zeggen, jongens, wij zullen die kerel wel narijden om dat hij u zoo geplaagd heeft.-

Aldus opgemaakt ten dage en Jare als voorzegd.-
Kolonie Veenhuizen 3 Gesticht
A.de Geus Adj Directr
C. Hulst onder Directeur

Geen verhoor

Wie de hierbij betrokken weesjongens zijn zoek ik uit op een andere pagina. De veldwachter kondigt dus aan dat de jongens verhoord gaan worden, maar dat laat de directie niet zomaar gebeuren. Op 16 september 1829 schrijft de adjunct-directeur aan de burgemeester van Norg, invnr 100:


N. 283
Veenhuizen 3e Etabt den 16 September 1829

Kopie

Ik heb de eer in antwoord van UwEdelachtbare Lett: dd: heden den 16 September N. 233 te berigten, dat, bij ontvangst van dezelve gevallig hier geweest is den Heere J. van Konijnenburg Directeur der Kolonien, en aan wien ik den inhoud van UwEDele achtbare Missive heb mede gedeeld,

ik heb dien volgens van zijn WelEdele vernomen, dat de bedoelde vier jongelingen niet anders, dan in bijweezen van een der Geemploijeerden bij de Maatschappij door UweEdelachtbare toegestaan kunnen worden om verhoord te worden.-

De Onder Directeur Hulst, daartoe door mij gedeseigneerd heden afwezig zijnde, zal heden avond retourneeren, en alzoo morgen op het uur dat UwEdel achtbare zal conveniéren met de vier Jongelingen naar het gemeentehuis te westervelde komen,

verwachtende alzoo hierop antwoord van UwEdel achtbare.-
Ik heb de Eer te zijn
De Adjunct Directeur van het 3e Etablisst.
(was getekend) Ads de Geus

Ongunstige indruk

Waarschijnlijk op verzoek van de directeur der koloniën zet de adjunct-directeur van het derde gesticht, Adrianus de Geus, alles nog eens op een rijtje. Gedateerd 19 september 1829, invnr 100:


Kopie
Veenhuizen 3e Etablisst 19 September 1829
N. 287

Ik heb de eer UWEd ter kennis te brengen, dat ik ingevolge verlangen van den Heere Burgemeester van Norg, bij deszelfs Missive dd. 16 dezer N. 233, waarvan ik UWEd kopie heb overgegeven, ook nader informatie hebbende genomen en het geen mij daaromtrent van eenige jongelingen bij ondervraging is medegedeeld, heb ik gemeent UWED behooren te informeren.

De Veldwachter met name Baks in de gemeente Norg is op den 12e September JL gekomen aan de achterpoort van het 3e Gesticht en aldaar volgens luidende het hier bijgevoegde Proces Verbaal eenige jongelingen te ondervragen, wegens eenige mishandelingen welke de geweezen Zaalopziener Bolman aan jongelingen zoude hebben gepleegd of doen pleegen.

Het zal UWEd uit het Proces Verbaal blijken dat de Perzoon voor: die tot onderzoek der jongelingen uitgezonden, middelen bij de hand neemt om van de zaken en gebeurtenissen waarvan geene genoegzame bewijzen voor handen zijn, dezelve door aan minderjarige jongelingen beloften en prezenten te doen, en alzoo getuigenissen te doen geven van zaken, welke slechts aan kinderen door de Zaalopziener bedreigd zijn te zullen doen;

als eene ware gebeurtenis op te heffen, en daardoor den Heere Burgemeester van Norg dienstig kunnen zijn, om bij het geven van Consideratie en advies, een ongunstigen indruk welke zijn Weledelachtbare ook aan de Geneeskundige Commissie in het Voorjaar alhier gegeven, meer te bevestigen, en het is uit dien hoofd, dat ik het noodig achte hier van aan UWED als voor … (??) te berigten.

Als mede ontvangt UWED kopie eener Missive ten antwoord aan den Heer Burgemeester gegeven, bevattende den gunst waarin UWED vermeend ik te moeten antwoorden.
Ik heb de eer met de meeste hoogachting te zijn
De Adjunct Direkteur
(get) A. de Geus
Voor kopie konform
De Direkteur der Kolonien
J. van Konijnenburg

Alles naar Den Haag

Op 23 september 1829, in een brief met nummer N272, als de directeur toch een hele lading stukken naar de permanente commissie in Den Haag heeft te versturen, gaan de hier boven afgedrukte stukken ook mee:

N. 272
Frederiksoord, den 23 Sept 1829

Ik heb de eer UW Ed G hier nevens te doen geworden:
– Eene opgave van de Rogge-oogst in de verschillende Koloniën in dit jaar.  
– De week rapporten van de ziekten en sterften voor de afgeloopene week, behalve dat van de ommerschans hetwelk spoedig volgens zal.
– En afschrift eener Missive van den Adjunct Direkteur de Geus met een proces-verbaal en copie eener Missive door hem aan den Burgemeester van Norgh geschreven, ten aanzien van het ondervragen van kinderen, over vermeende ondergane mishandeling van dezelve in het Gesticht.
– Eindelijk de wekelijksche opgave van den stand der Kas, op den 21e  dezer.
De Direkteur der Koloniën
J. van Konijnenburg


Kommerloose omstandigheid

Daarna gebeurt er verder niks. De burgemeester van Norg ziet dat hij er toch niet door komt en laat de kwestie rusten, de permanente commissie vindt het ook niet nodig verdere stappen te zetten. Maar inmiddels zijn Hendrik Arend Bolman en zijn gezin wel de klos. Werkloosheidsuitkeringen zijn nog niet uitgevonden. Op 28 september 1829, invnr 100 schrijft hij:


Aan den WelEdle Gestr Heer!

Ik neem met alle Eerbied de Vrijheid UwEdle Gestr bij deezen mijne tans zeer bedrukte en bekrompene omstandigheid te doen weten, daar UwEdle Gestr bewust is, dat ik zints vier Jaaren mijne werkzaamheeden op het 3e Etabl. altoos getrouw en eerlijk hebbe waargenomen en dat ik in den loop dier tijd veele rampen heb geleeden, als het afsterven van mijne drie kinderen, daarbij zwaare ziekte van mijn vrouw en ikzelve met mijne nog twee in leeven zijnde kinderen waarvan de oudste slegts vijf Jaaren oud is zoo dat ik en mijn huishouding altoos met ziekten en rampen hebben moeten worstelen,

beschouw dus WelEdle Gestr. in welk een kommerloose omstandigheid ik mij tans met mijne zwakke vrouw en twee onnozele kinderen bevinde daar er hier niets voor mij voor handen is om wat te verdienen, en geen geld om van te leeven.

Ik wende mij dus met alle eerbied tot UwEdle Gestr om mij in deze mijne omstandigheid behulpzaam te zijn, met UwEdlesGestr voorspraak en goede raad, als ook dat een behoorlijk ontslag mogte bekoomen, waar ik mij meede konde verdedigen en als dan zoude ik wel inclineeren om een rekwest aan Zijne Majesteit den Koning te schrijven, daarbij verzoekende om in het een of ander te worden geEmploijeerd om het even waar of in welke plaats, op dat ik mijn brood voor mijn vrouw en kinderen zoude kunnen verdienen.

Ik hoop derhalven op UwEdles Gestr gunst en voorspraak daar UwEdles Gestr bewust is van alle mijn omstandigheid en Uw Edles Gestr voorspraak mij veel zoude helpen in mijne onspoed.-

hopende dat deze mijne vrijpostigheid UwEdles Gestr niet onaangenaam zij en wensche dat ik spoedig met Uw Edles Gestr antwoord mag verEerend worden.

Waarmeede ik de Eer heb met alle Hoogachting te verblijven Uw Edles Gestr Heer!
Uw Edles Gestr onderdanigste Dienaar
Bolman
Groningen den 28 September 1829

Mijn Adres is
Aan H. A. Bolhuis
in de kijk in tjatstraat op de hoek van de Roozenstraat
te Groningen


Notificatie

Met 'kommerloose omstandigheid' zal hij bedoelen kommervolle omstandigheden. Maar dat hij het over drie gestorven kinderen heeft, snap ik niet, want ik tel er maar twee. Hoe dan ook voelt de permanente commissie zich niet geroepen hier aandacht aan te besteden. Ze laat de brief eerst een kleine drie maanden liggen en behandelt hem dan op haar vergadering van 12 januari 1830, agendapunt N4, invnr 372.

Daarbij vat ze de brief samen als 'Adres van H. A. Bolman gewezen zaalopziener, te Groningen 28 Sep om een behoorlijk ontslag en hem bevorderlijk te zijn in zijne sollicitatie aan den Koning om eene bediening', en besluit ze het voor 'Notificatie', kennisgeving, aan te nemen. Daarna wordt van Hendrik Arend Bolman binnen de koloniën niets meer vernomen, ook niet in het bedelaarsgesticht dus blijkbaar slaagt hij er ergens in weer de kost te verdienen.