|
BOSCH,
Johannes
|
|
| Spellingvariaties: |
Bos
|
| Levensdata: |
14-10-1753 tot
onbekend |
| Subcommissie: |
Amsterdam |
| Aankomst: |
1 november 1818 |
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 34 |
| Vorig
beroep: |
marinier plus divers |
| Geloof: |
Hervormd |
| Echtgeno(o)t(e): |
Aaltje Gijsberts, ?-?-1759
tot 2-4-1821 |
| Kinderen: |
- Hendrica Luberta
20-4-1788 - Aleida Luberta 6-12-1793 - Johanna Lubertha 25-3-1795, zie het file over haar echtgenoot Peen - Barend ?-?-00 |
| Overige
huisgenoten: |
|
| Opmerkingen: | |
Koloniale carrière |
|
| Samengevat: |
Een van de beste
werkers in de kolonie, ondanks zijn al gevorderde leeftijd als hij
aankomt, maar in de ogen van de directie ‘verteerziek'. Door zijn
geklaag over de inhoudingen wordt hij een slecht voorbeeld voor andere
kolonisten genoemd en bovendien wordt hij verdacht van kwaadsprekerij
(beter: kwaadschrijverij) over de kolonie, zodat hij de eerste vrije
kolonist is die naar de strafkolonie gaat. |
| In het boek: | Op de bladzijden 36-40,
110-111, 155-156, 166, 171, 187, 201-202, 214, 217, 224, 231-240,
246-247, 253, 255, 264, 270,-271, 277-282, 303, 309-312, 332, 364-365,
376 |
| Fragmenten uit de archieven
|
|
Het verhaal van Johannes Bosch is in het boek zo uitgebreid behandeld dat er hier eigenlijk niets mer aan toe te voegen valt en daarom kies ik hier voor een tekst die ik al wel geschreven had maar in het boek niet meer kwijt kon. Dit speelt zich af nadat de door Bosch uit de Ommerschans gesmokkelde brief aan de burgemeesters van Amsterdam onderschept is en in handen van de permanente commissie is gevallen, dus grofweg rond bladzijde 311 van het boek: Ik zie gij bend koud, kom bij de kachel De burgemeesters van Amsterdam laten het onderzoek over aan de Maatschappij en die wil alleen maar weten wie er betrokken zijn bij dat rekwest dat namens Johannes Bosch zou worden aangeboden aan de koning. Onderdirecteur van de strafkolonie Fenner krijgt opdracht om Bosch uit te horen. Hij begrijpt van hem dat de papieren al voor de dood van diens zoon zijn overgegaan ‘in handen daar zij niet zullen uitgehaald worden'. Maar Fenner wil namen. ‘Ik zie gij bend koud, kom bij de kachel.' ‘Is het mij permiteerd,' antwoordt Bosch, ‘dan zal ik mij warmen, het vriest mij.' ‘Ik hoop niet dat gij iets over mij geschreven hebt, dat mij tot nadeel wezen kan, ten minsten dartoe zijn geene reden, evenwel kan men een mensch ook leugenagtig belasteren, doch daarvoor zie ik u niet an.' ‘Neen mijn Heer over u heb ik niets geschreven, ik begreip dat wat gij gedaan hebt, hebt gij doen moeten.' ‘Nu als gij zoo denkt, dan denkt gij braaf. Zie daar is een stoel, zet u bij de kachel, het staan zal u lastig vallen.' ‘Als het veroorloofd is, zal ik dat doen.' ‘Maar Bosch, gij zuld doch wel zoo voorzigtig zijn niets te schrijven of het moet waar zijn.' ‘Mijne zaaken zijn zoo zuiver als God de zon aan den hemel scheijnen laat. En als ik dan hier op niet gehoort worde, dan komd mijne zaak voor den Koning.' ‘Wat voor den Koning! Ik begreip dat de Koning zich weinig om zulke beuselarijen bemoei jen zal.' ‘Dat moet u niet gelooven, dat het baggetellen zijn. Daar is een Heer die heeft het aangenoomen mijne zaak voor den Koning te brengen, als ik hierop geen gehoor bekoom.' ‘Ik moet zeggen, dat gij noch verscheiden Heeren kend, en als die u alle helpen willen, dan kan het niet missen. Maar woond die Heer ook in Amsterdam, en ken ik hem ook misschien van naam?' ‘Misschien kend gij hem, maar hij woond niet in Amsterdam, hij woond in Doesborg.' ‘Ah! In Doesborg, daar ken ik noch verscheidene goede menschen, daaromtrend heb ik gewoond, dus kan het wel zijn, dat ik den Heer kenne.' ‘Nu mijn Heer het is de Heer Ketjes, dat is de Heer, die het als alles verlooren is, voor den Koning dacht te brengen, en bezorgen zal dat ik voor een onpartijdig gericht teregd zal gesteld worden, ik hoef daaromtrend niets meer te schreijven, dat angaande is alles reets bezorgd.' Het hoge woord is er uit. Maar Fenner is nu ook wel nieuwsgierig geworden waar het allemaal over gaat. ‘De zaak van u is mijn zoo duister, dat ik niet weis daruit worden kan, ik mogd dog eigenlijk weeten, wat gij te klagen hebt.' ‘Ik zal het u vertellen, en dan zult gij zien, hoe men mij behandelt heefd ‘ Daar kan Fenner dan een tijdje rustig voor gaan zitten. Het hele verhaal over de onterechte inhoudingen komt er weer uit en op het laatst wordt Bosch zo kwaad dat hij opstaat. ‘Ik ben een oud man, mijne vrouw is door gebrek aan voedzel gestorven, maar mijner ziel zal God genaadig weezen, en de waarheid, zoo niet bij mijn leven dan maar mijner dood zal blinken als de zon.' |
|