|
BREUKEL,
Jan
|
|
| Spellingvariaties: |
|
| Levensdata: |
geboren ongeveer
1766, verder onbekend |
| Subcommissie: |
Maassluis |
| Aankomst: |
1 november 1818 |
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 47 |
| Vorig
beroep: |
|
| Geloof: |
|
| Echtgeno(o)t(e): |
onbekend, zie bij
Opmerkingen hieronder |
| Kinderen: |
Preciese
gezinssamenstelling onbekend, zie bij Opmerkingen hieronder. |
| Overige
huisgenoten: |
|
| Opmerkingen: | Er zijn weinig gegevens
bekend omdat het gezin in 1820 naar huis is gestuurd en dus niet in de
latere stamboeken van de Maatschappij voorkomt. Met dank aan
onderzoeker Sim Mostert die een andere Breukel is tegengekomen bij de
Mostert-genealogie en mij informatie heeft verstrekt, denk ik dat het
gaat om: Jan Lucaszn Breukel en Maria Machielse Roest, leeftijden van beiden onbekend, die op 20-11-1799 te Maasland trouwen, en die de navolgende kinderen krijgen (data zijn doopdata): - Cornelia 05-05-1800 te Maasland; - Grietje 22-08-1801 te Maasland; - Joannes 24-10-1802 te Maasland; - Christianus 28-07-1804 te Maasland; - Catharyna 26-03-1807 te Maasland; - Gerrit 04-05-1809 te Maasland. - Leendert 28-09-1811 te Maasland De bronnen zijn de digitale archieven van Voorne-Putten en Het Westland en omdat daarin geen andere passende Breukels voorkomen, lijkt het mij hoogstwaarschijnlijk dat dit het gezin is dat van november 1818 tot april 1820 proefkolonistengezin was. |
Koloniale carrière |
|
| Samengevat: |
Het gezin wordt door de
directie beschouwd als 'van een zeer slegt
zedelijk gedrag', waarbij de schuld vooral gelegd
wordt bij de vrouw en oudste dochters. Als hij in 1820 een brief heeft
geschreven, of beter: heeft laten schrijven, met klachten over de
kolonie, wordt hij naar huis teruggestuurd. |
| In
het boek: |
Bij naam op de bladzijden
81-82, 204-206, 222 -223, 231 -234, 237-239, 244-246, 376,
anoniem bij zijn voordracht op bladzijde 74 en als zijn vrouw zonder
toestemming twee kinderen uit Maassluis ophaalt op bladzijde 172, over
zijn subcommissie Maassluis nog iets meer op bladzijde 73. |
Fragmenten uit de archieven
|
|
De subcommissie van weldadigheid Maassluis doet 20 september 1818 een multiple choice voordracht voor de kolonie met als nummer 3: Een man oud 52 jaren benevens zijne vrouw oud 42 jaren met 4 dochters oud 19, 10, 5½ en 2 jaren en 2 zoons oud 6 en 2 jaren. Van deze lieden - no. 3 namelijk - volgens hunne eigene verklaring, verstaat de man den veldarbeid, terwijl de vrouw het spinnen zoo verre kundig is, dat zijn daarin aan anderen onderwijs kan geven. UwE. kunt, dit verkiezend, uwe keuzen tot een der voornoemde huisgezinnen bepalen, of indien het mogelijke ware dat ons het aangenaamste zoude wezen, dezelven combineeren, waarop UwE. ons zult verpligten UwEs. intentie te willen kennelijk maken. In de kantlijn bij de brief staat hierbij: "J. Breukel" Blijkbaar vindt de pc de voordracht niet goed, want de subcommissie Maassluis reageert op 4 oktober 1818: Met leedwezen bemerkten wij daaruit, dat de geschiktheid der 3 door ons tot colonisten opgegeven huisgezinnen in twijfel werd getrokken, te meer daar wij te wel van het tegendeel overtuigd, vooral wat de ligchaams krachten van Jan Breukel betreft, die, ofschoon 52 jaren bereikt hebbende, de sterkte en ijver eens 40 jarigen man's bezit en wat de werkzaamheden des veldarbeids aangaat, alle aanprijzing verdient. Wij willen niet ontveinzen groote vreze te voeden, indien onze plaats niet van eenige arme voorwerpen ontlast kan worden, welker getal van tijd tot tijd vrij sterk, vooral door de mislukte visscherij t bijzonderlijk door den bitter schralen haringvangst aangroeid, wij groot gevaar lopen, bij een volgend jaar eene aanmerkelijke vermindering in 't quantum der leden en bijdragers te moeten ondergaan, ja zelfs zijn wij in dat geval huiverig voor eene geheele te niet looping alhier. Daarop worden de Breukels aangenomen. Zij horen tot de gezinnen die onderweg in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32 10 november 1818: De subcommissie Maassluis maakt in de Staatscourant melding van het vertrek van het gezin naar Frederiksoord. Uit een brief van Benjamin dd 12 juni 1819: De vrouw van Breukel heeft hare beide kinderen meede gebragt. Zij beroepen zich op vroegere autorisatie van de Kommissie en van den 2 assessor. In diezelfde brief schrijft Benjamin over kolonisten die betrapt zijn op het belenen van Maatschappij-eigendommen: Bosch, De Vos, ik meen ook Breukel waren onder getal der geener die reeds eenmaal hunne goederen verpand hebben. Uit Benjamins bijgevoegde lijst met missende goederen: Breukel - 1 wollen deken 1 bultzak 5 laakens 2 kussens 1 tafellaaken 2 handdoeken Uit een brief van Benjamin dd 20 juli 1819: De dochter van den kolonist Breukel van Maassluis heeft zich, buiten mijne voorkennis, 14 dagen geabsenteerd ten einde een dienst te zoeken: voorgevende hier toe van de Kommissie bij hare passasie te S'Hage, verlof bekomen te hebben. Ik heb tot nader order deze gehele famille, die van een zeer slegt zedelijk gedrag is, binnen de kolonie geconsigneerd: haar voorgevens schenen mij weinig vertrouwen te verdienen. Notulen pc dd 25 juli 1819: Voorts te berigten dat de dochter van den kolonist Breukel zich niet vervoegd heeft bij de K. en dus drie dagen lang bij een der onderofficieren intrek zal nemen, en om den andere dag water en brood genieten. Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819 en voor donaties watersnoodramp februari 1820 de desbetreffende files. Uit een brief van Benjamin dd 27 maart 1820: Dat ik ingevolge de intentie der Kommissie de beschuldigingen tegen de directie der kolonie, door J. Breukel ingebracht, op alle punten zal weerleggen, schoon het mij een onaangename taak is de Kommissie meer en meer te moeten overtuigen, hoe hare onophoudelijke pogingen, en onafgebrokene werkzaamheden ter verbeetering van het lot der arme ongelukkigen, door veele met snode ondankbaarheid wordt beloond. Het verhoor van Breukel door de Raad van Toevoorzicht dd 9 april 1820 is in het boek zeer verkort weergegeven. Hier het volledige verslag: J. Breukel wordt beschuldigd lasterlijke geruchten te hebben verspreid. V: of hij geduurende zijn verblijf in de Kolonie niet steeds goede verdienste had gehad, en of hij niet geloofde dat ieder oppassend huisgezin binnen de Kolonie daarvan kon bestaan. A: dat voor zoo verre hij zig kon herinneren, zijne verdiensten altijd zodanig gemaakt waren, dat daar van elks arbeidsman, met zijn gezin goed kon leven. V: of hij bij zijn aankomst in de Kolonie geene reglementen had ontvangen en met zijne pligten en voorechten was bekend gemaakt en of hij deeze reglementen en daar bij bepaalde voorrechten, niet steeds op hem waren toegepast en genoten. A: dat hij de bedoelde reglementen had ontvangen, en niet kon zeggen dat ten zijnen aanzien immer daar tegen was gehandelt. of dat hij in zijne rechten was verkort geworden, dat hij niet kunnende lezen zig alles niet naauwkeurig meer herinnerde. V: of hem immer eenige onbillijke kortingen op zijne verdiensten of akkervruchten waren gedaan en of men zich niet altijd had bepaald bij de zodanige die door de reglementen waren gewettigt geworden. A: dat hem nimmer een duit ten onrechten was gekort. V: of hij niet steeds volkomen vrijheid had zijn winkelwaren naar welgevallen te kopen, en of hij meende dat de benodigdheden binnen de Kolonie duurder dan daar buiten betaald werden. A: dat hij daartoe steeds volkomen vrijheid had gehad, dat hij de duurte der winkelwaaren op anderen plaatsen weinig kende, maar dat de boter duurder dan te Steenwijk wier verkogt. V: of hij eenige klagten tegen iemand de directie uitmakende had in te brengen. A: geene. V: of hij zig nimmer klagten over de Kolonie had veroorloofd of verklaringen tegenstrijdig met het bovenstaande had afgelegd. A: neen. V: of hem de brief vertoonende aan de subkommissie zijner plaats gezonden, of hij deeze voor de zijne erkenden, en wie daarvan de schrijver was. dewijl hij had verklaard zelf niet te kunnen lezen. A: dat hij een inhoud van gezegde brief gedeelte had doen schrijven, dat de kolonist De Vos daar van schrijver was maar dat alle lasteringen tegen de Kolonie buiten zijne voorkennis daar waare in gebragte worden. V: of hij niet enen als allen anderen kolonisten kledingstukken op gelijke voorwaarden had kunnen bekoomen, en wat de oorzaak was dat hij bij gelijke voorrechten, zo veel en alles ten achteren was. A: dat hij van de kleeding niets voor zig zelven had bekoomen, dat zijne vrouw en kinderen oorzaak van zijne ongeluk waren, en dat hij geen order of overleg in zijn huishouding brengen kon. Klein stukje uit een hele lange verontschuldigende brief van subcommissie Maassluis dd 5 mei 1820: (...) Wij hadden inderdaad gaarne gezien dat de Direktie ten opzigte van Breukel cs minder zacht en toegevend was geweest, daar dat gezin, zoo als wij na hetzelve door uw rapport hebben leeren kennen, een vrij streng opzicht verdiende. Wij zeggen door uw rapport hebben leeren kennen want hadden ons nimmer durven voorstellen, hetzelve zoo slecht de weldaden zoude hebben kunnen beantwoorden, zoo als wij nu bemerken dat geschied is. Wij verklaren U ter goeder trouw, dat wij Breukel vóór hij naar Frederiksoord werd gedesigneerd niet dan van de beste zijde kenden en elk van hem als van eenen arbeidzamen en oppassende brave man spraken. Door het woord braaf verstaan wij hier onberispelijk van gedrag en is dat niet extra veel in een man van die armoedige klasse? Wij wisten bij gevolg niet betreffende zijn wangedrag of huiskrakeelen, waaraan hij zich in de kolonie zoo verregaand schijnt te hebben overgegeven. Jaarverslag, gepubliceerd in de Star augustus 1820: Bij deze in het algemeen voordeelige schets, hebben wij alleen nog de drangredenen te voegen welke ULieder Permanente Kommissie bewogen heeft, drie huisgezinnen, als De Vos van Tiel, Breukel van Maassluis en Baij uit Zwitserland, uit de kolonie te verwijderen. (...) Breukel, een meer zwak dan slecht man, werd beheerscht door eene booze vrouw, die met behulp van twee groote dochters, waar van ten minsten ééne buiten toestemming en voorweten van de Kommissie in dit huisgezin was opgenomen, haren man dikwerf zoodanig mishandelde, dat hij daarvan de uiterlijke merkteekenen op het gezicht droeg, terwijl zijne liederlijke dochters niet zelden tot een voor de zedelijkheid beleedigend en gevaarlijk voorbeeld strekten. Een zoodanig huisgezin kon en behoorde zeker niet te worden geduld in eene stichting, bestemd om menschen tot huiselijke deugd en gezelligheid opteleiden. De Breukels komen nog ėėn keer voor in het archief van de Maatschappij, als er een brief ontvangen wordt van het RK-armenbestuur Maassluis dd 5 november 1821: Daar het UE bekend is, dat het huisgezin van J. Breukel, in 't jaar 1820 uit de kolonie Frederiks Oord om deszelfs slecht gedrag is teruggezonden en nu sedert langen tijd ons dagelijks lastig vallen om bedeeling, welke wij niet kunnen doen, voor eerst, de schraalheid der armen kas zulks niet gedoogt, en ten anderen, 't onverantwoord zoude zijn menschen te bedeelen, die in de kolonie goede verdiensten hadden, daar volgens bij ons berustende nota hij in de maand januarij 1820ƒ29=98= en in de maand februarij ƒ39=44= verdiend heeft, dan daar J. Breukel, tegenwoordig gansch buiten verdiensten is, en 't huisgezin toch van geen honger kan omkomen, zoo was bij deze ons vriendelijk verzoek in overweging te nemen, of er geen middel zoude kunnen gevonden worden, hen naar eene of andere kolonie te zenden, om door dat middel van die lastige aanzoeken bevrijd en van hun ontslagen te worden. Het is onbekend hoe het Jan Breukel en zijn echtgenote later vergaan is. Ervan uitgaande dat - zie boven bij 'Opmerkingen' - de goeie familie Breukel gevonden is, staan gegevens over het verdere leven van de kinderen bij deze externe link. In die genealogie wordt vooral het nageslacht van zoon Christiaan gevolgd. Een andere genealogie met Johannes Breukel en Maria Roest staat hier. Het nageslacht van jongste zoon Leendert is op meerdere plekken terug te vinden, diens zoon Jan in de Genealogie van Hendrik Joost Jutten, zijn zoon Pieter in de Randstad Courant Humogen Database en ook in de Parenteel van Dirk Sonneveld. Maassluis laat Breukel opvolgen door Jacob van Luypen die ook in de problemen raakt en die bovendien de pech heeft dat er tegen die tijd een strafkolonie voor onwillige kolonisten is. Daar verblijven hij en zijn gezin dus meerdere jaren voor ze terug mogen keren naar de vrije koloniën. |
|