De strijd tussen vader en zoon om de bakkerij op de Ommerschans, de stukken

Een dubbel-pagina, hieronder staan de stukken en op deze pagina staat het verhaal.

De hele zaak begint met een brief van de oude Johannes Hermanus de Bruijn aan de permanente commissie op 20 september 1846, invnr 326. Hij is dan al achttien jaar de broodbakker van de Ommerschans.

WelEdelen Gestrengen Heeren
Leden der Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid
Ik Tree thans met verschuldige en(?) een Ootmoedige Bede tot UwelEdelen Gestrenge Heeren om gehoort te worden
dezen dagen doet mijn een zaak voorkomen welk mijn Noodzaak om mijn tot UwelEdelen Gestrenge Heeren te wenden mijn Zoon die bij mijn in de Bakkerij werkzaam is heeft zijn verlangen aan de Heer direkteur der Kolonie te kennen gegeven met verzoek om te mogen Trouwen en Tevens verzogt om een middel van Bestaan
maar de Heer direkteur der Kolonie weet hem geen ander middel van Bestaan of hij moet opziender der Bakkerij worden en ik als zoodaanig ontslagen worden en ik daar door Buijten bestaan zou komen het welk mijn Groote Zielsmart zou veroorzaken Ja Zelf mijne Gezondheijd zou ondermeijnnen en mijne Levensdagen zou verkorten
destemeer daar ik nog zeer goed in Staat ben om de Bakkerij zonder Hulp van mijn zoon te kunnen waarnemen waar van ik de voldoenste bewijzen zou kunnen geven Wanneer mijn zoon een anderen werkkring Buijten de Bakkerij wier aangewesen

Nu is mijne Ootmoedige Bede aan UwelEdele Gestrenge Heeren om mijn in mijne Betrekking te laten Blijven tot Zwakheden of Dood mijn Buijten Staat stelde
Ik Blijf ook in de hoop en vertrouwen dat mijn 22 Jaren welk ik met alle vlijt en Pligt betrachting in de Bakkerij van de maatschappij heb werkzaam geweest Niet Uijt Oog van UwelEdelen Gestrengen Heeren zal verlooren gaan maar veel meer mijn in UwelEdelen Gunst zal aanbeveelen.

Niet dat ik mijn zoon Hinderlijk wil zijn om te Trouwen Neen WelEdelen Gestrenge Heeren ik beoog Niets als Zijn Tijdelijk en Eeuwig Geluk
maar het offer dat van mijn door de Heer direkteur der Kolonie Geheijst wort is te groot om daar in Genoegen te Nemen

Nu is andermaal mijne Ootmoedige Bede aan UwelEdelen Gestrenge Heeren zoo die zaak door de Heer direkteur der Kolonie word voorgedragen mijn verzoek en mijne langduurrende dienst Jaren bij UwelEdel Gestrengen Heeren in aanmerking zal komen en ik mij mag verblijde met een Gunstig Besluit van UwelEdelen Gestrenge Heeren der Commissie en Leden der Permanente Commissie van de maatschappij van weldadigheid

Noeme mijn met agting en Verschuldige Eerbied UwelEdelen Gestrenge Heern Gehoorzaam en Onderdanige dienaar J: H: de Bruijn
Ommerschans
20(?) Septb 1846

Voordat de permanente commissie zich hierover kan buigen, ligt er ook een brief op hun mat van directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg. Gedateerd 25 september 1846, invnr 326, en luidende:

J: H: de Bruin met zijn huisgezin in 1824 in de gewone KoloniŽn opgenomen, op een contract met het gecombineerde Weeshuis te Zaltbommel, was de eerste 4 jaren hier bakkersknecht en heeft vervolgens 18 jaar den post van bakkersbaas te Ommerschans best waargenomen en geniet daarvoor nog f 5:- salaris ís weeks.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: N 801B

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Neen, is op contract met de Subc te Middelburg

De laatste 3 jaren, evenwel, geschiedde zulks meerendeels, zoo niet eeniglijk, door zijnen zoon Martinus Johannes oud 27 jaren, daar hij zelf, 65 jaren oud en daarbij sterk aamborstig zijnde, ís winters vooral, maanden achtereen het huis niet kan verlaten en deze geniet daarvoor f 4:- waarvoor hem echter maar f 2, 67 Ĺ wordt uitbetaald.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Is hieromtrent een paar jaar geleden geen schikking door de PC gemaakt

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Neen

Behalve die 2 personen is er nog eene oude vrouw van 64 jaren in huis, benevens 2 dochters Johanna Hermina en Clasina Johanna, respectivelijk 35 en 25 jaren oud, die voor de Maatschappij geen arbeid verrigten.
Die zoon verlangt, eindelijk, ook in naam baas te mogen worden en een huwelijk aan te gaan.
Zijn Vader, evenwel, is ongezind, om hem als hoofd des huisgezins en gehuwd in te nemen, dat, ook om de 2 bejaarde dochters, niet wel gaan zoude.
Intusschen is het ontwijfelbaar, dat de oude man niet meer in staat is, om het opzigt der broodbakkerij te houden.
De zoon mij verzocht hebbende zijn voorspraak bij UWHoogEdG: te zijn, met zijn verzoek, zoo kan ik van hem de getuigenis afleggen, dat hij zijne zaak best verstaat en uitmuntend waarneemt.

Een van allen nu, of de Jongen de Bruin moet, op denzelfden voet, blijven voortgaan en aan geen huwelijk denken, of hetzelve althans onbepaald uitstellen, tot dat zijne ouders mogten komen te overlijden; gelijk zijn vader zulks zoude willen;-
of het huisgezin van de oude de Bruin zoude naar de gewone KoloniŽn moeten teruggeplaatst worden en hier met behulp zijner dochters in zijn onderhoud moeten voorzien en hem daartoe ook eenige voordeelige bezigheid bezorgd;-
of met zou hetzelve te Ommerschans moeten houden, staan den man b.v. f 2:- ís weeks toe, met vrijlating dat zijne dochters daarbij zelve verdienen wat zij kunnen en waartoe zij niet ongeschikt zijn en men zou, tevens, eene woning voor den Jongen de Bruin moeten kunnen vinden en hem de f 5:- toeleggen, die niet zijn vader, maar hij zelf verdient; terwijl ook de groote dochters daarop ledig loopen, althans geen werk voor de Maatschappij doen.

Ik heb de eer UWHoogEdG: het verzoek van den vermelden Jongen de Bruin voor te dragen, met de opgegeven consideratiŽn om daarin zoodanig besluit te nemen als UWHoogEdG: zullen begrijpen te behooren.

De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg

Op 5 oktober 1846 onder agendapunt N19, invnr 585, besluit de permanente commissie echter het verzoek van de jonge De Bruijn af te wijzen en alles bij het oude te laten. Daarna blijft het acht maanden rustig.
Althans wat brieven betreft. Want als er in mei 1847 weer brieven binnenkomen, blijkt het in het huishouden De Bruijn de tussenliggende maanden allesbehalve rustig te zijn geweest.
De oude Johannes Hermanus richt zich op 7 mei 1847 wederom rechtstreeks tot de permanente commissie, invnr 337:

Wel Edelen Gestrengen Heeren Leden der Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid

Mijn Heeren
Met een dankbaar Hart voor het Gunstig Besluijt dat mij in de maand October het voorige jaar is geworden om mij in mijne betrekking als Bakkerbaas te laaten Blijven maar ook met een Smartvol en Bloedend Hart zend ik UwelEdele Gestrengen Heeren dezen toe wegens de Slegten Behandeling die ik al drie a vier jaren van mijnen zoon heb moeten lijden en vooral na dat zijn verzoek om Bakkerbaas te worden door UwelEdelen Gestrenge Heeren van de hand is geweesen gaat hij alle Paalen van menschelijkheid en kinderpligt te Buijten

Ja zoodanig dat ik wensch en Bid dat God mijn levens draad afsnijden en mijne Ziel in genade mogt aannemen want ik word lans die weg het Leven moede ik zal maar Twee a drie staalijes van hem verhalen

ik gelasten hem om aan den Onderdirekteur Postema om een wagen te verzoeken om rogge na de molen te Brengen maar de Heer Postema gaf geen antwoord op de vraag zoo als mijn zoon mij zeijde waarop ik hem antwoorde ja ik moet in de loop van de dag tog een wagen hebben gaf hij mij tot antwoord ik verdom het om weer om een wagen te vragen dan kunt gij er zelf op uijtgaan waarop ik hem met een klap bedreijde daar ik meende als vader regt op te hebbe waarop hij mij waarschuwde van hem geen klap toe te brengen want dat hij zijn hande niet zou thuijs houde zoo dat als ik mijn vader regt had laten gelden een pak slaag van mijn zoon had kunne krijgen want in de kragten gaat hij mij ver te Boven

Bij een ander Gelegenheijd was hij Brutaal Genoeg om mij en zijn moeder uijtteschelden voor Rapalje en volkje van Jan rap en zijn maat ik en mijn vrouw zijn Uijt Brave Ouders Voorgesprooten die met Eeren ten Grave zijn gedaal, en wat mij betref kan de welEdelen Heer Inspekteur Visser getuijgen welke loffelijke Papieren van aanbeveeling ik van de Burgemeester der Stad Middelburg heb mede gebragt Bij mijn aankoms op de Kolonie in de Jare 1824
indien wij Rapalje waren zoude ik die niet mede gekregen hebben,

Bij die gelegenheijd bedreijde hij zijn oudste Zuster om haar te Trappen dat de Gal haar de Keel zou Uijt Spatten Zijn anderen Zuster als zij in het water lag en om Hulp aan hem vroeg zou hij haar een Trap op de Nek geven en zegge Verzuijp Bliksem

Bij een geleginheijd dat den WelEerwaarde Heer Predikant Campagne hem eens onderhanden Nam en Zijn Schandelijk Gedragt onder het oog bragt was hij onbeschaamd genoeg om bij zijn thuijs komen met Vuijs Slagen op de Tafel te slaan ik Geef om geen dominee ik Geef om geen mensch om geen Bliksem Ja zelfs om de duivel Niet en Nu eennigen dagen geleden voegde hij mij toe dat hij mijne Koeijennasie al lang moede was en dat hij de lanste tijt in de Bakkerij had geweest en dat hij Blijde zoude zijn als hij van mij ontslagen was en de Heeren konde hem niets minder geven als een Zwart Buijsje met een Groene Kraag

de Heer adjunk direkteur Hulst de Predikant Campagne de Wijkmeester van den Bosch hebben hem onderscheijde malen zijn schandelijk gedragt omtren zijn Ouders onder het oog gebragt maar alles loop vrugteloos af hij moet vader maar in het graf hebben dan is hij Bakkerbaas en kan hij Trouwen en dan is zijn Wensch vervuld

de Heer Hulst heeft hem gezegt als U Vader Koom te Sterfven of moet de Bakkerij afstaan geloof niet dat ik jou voor bakker wil hebben de Heer Predikant Campagnie heeft van de Winter aan mijn ziekbed mij verzeker als ik kwaam te sterven dat hij hem gans niet ten zijnne voordeel zou zijn want dat hij het geheel onwaardig was.
Ik vertrouw genoeg gezegt te hebben en zal de zaak aan UwelEdel Gestrenge Heeren hun Wijsheijd overlaten en mij aan UwelEdel Gestrenge Heere Besluijt onderwerpen.
Noeme mij met alle agting en Eerbied Uwel Edelen Gestrenge Heeren ondanige dienaar J: H: de Bruin
ommerschans den 7 Meij 1847

Op 10 mei 1847 onder agendapunt N12 besluit de permanente commissie de brief van Johannes Hermanus door te sturen naar directeur Van Konijnenburg met de vraag er zijn mening over te geven.
Dat doet Van Konijnenburg op 18 mei 1847, invnr 337. Hij stuurt dan de brief van de oude De Bruijn weer terug en voegt bij zijn reactie een brief die hij begin mei van de jonge De Bruijn heeft ontvangen.

Ik heb de eer UwHEdG op de Marginale van den 10 dezer maand N. 12, aangaande het hierbijgevoegde klaag-schrift van den bakker de Bruin te Ommerschans, over zijnen zoon, te berigten, dat beiden de schuld dragen van den vreesselijken onmin, welke er tusschen hen bestaat.

Ik voeg hier bij een van den zoon ontvangen brief, waarbij deze zich even zeer over zijnen vader beklaagt. De oude man, ofschoon eerlijk en vlijtig, is onbegrijpelijk driftig, eigenzinnig en onverdragelijk voor anderen, terwijl men van zijnen zoon zeggen moet: ď de vrucht is niet ver van den stam gevallen.Ē
-
Ik heb hen beiden, verleden week, nog eenmaal ernstig onderhouden en hun gezegd, dat, indien zij zich niet verstonden, en zij van elkander gescheiden moesten worden, zulks voor beiden even nadeelige gevolgen zou hebben:
voor den zoon, aangezien hij niet moest rekenen op eene andere plaatsing in de KoloniŽn, daar hij zich ondergeschikt en bruikbaar behoorde te gedragen dŠŠr, alwaar de Maatschappij hem noodig had.
En ook voor den vader daar hij, natuurlijk, buiten zijnen zoon, niet langer baas konde blijven als zijne gezondheid en jaren hem zouden toelaten, dagelijks bij het werk te zijn, dat, bij guur weder en in den winter gebleken was, niet te kunnen geschieden en dat hij dan door een ander zou moeten worden vervangen, waarover zij beiden konden nadenken.

Daarop vroeg de zoon dadelijk zijn ontslag uit de bakkerij, daar hij met zijnen vader ganschelijk niet overweg kon, noch langer bij hem wilde zijn, waarop ik hem buiten dienst heb gesteld er bijvoegende, dat ik niet geloofde, dat hij in eenige andere betrekking in de KoloniŽn zou kunnen worden aangenomen, waarop hij voor eenige dagen verlof heeft gevraagd, om elders naar een bestaan om te zien, dat hem vergund is.

Het zou mij, intusschen, niet verwonderen, dat hij terug komt en weÍr geplaatst verlangt te worden en dat zijn vader dan zulks even zeer zal verzoeken, waar aan dan nog eenmaal zou kunnen worden voldaan.
Anders zal men niet lang dienen te toeven, met naar eenen anderen broodbakker, voor den ouden de Bruin, om te zien, als op wiens geschiktheid voor zijne betrekking geen dag te rekenen is.
De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg

Bijgevoegd dus een brief van Martinus Johannes de Bruijn aan Van Konijnenburg gedateerd 6 mei 1847, ook invnr 337:

WelEdelGestrenge Heer
Den Heere J: van Konijnenburg
Ridder van de order des Nederlandschen leeuws
Directeur der KoloniŽn van de Maatschappij van Weldadigheid
Frederiksoord

Kolonie Ommerschans den 6 Mei 1847

WelEdel Gestrenge Heer!
In den hoop UWelEdelGestr: mij mijne te nemen vrijheid goedgunstig zal willen pardonneeren, waag ik het mij tot UWelEdelGestr: te wenden.
UWelEdelGestr: zal zich nog wel herinneren dat ik voor eenige maanden UWelEdelGestr: heb verzocht, om zoo mogelijk als bakker in eene der overige koloniŽn te mogen worden overgeplaatst;
van af dit oogenblik is het mij onmogelijk geweest om in weerwil dat ik naar mijn inzien naar mijn beste vermogen mijne plicht in alle deelen tracht te vervullen, de gunst mijns vaders te verwerven,
integendeel is zijne afkeer van dag tot dag vermeerderd, zoo dat wij niet alleen in een dagelijksche oneenigheid met elkander leven maar dezelve thans ook tot zulk eene hoogte is gestegen dat hij mij eindelijk op heden heeft te kennen gegeven dat aan hem door de permanente Commissie was beloofd geworden, om indien tusschen ons beiden iets mogt voorvallen, deze hem eenen anderen adsistent had toebeloofd, en hij zich dus ten dien einde per missive tot dezelve zou wenden, ďen niet (: dezen waren zijne eigene woorden : ) tot den Directeur der KoloniŽn, dewijl als deze zijne zin had gehad hij reeds voor eenige maanden met een hakje aan den weg had gestaan.Ē

Ik weet dan ook dat hij dit plan volvoerd, en bedoelde brief heeft weggezonden.
UWedelGestrenge zal wel willen toestemmen, dat mijne positie hoogst moeijelijk is, ik kan en mag niet vergeten dat de man die mij het leven verbitterd mijnen vader is, en ik als zoon zijnde hem behoor te eerbiedigen, edoch als mensch zijnde valt mij dit dikwijls zeer moeijelijk, te meer, daar hij mij reeds heeft toegevoegd, dat ik niet behoef te denken nog een vader en moeder te hebben.-

Er schiet mij dus niets anders over dan tot UWedelGestr: toevlugt te nemen, en UWedelGestr: eerbiedig maar ook dringend te verzoeken dat ik ergens, onverschillig ook wŠŠr, in eene der anderen koloniŽn als bakker mag worden ingedeelt,
uithoofden een langer omgang met mijnen vader, aanleiding zouden kunnen geven, om in weerwil van al het geduld dat ik tracht te beoeffenen, dat tusschen ons beiden tooneelen zouden plaats hebben, welken alleen zouden dienen om ons weder keerig meer en meer tegen elkander te verbitteren.-
en de tegenwoordige algemeene ongunstige tijd mij met grond doen aarzelen, om mijn ontslag uit de kolonie te nemen en te beproeven, of ik in de gewone Maatschappij mijn bestaan zoude kunnen vinden daar de dagelijksche ondervinding leert, dat honderden zich in deze verwachting bedrogen vinden;

Het is dus alleen tot UWedelGestr: dat ik mij met grond kan en mag wenden, met de dringende bede, mij uit mijne tegenwoordige toestand te helpen, overtuigd dat mij gedrag altoos zoo zijn zal, dat ik mij immer op de goedkeuring van UWedelGestr: zal mogen hovaardigen.
Mij dus in de protectie van UWedelGestr: aanbevelende heb ik de eer te zijn UWelEdelGestr: Zeer Gehoorzamen Dienaar
M: de Bruin

Met dit alles op haar bordje, neemt de permanente commissie op 31 mei 1847 haar besluit, invnr 593, waarbij ze de bal eigenlijk terugspeelt naar Van Konijnenburg:

De Permanente Commissie,
Nader gelezen het rapport van den Dir der Kol van den 18 dezer N1419 omtrent een adres van de Bakkersbaas de Bruin te Ommerschans
Gelet op een adres van diens zoon en assistent

Geeft aan den Dir voornoemd te kennen, dat de PC er niet voor is, nog eene proeve te nemen of de bakkersbaas De Bruyn te Ommerschans en zijn zoon elkander zullen verdragen,
dat zoo lang de vader, zonder den zoon, de zaak gaande kan houden, hij in zijne betrekking kan worden gelaten,
doch dat, zoodra het daadwerkelijk blijkt dat hij niet meer voor de bakkerij berekend is, hij naar de Gewone kolonien behoort te worden terug geplaatst, zullende de PC dan daartoe en tot zijne vervanging, des Directeurs voordragt tegemoet zien.

Daarna besluit Van Konijnenburg om niets te doen en de oude De Bruijn op zijn plek te laten zitten. Zie voor de verdere afloop onderaan het verhaal.