GERARDS, Anthonie

Spellingvariaties:
Geerards, Geerhards, Geraets, Gerrards  
Levensdata:
12-10-1773 te Meelik/Melick in Limburg, ovl. Ommerschans 2-8-1842
Subcommissie:
Rotterdam
Aankomst:
2 november 1818
Hoevenr. (tot 1823)
Nr. 44
Vorig beroep:
suikersbakkerknecht, vrouw spinster 
Geloof:
katholiek
Echtgeno(o)t(e):
Hermina Petronella Pierlo, 22-9-1772 (Kranenburg), ovl Ommerschans 2-8-1857
Kinderen:
- Jan Hendrik 21-1-1804
- Elisabeth 25-12-1805
- Theodora 12-12-1808
- Maria 4-12-1810
- Theodorus 28-7-17

Overige huisgenoten:
  
Opmerkingen: - Ik heb contact met mensen die onderzoek naar de familie Gerards gedaan hebben. Als je die wilt bereiken moet je mij mailen en dan stuur ik dat door. Bovenstaande gegevens zijn niet uit de kolonie-administratie, maar zijn verbeterd aan de hand van hun gegevens.
- Binnen de kring van familie-onderzoekers staat het geznshoofd bekend als 'brave boer Gerards'.
- De familie wordt nogal geteisterd door spellingvariaties. Behalve de bovengenoemde uit de kolonie-administratie staan helemal onderaan de pagina nog een paar.

Koloniale carrière

Samengevat:
Een der succesvolste proefkolonisten. Blijkbaar nooit opstandig en altijd vlijtig. Krijgt in december 1823 een grote boerderij bij de Ommerschans, zijn zoon wordt onderwijzer en later onderdirecteur.
In het boek:
Bij naam op de bladzijden 31, 99, 171-172, 193, 213, 264, 265, 325, 326, 336, 351, 377, als voormalig suikerbakkersknecht op bladzij 46. als 'Rotterdamse kolonist' op bladzij 72.

Fragmenten uit de archieven


Uit de voordrachtsbrief van de subommissie Rotterdam dd 8 oktober 1818:

Wat de behoefte aangaat dezelve hebben een eige bed en toebehoren, dog zonder dekens. De man alléén een wisselhemd tot verschooning. Nog heeft de vrouw een korfbank theebossen en eenig winkelgereedschap, ovrig van haar vorig bedrijf, en 't welk zijn misschien in de colonie zouden kunnen voortzetten. Nog hebben zij in de lommert voor ruijm 20 gls aan waarde; immers zoo zij vernemen, daar voor aflosbaar.

Uit de Rotterdamsche Courant dd 29 oktober 1818: Gisteren is van hier naar de volksplanting Frederiks-Oord vertrokken het huisgezin van Anthony Gerards, bestaande uit man, vrouw en vijf kinderen, welke allen door de sub-commissie van weldadigheid alhier van het noodige voor de reize zijn voorzien, zoo als ook voor het transport van het huisgezin van Geertruidenberg, alhier gepasseerd, gezorgd is en verder gezorgd zal worden voor verscheiden anderen, die van elders alhier ter verdere expeditie naar de volksplanting verwacht worden.

Zij horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32
Het voor de reis meegegeven geld komt even ter sprake op de pagina transportkosten.

Uit de opzendbrief van Rotterdam van 12 november 1818:




In een brief van Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818 wordt Rotterdam genoemd als een van de steden die ons 'zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen'.

Uit een brief van de subcommissie Rotterdam dd 12 februari 1819: Eindelijk zal het voorzeker UWE genoegen geven te vernemen dat bij ons is ingekomen een brief van Anthony Gerards, hoofd van de familie die van hier naar Frederiksoord is verplaatst, strekkende om ons te informeeren dat hij al uitmuntend wel en naar genoegen is: dit zal voorzeker contribueeren tot de reussite van onze poging om voor dit jaar t getal der leden en giften te doen vermeerderen

In de Staatscourant van 14 april 1819 schrijft de subcommissie Rotterdam: De Sub Commissie der maatschappij van Weldadigheid, in deze stad, heeft van een' der door dezelve naar Frederiks-oord gezonden kolonisten een brief ontvangen, van den 11den dezer, waarin hij zijne dankbaarheid en zijne tevredenheid over zijn tegenwoordig lot, met zijn huisgezin van acht kinderen, betuigt, en verder meldt, dat het met tuin- en akkerbouw zeer voorspoedig in de kolonie gaat; reeds waren drie honderd roeden van zijn bouwland met haver bezaaid; alle de gronden der kolonie liggen geploegd, en men was druk bezig met het bemesten en bezaaijen derzelven. Door de directie was aan elke kolonist een hoeveelheid tuinzaad van verschillenden aard uitgedeeld, alsmede eenig bloemzaad, ter verfraaijing hunner tuinen. De rogge, die verleden herfst op het heideveld gezaaid was, wordt reeds aan de paarden gevoerd en is bijna een voet lang, terwijl op geen der omliggende landen buiten de kolonie de rogge zoo voorspoedig staat als op dezen hei-grond. Men is begonnen, met wederom eenige nieuwe schuren te bouwen.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin dd 29 december 1819: (...) Geerhards uit Rotterdam, mede steeds braaf oppassende, heeft verzogt 4 dagen op zijn eigen grond, en dus maar 2 in daghuur te mogen werken. Deze prijzenswaardige voorbeelden zullen zeker door de Kommissie worden goed gekeurd, terwijl ik hoop, zij van goede uitwerking zijn zullen op veele, die door eene zorgloze en verkwistende aard, tot nog toe zo weinig aan de verwachting beantwoorden.

Uit een brief van de subcommissie Rotterdam dd 6 januari 1820: Bij ons is ingekomen een brief van Gerards (hoofd van het eerst van hier vertrokken huisgezin naar de kolonie) houdende verzoek, om hem eenen jongen tot hulp in zijne werkzaamheden op het land toe te voegen en bij hem te doen inwoonen; het huisgezin bestaat uit man, vrouw en vijf kinderen, en wij nemen de vrijheid de Permanente Kommissie bij deze te vragen, of de indeeling van zoodanig kind of jongen bij Gerards, buiten bezwaar en kosten voor de stad, zou kunnen plaats hebben?

In september 1820 schrijft de subcommissie Rotterdam een verslag van de door haar opgezonden personen. Daarin: Gerards, (Anthony) te zamen 7 personen, reeds buiten schuld, ongemeen vergenoegd, voorheen arm en nu verdienende per week ƒ10.05.

Uit de Star van oktober 1820: Vele kolonisten hebben, na het afbetalen hunner huur en het opleggen van hunnen eigen wintervoorraad, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid van voortbrengselen te verkoopen. Zoo b.v. hebben molenaar van Haarlem en gerards van Rotterdam, na afbetaling en na aftrek hunner poot-aardappelen, ieder meer dan 400 schepels aardappelen verkocht, ongerekend hunne voorraad van garst, haver of boekweit.

Uit de Star van maart 1822: geeraards in kolonie no. 1, zeer ziek geweest zijnde, betert meer en meer.

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 23 mei 1822: Er bestaat in kolonie N 1 en 2 eene ziekte die contagieus schijnt te zijn, althans zo iemand daar mede in een huisgezin besmet word, lopen zelden iemand der anderen vrij. Reeds zijn daar aan eenige kolonisten gestorven en verscheidene anderen liggen daar aan nog zeer ziek. De wachtmeester, de vrouw van Tijmes, de Wals, de zoon van Geraads en meester Middelboer zijn geenszins buiten gevaar.

Uit de Star van juli 1822 over de scholen: In no. 1 had de opkomst der kinderen uitgemunt, en vele der grootste jongen, zelfs eenige kinderen uit de dagschool, woonden de avondschool bij. Ongelukkiglijk werden de beide onderwijzers, daarin fungerende, den 16den mei ziek, en de één, h.h. middelboer, sedert twee jaren getrouw en bemind in den schooldienst bezig, overleed den 28sten daarna; terwijl de tweede, j.h. geeraerts, in het begin van junij weder begon te herstellen, doch nog buiten staat was, het maandrapport op te maken. Sedert dien is het school-onderwijs in deze kolonie met vrucht weder hervat.

Uit diezelfde Star verderop: Tegenwoordig is, in de eerste kolonie, de huishouding van ritmond nog ziek; die van tymens, arends en gerards, zijn bijna alle herstellende. Thans zijn de laatst ziekgewordene in een minder hevigen graad aangegrepen, dan bij de voorgaanden, in het laatst der verloopene en in het begin van deze maand, plaats had.

Dokter Schuurman in de Star van augustus 1822: n mijne voorgaande berigten omtrent den staat der zieken in de eerste en tweede koloniën te Frederiks-oord den 16den junij ingezonden, heb ik de huishoudingen opgenoemd van ritmond, tymens, arends en gerrards, waarin destijds nog eenige zieken waren, hoewel bijna allen herstellende; deze zijn dan ook allen reeds hersteld, en tot hunne werkzaamheden teruggekeerd, behalve twee dochters van gerrards, die hare krachten niet volkomen herkregen hebben, doch ook, naar alle vermoeden, spoedig volkomen hersteld zullen zijn. Thans zijn de gegrasseerd hebbende koortsen van de vorige maanden geheel opgehouden.

In het op 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden ook genoemd als 'hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen:' Elizabeth en Theodora Geraets

Uit een brief van Wouter Visser dd 20 december 1823: Te Veenhuizen zullen spoedig zeven en te O.S. vier boerenwoningen gereed zijn, bestemd om door meest oppassende en bekwame kolonisten uit de vrije kolonien te worden bewoond; ten gevolge daar van heb ik de eer te vragen authorisatie tot en overplaatsing van zodanige kolonisten welke op deeze bevoerdering een billijke aanspraak hebben verkregen: in de veronderstelling, dat deze verplaatsing door de Perm. Komm. wel zal worden geapprobeert, zullen eerstdaags naar de O.S. vertrekken uit kol. N1 Gerards & ter Smetten,

Volgens het stamboek Ommerschans betrekt de familie Gerards op 23 december 1823 als vrijboer hoeve nummer 7 bij de Ommerschans.

Hij wordt genoemd bij de vrijboeren op de pagina Ommerschans.

Uit een brief van Wouter Visser dd 25 februari 1825: Ter voldoening aan art. 3 van het besluit der Permanente Komm. dd. 8 dezer N3 heb ik de eer tot 2e onderwijzer in het 1e etablissement te Veenhuizen voortestellen den persoon van Geerards, zoon van den kolonist Gerards in kol. N5 en seedert eenig jaren als onderwijzer in de scholen van kol. 1 en 4 geemploijeerd.

Uit een brief van Wouter Visser dd 8 oktober 1825: Voorts te vragen authorisatie tot het geeven van ontslag aan de zoon van den arbeider kolonist Bosz genaamd Pieter, ten einde zich in de militairen dienst te kunnen begeeven en aan Jannetje, dogter van den hoevenaar H. Zevenbergen te Veenhuizen en Elisabeth dogter van den hoevenaar Gerards te Ommerschans, beide tot het aangaan van een huwelijk buiten de koloniën.


Later:

Anthonie Gerards blijft altijd op de kolonie en overlijdt Ommerschans 1842, zijn echtgenote in 1857.

Diverse kinderen blijven ook binnen de koloniegrenzen:

- De oudste zoon Jan Hendrik (of Johannes Henricus) is dus onderwijzer geworden. Iets meer daarover komt op de nog (af) te maken pagina over koloniaal onderwijs. Na jarenlang een school in Veenhuizen te hebben geleid, wordt hij in 1844 instituteur van het landbouwkundig opleidingsinstituut van de Maatschappij te Wateren en in 1860 onderdirekteur in kolonie 2. Hij trouwt 1829 met ene Auwerdina Jacoba Ras uit het Groningse.

- Dochter Elisabeth trouwt met een wijkmeester in Veenhuizen II buiten (Meine Jacobs van der Heide; zie hier vlak boven het ontslag dat ze vroeg, en kreeg, om te kunnen trouwen). Met de spelling Elizabeth Geraets komt dat huwelijk voor in de stamboom Heeres waarin een dochter uit dat huwelijk gevolgd wordt en in de stamboom Otter..

- Dochter Theodora trouwt de 'smidsbaas' van de Ommerschans Jacobus Slot en blijft daar haar hele leven wonen.

- Dochter Maria trouwt met een zoon van proefkolonist Harmeling die ook een hoeve bij de Ommerschans heeft. Met de spelling Maria Gerats komt dat huwelijk voor in de stamboom Angenent en met de spelling Maria Geraets wordt een nakomeling gevolgd in de genealogie van Theo Heydenrijk  Een dochter uit dit huwelijk trouwt weer met een kleinzoon van twee andere proefkolonisten, Lucassen en De Wals.
Een andere dochter belandt te Vriezeveen (hier de spelling Maria Gerarts):

Alleen zoon Theodorus keert de kolonie de rug toe. Hij trouwt ene Catharina Bartels en blijft wel in de buurt (Hardenberg) wonen. Een zoon komt voor in de parenteel van Wilhelm Wittendorp, een dochter in de parenteel van Jan Hendrik Wellen, een andere dochter in de parenteel van Henricus Kerver (NB: Spelling is hier steeds Theodorus Geraets).