GERRITS, Hendrik

Spellingvariaties:
Eigenlijk heet hij Hendrik Gerrits Timmerman  
Levensdata:
22-04-1758 tot 13-03-1853    
Subcommissie:
Kampen
Aankomst:
31 oktober 1818
Hoevenr. (tot 1823)
Nr. 19
Vorig beroep:
daghuurder en timmerman
Geloof:
Hervormd
Echtgeno(o)t(e):
Femmigje Hendriks, 22-9-1772 of 27-01- 1768 tot 28-05-1855 
Kinderen:
- Hendrik ?-5-1804
- Willem 21-9-1805
- Harmen ?-4-1807 (maar 08-10-1809 wordt er ook een 'Herm' of 'Harm' geboren, dus die kan dit ook zijn)
- Teunis ?-1-1813
- Trijntje 15-03-1816 tot 31-07-1819
- Roelofje ?-11-17

Overige huisgenoten:
  
Opmerkingen: - De subcommissie van weldadigheid Kampen introduceert hem als Hendrik Gerrits en op de kolonie staat hij ook zo bekend, maar Gerrits is zijn patroniem, hij is een zoon van Gerrit en zijn achternaam is Timmerman.
- Volgens nazaat en familie-onderzoeker Willem Timmerman is dit het derde huwelijk van Hendrik. Uit een van de twee eerdere huwelijken zijn twee zoons geboren die blijkbaar al een eigen weg in het leven hebben gevonden en niet meekomen naar de kolonie.


Koloniale carrière

Samengevat:
Volgens Johannes van den Bosch is hij wat simpel, en louter daardoor betrokken geraakt bij opstandige proefkolonisten, maar zit er geen kwaad bij. 'Een gezin tusschen de eerst en tweede klasse'. Blijft de rest van zijn leven bij de Maatschappij.
In het boek:
Bij naam op de bladzijden 66, 99, 213, 235-236, 320, 361, 365, 370, 377.  Zonder naam zijn aankomst op bladzij 36, als 'de kolonist uit Kampen'  op bladzij 201, over zijn subcommissie nog iets op bladzij 160.
Fragmenten uit de archieven


Al vrij snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt Kampen er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 24 juli 1818.

Uit de voordracht van de subcommissie Kampen dd 14 oktober 1818:
Hendrik Gerrits, daghuurder en timmerman, ongeveer 40 jaren oud; zijne vrouw kundig in het boerenwerk met eenen zoon omtrent 12 jaren oud, en drie of vier kleindere kinderen.

Volgens de staat van aankomst arriveert hij zaterdag 31 oktober 1818 in Frederiksoord.
Het voor de reis meegegeven geld komt even ter sprake op de pagina transportkosten.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 19 november 1818: Het huisgezin uit Kampen, Hendrik Gerrits is meeden zoals ik heb opgegeven 8 personen sterk. Den oudsten zoon van 14 jaren Hendrik genaamd diende bij een boer en heeft bij het vertrek van zijne ouders besloten dezelve te volgen. Ik vind geen brief van die subcommissie, maar meen mij te kunnen herinneren hier over iets te hebben ontvangen. Deeze jongen is de steun van t huisgezin. Dewijl de vader eene versmeering aan de hand heeft, die hem vooreerst zou beletten zijn brood te verdienen.

28 december 1818 wordt Kampen door Benjamin genoemd als een van de voorbeelden van ' subcommissies die ons zodanige gezinnen zonden die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen'..

Op 31 juli 1819 overlijdt een kind van Gerrits:
Vledder, overlijdensakte, 1 augustus 1819, aktenr. 8
Overledene: Trijntje Hendriks Timmerman, geboren te Kampen op 15-03-1816; overleden te Frederiksoord (Vledder) op 31-07-1819, dochter van Hendr. Gerrits Timmerman, beroep: arbeider, en Femmigje Hendriks.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 29 december 1819: Gerrits uit Kampen, en Brandsma van Sloten, beide braaf en kundig voor de landbouw, bewerkten hunne grond met vlijt en overleg. Beide hebben eene zwaar huisgezin, alles liep hen tegen. Zo dat den eene ƒ 14 en de andere ƒ 21 aan inkomen hadden.
Schoon niet anders gelijk voor huur gekort wordende, hebben zij nimmer geklaagd en houden met vertrouwen staande dat hun grond in het aanstaande jaar zijn intrest zal opbrengen voor alle daar aan bestede arbeid.

Uit een brief van Johannes van den Bosch van 26 maart 1820 over het 'complot' onder de kolonisten: Het volkomen zeker dat iemand uit Amsterdam voor eenige maanden aan den kolonist Bosch gezonden is en dat deze tot 's nagts twaalf uren zich bezig gehouden heeft aan het huis van Bosch ter inwinning van informatien waarbij de Vos geassisteerd heeft benevens de zoon van Klaver (die met de dochter van Bosch vrijd) en de kolonist Gerrits. ... Gerrits anders een stil en braaf doch eenigzins onnozel man hierover door mij op heden onderhouden heeft erkend, toevallig bij dit onderhoud tegenwoor dig geweest te zijn, doch omtrent de ongunstige getuigenissen van Bosch en de Vos bevestigd te hebben.

Uit een brief van Johannes van den Bosch van 12 april 1820: Hij was het liever die mijn broeder informeerde dat de kolonist uit de stad Campen en Klaver tegen woordig geweest waren bij een ontmoeten(?) met een Amsterdamse heer bij Bosch aan huis. De eerste is een aardig man door onnozelheid denkelijk in het complot getrokken, zeker met deszelfs uitgebreide oogmerken onbekend. Daar over door mijn broeder vroeger onderhouden zijnde had hij alles stellig ontkend, in een nader onderhoud echter met mij toegestemd dat hij toevallig aan het huis van Bosch gekomen was, een gedeelte der gesprekken mede had aangehoord, maar overigens van niets wist.

Uit een brief ingezonden door A. Alting uit Kampen aan de Star van oktober 1820 over een bezoek aan Frederiksoord in 1819: "Een huisgezin uit deze stad in de kolonie geplaatst, en mij bekend, vond ik er uiterst gelukkig, en, zonder eenige klagten, gevoelig over den gunstig-veranderden toestand, waarin het zich bevond; het hoofd van dat huisgezin is sedert hier meermalen geweest, en overal toonde hij zich ten uiterste dankbaar voor zijn geluk."
    In dit jaar heb ik dezelfde kolonie weder bezocht, alles naauwkeurig nage gaan, en bij de overtuiging, dat men hier het weldadigst plan als reeds volkomen gevestigd rekenen kon, gevoelde ik de hartelijkste vreugde, Vrolijk verliet ik no. 1" ... enzovoort, slotzin van het stuk: "Alleraangenaamst was mij, dezen zomer, mijn reisje naar de koloniën:"

In het voorjaar van 1822 is Gerrits op basis van het besluit van 8 november 1821, een van degenen die is ‘verplaatst naar kleine hoeven der Maatschappij, buiten dezelve gelegen'

Maar niet zo heel lang daarna wordt hij bevorderd tot vrijboer op een van de grote boerderijen bij het wezengesticht Veenhuizen I. Of hij zich daar op 1 april 1824 vestigt of op 1 april 1826 weet ik nog niet, de notaties in het archief zijn tegenstrijdig.



Over hun latere leven:
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


Hun oudste zoon, Hendrik Hendriks Timmerman, verlaat in 1827 de boerderij in Veenhuizen, maar blijft wel in de buurt. Hij trouwt later te Smilde en ook kinderen van hem blijven daar wonen.

Ook zoon Willem Timmerman verlaat in 1827 de kolonie, en zoon
Teunis Timmerman doet dat in 1834, maar eerstgenoemde, dus Willem, keert 'uit de Mil. Dienst terug 15 Oct. 1836'.

Een jaar later gaat zoon
Harmen Timmerman weg, maar hij doet dat zonder toestemming te vragen en dus vermeldt het stamboek 'Harmen gedeserteerd den 31 Aug. 1837'. Of het hem echt gelukt is weet iik niet. In het register met invnr 1582 staat ook een notitie dat hij 'naar de strafk(olonie)' is gegaan, maar daar kon ik hem niet terugvinden.

Vader Hendrik loopt dan inmiddels al tegen de tachtig, alleen dochter Roelofje woont nog thuis, en er zal nieuw bloed op de boerderij moeten komen. Mei 1839 'wordt de hoeve op zijn zoon Willem die gehuwd is met E. Huisman overgeschreven'.

Die laatste heet voluit Eltje Huisman en zij is een dochter van Maarten Cornelis Huisman die al vanaf 1823 'wijkmeester te Veenhuizen I-Buiten' is, dus zeg maar de opzichter over de vrijboeren rond het eerste gesticht. De familie Huisman is afkomstig uit Scharmer (bij Groningen) en daar is Eltje ook geboren.

Als Willem en zijn vrouw de hoeve overnemen, verhuist Hendrik Gerrits met vrouw en dochter naar een van de woningen voor arbeidershuisgezinnen aan de buitenkant van Veenhuizen I.

Daar woont ook een andere proefkolonist, dus een van de gezinnen die gelijk met hen in 1818 in de proefkolonie kwamen, Dirk Houtman uit Vlaardingen, zie zijn file.
En diens gelijknamige zoon huwt in 1842
dochter Roelofje Timmerman:
Gemeente: Norg, Huwelijksakte, Aktenummer: 12. Datum: 29-10-1842, Bruidegom: Dirk Houtman, geboortedatum: 25-11-1814, geboorteplaats: Vlaardingen, zoon van Dirk Houtman en Lena van Dam
Bruid: Roelofjen Timmerman, geboortedatum: 09-01-1817, geboorteplaats: Kampen, dochter van Hendrik Timmerman en Femmegien Hendriks

Ook dit stel trekt - net als oudste zoon Hendrik Timmerman - naar Smilde. Ze schijnen in 1853 nog even korte tijd als kolonisten in Veenhuizen te verkeren.


Hendrik Gerrits overlijdt op 13 maart 1853: Norg, overlijdensakte, 14 maart 1853, aktenr. 43
Overledene: Hendrik Gerrits Timmerman, geboren te IJsselmuiden op 22-04-1758; beroep: zonder; overleden te Veenhuizen (Norg) op 13-03-1853; oud: 94 jaren, zoon van Gerrit Timmerman en Trijntje NN.
Gehuwd geweest met Femmigje Hendriks, in leven. NB. voorm. woonpl. Frederiksoord (Steenwijkerwold).

Na zijn dood verlaat echtgenote Femmigje de arbeidershuisgezinwoning en trekt ze in bij zoon Willem, waar ze twee jaar later overlijdt: Norg, overlijdensakte, Aktenummer: 167
Aangiftedatum: 29-05-1855, Overledene: Femmige Hendriks van der Kolk, Geslacht: V, overlijdensdatum: 28-05-1855, overlijdensplaats: Veenhuizen (Norg), geboorteda tum 27-01-1768, geboorteplaats Winsum, beroep koloniste, weduwe van Hendrik Gerrits, dochter van Hendrik van der Kolk en Harmpje NN


Zoom Willem is nog steeds vrijboer als in 1859 de Staat de gestichten overneemt en mag dan blijven, zodat hij vanaf dan wordt opgenomen onder de ambtenaren van de Rijkswerkinrichtingen.