|
HARMELING,
Bernardus
|
|
| Spellingvariaties: |
Harmelink
|
| Levensdata: |
gedoopt
Elst 25-02-1774 (of 1773?) als zoon van Joannes Harmeling en Gerarda
van Bronckhorst (in Maatschappij-administratie komt ook 16-6-1764
voor), overleden
5-2-1834 |
| Subcommissie: |
Groningen |
| Aankomst: |
5 december 1818 |
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 2, op de eerste linie. |
| Vorig
beroep: |
boerenarbeider,
vrouw spinster |
| Geloof: |
katholiek |
| Echtgeno(o)t(e): |
Johanna Maria Francisca Carmio (komt in de kolonie-administratie ook voor als Johanna Hermina
Karremejou of Cameo), gedoopt 21-12-1772 in Doesburg (in kolonie-administratie komt ook voor 31-12-1774) als dochter van Franciscus Ludovicus Toussein Carmio en Maria Rosaliae Dassi overleden 9-6-1846 |
| Kinderen: |
Bernardus
Harmeling, kanonnier, en Johanna Maria Francisca Carmio zijn op
11-12-1796 in Den Helder getrouwd Uit dat huwelijk zijn 10
kinderen geboren, waarvan het merendeel jong overleed. Mee naar de
kolonie kwamen: - Johanna Maria Rosa Harmeling, geboren op 12-09-1797 in Den Helder, gedoopt (RK) op 13-09-1797 (later gevlucht van de kolonie; zie hieronder brief Johannes 15-12-1821) - Geertruida Maria Harmeling, geboren in 1808 in Groningen, gedoopt op 09-12-1808 (kolonie-administratie geeft als geboortedatum ook 16-3-09) - Lodewijk (Leonardus) Harmeling, Geboren op 18-02-1812 in Groningen (kolonie-administratie geeft als geboortedatum 15-2-1812 - wordt ook kolonist - zie onderaan) - Pieternella Harmeling. geboren op 10-06-1815 in Groningen, overleden op 02-02-1855 in Stad Ommen, oud 39 jaar (kolonie-administratie geeft als geboortedatum ook 25-7-15) - Johanna Harmeling, geboren op 08-06-1817 (?) in Groningen. Vermoedelijk is zij een onecht kind van Johanna Maria Rosa, geboren 11-01-1817 in Groningen. Op de kolonie geboren: - Frederik Rausch, geboren 27-2-1825. Wordt aangeduid als kleinzoon, dus vermoedelijk het produkt van een dochter en een later op de kolonie gekomen zoon van kolonist Rausch. |
| Overige
huisgenoten: |
|
| Opmerkingen: | -
Bovenstaande data komen van onderzoeker Simon Carmio en wijken nogal af
van de data in de kolonie-administratie, maar die laatste is ook niet
echt betrouwbaar als het gaat om data die voorafgaan aan het verblijf
in de kolonie. - Ik heb contact met mensen die bij genealogisch onderzoek ook de Harmeling zijn tegengekomen. Als je die wilt bereiken moet je mij mailen en dan stuur ik dat door. |
Koloniale carrière |
|
| Samengevat: |
Ondanks dat hij al 54 was
toen hij aankwam een succesvol kolonist, wordt eind 1821 door iemand
als 'opzichter' genoemd, krijgt in 1822 een eigen hoeve bij de
Ommerschans, blijft altijd op de kolonie. Zijn zoon trouwt met een
dochter van Gerards, volgt zijn vader op en gaat ook nooit meer weg. |
| In
het boek: |
Bij naam op de bladzijden
72, 290, 331-332, 377. Over zijn subcommissie iets op bladzijden 16 en
160. |
Fragmenten uit de archieven
|
|
Al snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt Groningen er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 17 juli 1818. Daarmee behoort Groningen, met Hasselt, Lochem, Medemblik, BergopZoom, Schoonhoven en Delft.tot de eerste zeven steden met een subcommissie. Er waren meer contacten, in de landelijke leiding zat de Groninger Sijpkens en met een andere stadjer - Van Swinderen - was geregeld overleg over een op te leiden onderwijzer voor de kolonie, zie file Mulder. Uit de voordracht door de subcommissie Groningen dd 23 november 1818: De man is geboortig van Elst bij Nijmegen in de boerenstand opgebragt en verdient sedert hij in den jaar 1801 met paspoort voorzien s'lands militaire dienst verlaten heeft de kost voor zijn huisgezin met boerenwerk en is dus volmaakt met den veldarbeid bekend. De vrouw doet het vlas en wolle spinnen, de meisjes verstaan het spinnen en breiden en de jonge is zijn vader reeds behulpzaam in den arbeid. Dit huisgezin is volgens getuigenis van een alleszins zedelijk gedrag en beleid den Roomsch Catholijke godsdienst. Het zelve toont zich zeer genegen om naar de colonie te gaan, niettegenstaande hetzelfde van de weigering der twee vorigen is onderrigt en is in staat om zo de eerste waarschuwing te vertrekken. Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 6 december 1818: Gister arriveerde het huisgezin uit Groningen. Bernardus Harmeling en huisvrouw, een meisje van 20 jaar, een meisje van 14 jaar, een meisje van 5 jaar, een meisje van 2 jaar, een jongen van 14 jaar. Totaal 7 hoofden. 11 december 1818: De subcommissie Groningen maakt in de Staatscourant melding van het feit dat het gezin naar de kolonie is gegaan. In een brief van Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818:wordt Groningen genoemd als een van de subcommissies die ‘ons zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen'. Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files. Had hij in 1820 slechts een koperen medaille, in 1821 verwierf hij zilver. Uit een brief van Johanes van den Bosch van 15 december 1821 over straffen voor ongehuwd zwangere meisjes: Mag ik hier bij aan de Kommissie herinneren dat zij een bepaling gemaakt heeft dat die gelijke zaken in de kolonie met verweidering naar de Ommerschans zouden gestraft worden. Dat de dochter van Bosch dien ten gevolge naar de Ommerschans verwezen en de dochter van de brave Harmeling zich alleen door de vlucht hier aan heeft onttrokken. Het zal de oudste doichter geweest zijn die op de vlucht geslagen is en gezien de naam van de kleinzoon die bij Harmeling ingeschreven staat vermoed ik dat ze zwanger was van een zoon van de Haagse proefkolonist Rausch. Hoe dit afgelopen is, of ze alleen of samen met die vriend gevlucht is en of ze ooit haar kind is komen ophalen, weet ik niet. Uit het stamboek Ommerschans blijkt dat op 13 augustus 1822 Bernardus Harmeling een hoeve aan de Ommerschans betrekt. Star september 1822 over de Ommerschans-hoevenaars: De kolonisten harmeling en westerveld zijn reeds voor eenige dagen derwaarts vertrokken, en staan door tymes en arends te worden gevolgd. Hij wordt genoemd bij de vrijboeren op de pagina Ommerschans. Op 7 november 1822 schrijft ex-kolonist Muller, terugkijkend op gebeurtenissen eind 1821 en over zichzelf schrijvend als suppliant (= indiener van een verzoekschrift): Doch op den 2e kerstdag 1821 was hij suppliant op de terug reis van Steenwijk, zoo komt hij voorbij de verbodene herberg kort bij de kolonie, waarin Harmeling kolonist en opziener met zijnen vader zich bevond, schuilende aldaar wegens de sterke regen, lieten niet na met roepen tot suppliant beweegt wierd ook in te keren om te schuilen, niet denkende dat hij zoo groot kwaad daarmede kon, om dat het zoo sterk regende dat men uit nood eene deugd maken moet en ook omdat een opziener er in was die suppliant had ingeroepen. Na ophouden des regens zoo gaan zij hun reis naar huis voortzetten, zoodra zij luide buiten de deur kwamen stonden daar twee boeren die ons de namen afvroegen, die zij aan hun bekent maakten ter goeder trouw. Deze twee hebben waarschijnlijk hetzelve aan den Directeur bekend gemaakt, pas was suppliant thuis en had gegeten of den Onder Directeur kwam, en eischte hem suppliant zijn metaille af. Zie het verhaal Geweze kolonist en meester smid op deze site. Op 17 februari 1825 maakt Bernardus Harmeling deel uit van de Raad van Discipline in de kolonie N5 die recht moet spreken over de van wanbeleid verdachte mede-hoevenaar Westerveld (zie ook file Westerveld). Het proces-verbaal van die zitting eindigt met: Deeze vraagen nogmaals aan Westerveld voorgelezen zijnde heeft hij bij zijne gezegde antwoorden blijven persisteeren, en heeft hij ten bewijze daarvan dit mij zijn naamtekening bekragtigd. bij absentie van den Heer Direkteur der kolonien de Adj. Direkteur der kolonien Harloff J. Bosscha L. van Blanken A.J. Wijkstra D. Meder X dit is het handmerk van Harmelink verklarende niet te kunnen schrijven De Roij ----------------------------------- Hun verdere geschiedenis op de Ommerschans (gebaseerd op de stamboeken Ommerschans invnrs 1579, 1580, 1584) - Dochter Geertruida gaat 30-12-1827 met ontslag van de Ommerschans weg. - Op 1-4-1830 wordt 'kleinzoon' Frederik Rausch bij het gezin geplaatst. - Zoon Lodewijk (die ook wel eens als Leonardus voorkomt) wordt 14-4- 1831 opgeroepen voor de Nationale Militie; hij keert terug 25-1-1834. Dan gebeurt er in 1834 een heleboel tegelijk: - Vader Bernardus overlijdt 5-2-1834. - Zoon Lodewijk trouwt 5-4-1834 met Maria Geraets, dochter van de proefkolonist Gerards die ook als vrijboer rond de Ommerschans gevestigd is (zie zijn file). - Op 8-7-1834 wordt Lodewijk aangesteld als vrijboer als opvolger van zijn vader. Zijn moeder en diens kleinkind Frederik Rausch trekken er bij in, maar Johanna en Pieternella (of Petronella) gaan per diezelfde dag, dus 8-7-1834, met ontslag. Pieternella blijft in de buurt, ze trouwt 1-8-1835 in Ommen-Stad, nageslacht van haar komt voor in de Kwartierstaat Metaal. - Het vrijboerschap is van zeer korte duur, op 14-10-1834 worden Lodewijk, echtgenote Maria, zijn moeder en diens kleinkind Frederik Rausch overgeplaatst als gewoon kolonist naar Wilhelminaoord hoeve 36. ----------------------------------- De verdere geschiedenis van Lodewijk en zijn gezin: - In Wilhelminaoord wordt 30-1-1835 geboren zoon Bernardus. (stamboek Wilhelminaoord invnr 1354) - Op 16-2-1836 worden ze weer bevorderd tot vrijboer, dit keer op een boerderij bij het 1e gesticht van Veenhuizen. hoeve 10. (stamboek vrijboeren VH invnr 1582) - Op 30-4-1837 wordt geboren dochter Wilhelmina Petronella - Op 19-6-1837 wordt Lodewijk bevorderd tot zaalopziener (invnr 1582). Vermoedelijk over wezen, want het eerste gesticht is een weeskinderengesticht. Ze verhuizen dan wel van de boerderij naar een zaalopzienerswoning (gelegen tussen twee zalen met uitzicht op beide zalen). - Daar worden geboren Johanna Maria op 23-8-1839, overlijdt Bernardus op 31-1-1841, en wordt geboren Bernardus Ludovicus op 25-7-1842 die op 20-10-1842 overlijdt. - Op 15-8-1842 keren zij als gewone kolonisten terug, ze komen in Wilhelminaoord hoeve 14. Frederik Rausch is er dan niet bij. - Ze verhuizen 1-2-1844 naar Frederiksoord, eerst hoeve 39, dan hoeve 40. Hier overlijdt moeder Harmeling op 9-6-1846 en worden geboren Abtonia Theodora (15-4-1844), Elizabeth (3-11-1846), Ouwerdina Jacoba (26-4-1849), Lodewijk (2-8-1852) en Maria (9-2-1856). NB: Laatste gegevens zijn allemaal volgens de 'rode boeken van Kloosterhuis'. Daar kunnen typefouten inzitten. In 1863 verlaat het gezin de kolonie. Drie dochters dochters trouwen met kolonistenzonen, Antonia Theodora en Wilhelmina Petronella allebei met een Lucassen, kleinzonen van de Nijmeegse proefkolonist Lucassen (zie hier) en Johanna Maria met Heidentrijk. |
|