|
HOGENBRINK,
Gerrit
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Spellingvariaties: |
Hogenbirk,
Hogenberk, Hogenberg |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Levensdata: |
1774 -
7-11-1826 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Subcommissie: |
Weesp |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Aankomst: |
4-11-1818 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 37 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vorig
beroep: |
veenarbeider |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Geloof: |
Hervormd |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Echtgeno(o)t(e): |
Jannetje van Dijk,
17-4-1784 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Kinderen: |
- Matje 28-9-1804 - Cornelis 11-8-1806 - Pieter 1808 - Jannetje 1815 - Gerrit Gerrits 01-02-1817 - 10-07-1819 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Overige
huisgenoten: |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Opmerkingen: | -
Zoals steeds heb ik in het boek de spellingsvariatie gebruikt die in de
kolonie-administratie het vaakst voorkwam, maar inmiddels heb ik van
het gemeentearchief Weesp begrepen dat de familie daar onder de naam
Hogenberk of Hogenbirk bekend was. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Koloniale carrière |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Samengevat: |
Geen opzienbarende
arbeidsprestaties, maar ook niet slecht: in 1820 een koperen medaille.
Had zich laten betrekken bij de arbeidsonrust eind 1819/begin 1820,
maar kreeg spijt en klapte tegenover de directie uit de school.
Daarvoor werd hij later beloond met een boerderijtje in Wateren.
Overleed al snel, maar de rest van het gezin bleef altijd onder de
hoede van de Maatschappij. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In
het boek: |
Bij naam alleen op
bladzijde 378, als 'de kolonist uit Weesp' op de bladzijden 201-202,
246, 320 en 361. Iets over zijn subcommissie op bladzijde 17. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Fragmenten uit de archieven
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Al snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt Weesp er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 18 juli 1818. Daarmee behoort Weesp tot de eerste vijftien steden met een subcommissie. Uit een brief van de subcommissie Weesp dd 30 september 1818: Betreffende artikel 5 kunnen wij de Commissie melden dat zich in deze stad onder andere een armoedig huisgezin bevindt hetwelk wel zou inclineeren, om als colonisten geplaatst te worden. Bestaande uit een man in de kracht zijner jaren, en zeer geschikt tot alles, wat van eenen hollandschen landman vereischt wordt, hebbende ook reeds gearbeid in hierbij gelegene veenderijen en welks zedelijk gedrag voor zoo verre ons bekend is, onberispelijk is, zijn naam is Gerrit Hogenbrink, hebbende een vrouw die voortreffelijk het boerenwerk verstaat, hebbende deeze echtelieden vijf kinderen, zijnde drie jongens en twee meisjes, genaamd Matje oud 11 jaar, Cornelis oud 10 jaar, Pieter oud 8 jaar en twe jongeren, hebbende de twee oudste deezer kinderen reeds drie jaren in eene hier bestaande spinderij der gereformeerde diaconie gearbeid. Wij neemen de vrijheid dit huisgezin ten sterksten bij de Commissie aan te bevelen. De Hogenbrinks horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32 14 november 1818: De subcommissie Weesp maakt in de Staatscourant melding van het vertrek van het gezin. Uit de Staatscourant van 1 januari 1819, overgenomen uit de Amsterdamsche Courant: 29 december 1818: Het strekt de sub-commissie van weldadigheid, hier ter stede gevestigd, tot een bijzonder genoegen, te kunnen berigten, dat zij, bij monde van Gerrit Hogenbirk, van hier met zijn huisgezin naar de kolonie Frederiksoord vertrokken, en thans, voor eenige dagen, ter verrichting van familiezaken alhier aanwezig, de verzekering ontvangen heeft, dat hij en de zijne zich in hunne nieuwe loopbaan hoogstgelukkig rekenen, en eene gegronde hoop koesteren op een volgend goed bestaan. Juli 1819 overlijdt een zoontje: Vledder, overlijdensakte, 12 juli 1819, aktenr. 7 Overledene: Gerrit Gerrits Hoogenberg, geboren te Weesp op 01-02-1817; overle den te Frederiksoord (Vledder) op 10-07-1819, zoon van Gerrit Hoogenberg, beroep: arbeider, en Jannetje van Dijk. Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files. Uit een brief van Benjamin op of rond 12 april 1820: Lucasse heeft mij gezegd, dat Vos met Rausch en Hogenbirk bij hem waren geweest, om hem in het bekende complot te doen deelneemen. Gij herinnert U, dat Hogenbirk daar van berouw hebbende, er mij kennis van gaf. Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 12 april 1820: Hogenberk, anders een braaf oppassend man doch wiens vrouw voor eenige tijd uit hoofde van verregaande brutaliteit tegen den onderdirecteur was in het cachot gezet, word op het ogenblik dat hij deswegens zeer gebelgd was aangeroepen om aan dit complot deel te nemen, zelfs aangeboden om hem behulpzaam t zijn in het gewelddadig verlossen, zoals hij dit noemen, van zijn vrouw. Hij schijnt zich ook aanvankelijk met dit complot te hebben ingelaten. Doch bevreest voor de gevolgen gaf hij aan mijn broeder van het bestaan van het complot kennis, zonder echter de uitgestrektheid van het plan zoo hij daar in dat kan zulks niet volkomen bekend was ten zij dat hij er recht diep mede ingelaten had en de ontdekking vreesde te openbaren. Hij was het liever die mijn broeder informeerde dat de kolonist uit de stad Campen en Klaver tegenwoordig geweest waren bij een ontmoeten met een Amsterdamse heer bij Bosch aan huis. Uit een brief van Benjamin dd 18 mei 1820: Ik zend hier bij mede aan de Kommissie eene nota van aangevraagde goederen door den kolonist Hogenbirk. Wij hebben voor een vaste bepaling aangenomen, dat aan ijder huisgezin voor ƒ 13- aan kleeding op schuld kan ontvangen worden, die in 3 maanden moeten afbetaald worden. Waarna op die zelfde voorwaarde kan worden gecontinueerd. Hogenbirk heeft door weinig verdienste, en een mislukte oogst in het afgeloopene jaar, op zijne ƒ 13- nog niets afbetaald; en begeert opnieuw voor ƒ 19-. Op deze wijze zou hij spoedig met schulden boven maten bewaard zijn. Hij zegd last van zijne subcommis sie te hebben, haar het nodige te vragen, wanneer hij het hier niet bekomen kan. Ik geloof niet dat er subcommissien zijn, die zo ondoelmatig handelen kunnen. Bijgevoegd: Nota der aangevraagde goederen van de kolonist Hogenberk
Voorjaar 1822 is Hogenbrink een van de 'bestoppassende kolonisten' die, op basis van het besluit van 8 november 1821, worden 'verplaatst naar kleine hoeven der Maatschappij, buiten dezelve gelegen'. Ze wonen dan in het buitengebied dat als Wateren of Doldersumsche veld of Boschoord bekendstaat (zie boek bladzijde 317 &320). Gerrit Hogenbrink overlijdt in 1826. - Oudste dochter Matje trouwt met een zoon van kolonist Beun en blijft altijd op de kolonie. - Zoon Cornelis trouwt met een dochter van de ook naar het buitengebied in Wateren verplaatste proefkolonist Burks en wordt zelf ook kolonist. Cornelis of Kornelis zal het tot wijkoverste in Veenhuizen brengen. - Zoon Pieter trouwt met een dochter van kolonist Zwaan (over diens dood staat een stukje elders op de site) en na de dood van zijn vrouw met een dochter van proefkolonist Tijmes en brengt het tot wijkmeester. - Dochter Jannetje trouwt met ene Reinder NijenSikkens en ze komen als arbeidershuisgezin in Veenhuizen te wonen. Kortom, niemand verlaat de kolonie. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||