Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen




Neeltje de Kam, een weesmeisje dat Veenhuizen nooit verlaat

Neeltje de Kam wordt op 30 juni 1825 door de gemeente Vlissingen het kindergesticht te Veenhuizen binnengebracht. Zij is geboren 25 januari 1809 dus op het moment van aankomst is zij zestien jaar oud. Tegelijk met haar arriveert Johanna de Kam, geboren 30 december 1811. Dat zal dus wel haar jongere zusje zijn. Johanna de Kam krijgt weesnummer 1386, Neeltje de Kam weesnummer 1387.

Ze zijn allebei op weesnummer te vinden in het register van het derde gesticht met invnr 1572, en daarna in het wezenregister 1828-1830 met invnr 1410, Johanna ook in het register 1831-1834 met invnr 1411 en dan gaat zij met ontslag uit Veenhuizen weg op 19 mei 1831. Zus Neeltje gaat nooit weg uit Veenhuizen. Haar belevenissen zijn beschreven op pagina 121-123 van De kinderkolonie. Hier de volledige stukken.

Eerst is er de affaire Goossen Alberts van Veen.

Goossen Alberts van Veen

Goossen Alberts van Veen is geboren in 1783 en is dus veertig jaar als hij in 1823 bij de Maatschappij van Weldadigheid in dienst wil treden. Hij zit op dat moment als sergeant in het leger. Bij de ingekomen post, invnr 67, zit een Koninklijk Besluit gedateerd 26 oktober 1823 dat ondermeer bepaalt dat sergeant Goosens Alberts van Veen voor onbepaal≠de tijd met behoud van soldij in dienst van de Maatschappij kan treden.

Na wat proefdraaien met ander werk is hij blijkbaar zaalopziener geworden in het eerste etablissement te Veenhuizen tegen de tijd dat de eerste kinderen komen. Op 14 maart 1824, invnr 68, schrijft de directeur der koloniŽn Wouter Visser als hij de toestand van de eerste gearriveerde wezen heeft geÔnspecteerd: 'Bijzonder schijnt van Veen en vrouw voor hunne betrekking berekend.'

Dat hij het over 'vrouw' heeft is wat prematuur, want Goosen Alberts van Veen is op dat moment nog niet getrouwd. Dat gebeurt drie maanden later, op 17 juli 1824, te Norg. Dan treedt hij in het huwelijk met Catharina Wilhelmina van Velthoven. Zie hier voor de huwelijksakte.

Naar het derde gesticht

Daarna krijgt Van Veen ruzie met de adjunct-directeur van het eerste gesticht, Jannes Poelman. Dat is niet ongebruikelijk, dat hebben veel employťs. Op 22 oktober 1825 schrijft de directeur der koloniŽn over Goossen Alberts, invnr 76: 'Uit hoofde deze geemployeerde eenige oneenigheden met den Heer adjunct Direkteur heeft gehad, zoo steld den ondergeteekende bij deze voor, hem in zijne rang en salaris overteplaatsen bij het 3e etablissement te Veenhuizen.'

Dat advies wordt opgevolgd door de permanente commissie. Ze besluit op 3 november 1825, zie hier voor de transcriptie, om Goossen Alberts van Veen over te plaatsen naar het derde gesticht. Waar Neeltje woont.

Op een onbekend tijdstip ergens in 1826 wordt Van Veen daarvandaan weggepromoveerd. Hij wordt onderinstituteur bij het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren. En het is vandaar dat hij een brief schrijft aan Neeltje de Kam die wordt onderschept.

Lieve Neeltje

De onderschepte brief is gedateerd 25 oktober 1826 en bevindt zich in invnr 82, zie hier voor de scan. Goossen Alberts van Veen heeft een aantal spellingseigenaardigheden die in onderstaande letterlijk overgenomen zijn. Dat maakt het wat moeilijk te lezen. Om het niet helemaal onmogelijk te maken heb ik zelf wat interlinies toegevoegd:

Wateren, den 25 october 1826.

Lieve Neeltje, daar ik mijn niet langer kan ophouden mijn verveelende lotgevallen U te doen weeten. Daar Ik door Gods zeegen nog gehoud bin. Ik wens mit hert in ziel u in de gezeegenste staad an te treffen maar lieve kend Gij kund niet denken hoe smertelijk mijn het vald als dat ik zoo lang te leur gesteld word om naar den haag te gaan.

Ik heb seedert die tijd dat ik bij U bin geweest in mijn hert gekostert heb altijd op een brief gewagt in tot nog toe geen andwoord heb bekoomen.

Tog mijn geduld loopt ten eijnde in zoo het Opperweezen mag behaagen dan gaan ik in zaterdag over agt daagen naa den haag zijnde den 4 november, in dan moet Gij staad opmaaken als dat ik den 11 daar aan volgende te Norg koom als dan zal ik u een kleijn briefje doen bezorg als dat Gij dan sondaags bij mijn koomt maar lieve kend Ik hoop niet als dat Gij zoo in uw hert verdrietig ziet als ik over u daar Gij ligt kunt denken

Geen avond gaad er voorbij of ik bid het opperweezen weegens u daar Gij zoo aan mijn hert gehegt ziet.

Teffens hoop ik liefje hoop ik met hert in ziel als dat het opperweezen onze voorneemen kort mag bepaald hebben want wanneer het nog lang mogt dueren dan wenschen ik liever in het andere leeven over te gaan.

Tog heb goeden moed in wees voor zigtig als dat nimand agter u geheijm in koomt.

Daar het mijn niet zal verwonderen of zij koomt als ik weg bin naa den haag
weest dan verzigtig want daar zien geheijme op Stoutiers(?) want het is nog niet beter
den meenste dagen die ik hier heb door gebragt zien in het geheijme mit traanen van mij door gebragt

Tog blijf ik standvastig weegen U mijn geliefde
in omhels u mit dezen mit mijn hert ook vertrouw als dat gij tog mugt oppassen
Daar het opeerweezen mijn getuijge is

Alle avonden voor U bid in Ik hoop mit hert in ziel dat het niet vrugteloos mag zijn
Dat Gij U ook zoo nog zuld gedragen daar ik U lang voor gekend

nog vermaan Ik U liefje van voorzigtig te zijn voor naamelijk dat zij de brief niet in handen krijgen.

In met hert en ziel van mijn gegroed, G.A.van Veen.

Hoe vreemd gespeld ook, de boodschap is duidelijk. De directeur der koloniŽn stuurt de onderschepte brief op 10 november 1826 naar de permanente commissie, ook invnr 82. Hij mishandelt Neeltjes achternaam door er een 'p' achteraan te plakken en hij meldt de laatste ontwikkelingen:

Verder ben ik in de onaangename verpligting de Perm: Kommissie te berigten dat de gewezen zaalopziener van Veen, in de laatste tijd van zijnen dienst te Veenhuizen zich niet heeft ontzien eene schandelijke verbintenis aan te knopen met een weesmeisje, genaamd Neeltje de Kamp, blijkens nevensgaande brief uit het Instituut te wateren aan dat meisje gezonden.
Van Veen, bemerkend dat zijn wangedrag ontdekt was, heeft dadelijk het besluit genomen van te vertrekken, zijn vrouw agterlatend, die hem egter heden is gevolgd.


De veteraan Kristoffer of Christoffel Gustavus

Terwijl Goossen Alberts van Veen daarmee de koloniŽn voorgoed heeft verlaten, blijft Neeltje de Kam in het kindergesticht. Enkele jaren later is ze twintig jaar en al voor ontslag voorgedragen, als de directeur der koloniŽn op 27 maart 1829, invnr 96, zie hier voor de scan, meldt dat zij ten huwelijk is gevraagd:

De korporaal Kristoffel Gustavus te Veenh., weduwnaar met 3 kinderen, heeft zijn verlangen te kennen gegeven, om met de wees Neeltje de Kam een wettig huwelijk aantegaan, zoodra deze uit genoemde betrekking is ontslagen.

Christoffel Gustavus is sinds 14 mei 1828 in Veenhuizen en hij is te vinden in het register van veteranen met invnr 1588 en vul rechtsonder het paginanummer 12 in. Hiervandaan neem ik de gegevens over:

Christoffel Gustavus is volgens de kolonieadministratie geboren in 1796. Zijn echtgenote is
Dina van der Vlies/Vlier/Flier, volgens de in dit opzicht niet altijd betrouwbare kolonieadministratie geboren in 1790. Zij overlijdt op 5 september 1828. Het echtpaar heeft drie kinderen:

Wilhelmina Gustavus, geboren in 1825,
Johannes Gustavus, geboren in 1827, en
Dina Henderina Gustavus, geboren op 5 september 1828, zodat meteen duidelijk is dat moeder Dina in de kraam is overleden. Dina Henderina zal 15 februari 1830 overlijden.

Huwelijk

De directie en de permanente commissie hebben geen bezwaar tegen het verzoek van Gustavus. Op 31 maart 1829 komt Jan Louwrens de Kam, de vader van Neeltje, ten overstaan van de  burgemeester van Norg Johannes Tonckens zijn toestemming voor het huwelijk geven. Op 26 mei 1829 wordt Neeltje uit het kindergesticht ontslagen en op 13 juni 1829 vindt het huwelijk tussen haar en Christoffel Gustavus plaats.

Op 26 december 1829 baart Neeltje met Johanna Maria Gustavus haar eerste kind van Gustavus. Dat is iets te snel volgens de puriteinse normen van de Maatschappij, maar daar maalt blijkbaar niemand om. Johanna Maria zal op 12 september 1831 alweer overlijden.

Ook de op 10 maart 1831 geboren Elizabeth Gustavus zal maar twee jaar oud worden.

Zaalopziener

Woont het stel eerst in een van de woningen aan de buitenkant van het gesticht, per 18 juni 1832 verhuizen ze. Christoffel Gustavus wordt per die datum aangesteld als zaalopziener in het tweede of bedelaarsgesticht te Veenhuizen. Hij is voortaan zowel te volgen in het register van veteranen met invnr 1589 en vul rechtsonder het paginanummer 52 in, als op folio 69 van het personeelsregister 1834-1859, invnr 998. In die zaalopzienerswoning, gelegen tussen twee zalen met bedelaars, worden nog tal van kinderen geboren:

Albertus Johannes Gustavus, geboren 27 november 1832. Hij zal in 1835 overlijden.
Maria Christina Gustavus, geboren 6 april 1834.
Allebertus Johannis Gustavus, geboren 1 februari 1836.
Philippus Antonie Gustavus, geboren 3 maart 1837.
Jan Louwrens Gustavus, geboren 7 februari 1839 en blijkbaar vernoemd naar Neeltjes vader.
Petronella Geertruida Gustavus, geboren 23 november 1841.
Wilhelmus Theodorus Gustavus, geboren 7 maart 1844. Hij zal 3 augustus 1844 al overlijden.
Wilhelmina Gustavus, geboren 17 november 1846. Zij zal op 22 november 1849 overlijden.
Elisabeth Johanna Gustavus, geboren 17 december 1848.
Willem Andries Gustavus, geboren 18 mei 1851.

Neeltje de Kam overlijdt 23 november 1853, 42 jaar oud. Christoffel Gustavus werkt dan nog als zaalopziener in Veenhuizen-2 en dat doet hij nog als in 1859 de Staat de gestichten overneemt van de Maatschappij. Hoe het daarna gaat zal ongetwijfeld staan in toegang 0137.01 bij het Drents Archief maar heb ik niet nagekeken.