MULLER, Matthijs

Spellingvariaties:
Mulder
Levensdata:
    
Subcommissie:
Den Haag
Aankomst:
30-10-1818
Hoevenr. (tot 1823)
Nr. 3, op de eerste linie.
Vorig beroep:
 
Geloof:
 
Echtgeno(o)t(e):
onbekend
Kinderen:
onbekend
Overige huisgenoten:
  
Opmerkingen: Zie ook het verhaal Geweze kolonist en meester smid van Frederik oord over Muller dat op de site staat. 

Koloniale carrière

Samengevat:
Begint goed, wordt daarna de eerste kolonist-smid maar neemt januari 1822 ontslag na conflicten over drankmisbruik.
In het boek:
Bij naam alleen op bladzijde 380. Als Haagse kolonist wordt zijn aankomst beschreven op bladzijde 28, verder is hij degeen die op bladzijde 171 toestemming krijgt ‘het ambagt van smit uitteoefenen’.

Fragmenten uit de archieven


Uit de Staatecourant, overgenomen uit de 's Gravenhaagsche Courant: 4 december 1818. De permanente commissie van Weldadigheid heeft, in den loop der maand november, behalve het huisgezin van J. Tersmette, sterk vijf hoofden, door de sub-commissie dezer stad voorgedragen, nog daarenboven naar de kolonie Frederiksoord opgezonden het haagsche huisgezin van F. Ransch en dat van M. Muller, ieder zeven hoofden sterk

In een brief van Benjamin dd 28 december 1818 wordt Den Haag genoemd als een van de voorbeelden van subcommissies (die) ons zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen.

Uit een brief van Benjamin dd 13 januari 1819: Muller heeft nog ruim ƒ 1= te goed maar ook hier zijn de verdiensten ƒ 33=13-8. Hoe weinig huisgezinnen zullen het tot deeze hoogte brengen.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.
 
Notulen pc dd 28 augustus 1819: Besloten om den kolonist Muller in staat te stellen om het ambagt van smit uitteoefenen, en eenige daar toe benodigde voorschotten te doen.

Notulen pc dd 14 mei 1820: Besluit der PK. .. dat de dochter van Muller vrijheid heeft te gaan dienen;

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 21 juni 1821: Bij de verdere uitbreidingen der kolonien ondervinden wij dagelijks meer en meer de behoefte ener smederij. Het minste dat aan een stuk swaar gereedschap breekt moet het zelve uren ver te repareren gezonden worden, en daartoe niet zeldzaam een span paarden gebruikt worden, zo dat de kosten van transport dikwijls hoger zijn dan het arbeidsloon daar aan verdient. Zelfs het kleinste stuk gereedschap dat reparatie behoeft brengt een verzuim te weeg dat op de algemene werkzaamheden van invloed is. Reeds vroeger heeft het oogmerk bestaan om een smederij bij de kolonist Muller aanteleggen, doch hetzelve is dan om deze, dan om een andere reden uitgesteld. Thans echter kan het nodige gereedschap voor ƒ150- gekogt worden, terwijl het opbouwen der smederij en noodstal tot het beslaan der paarden voor ƒ250 besteed kan worden. Ik stel voor deze sommen tot dat einde te akkorderen, de waarde der gereedschappen te korten op het geen Muller voor de Maatschappij maken zal en hem voor de smederij ƒ25- huur jaarlijks te laten betalen, mede op de objecten die gemaakt zullen worden te korten.

Uit een brief van Wouter Visser dd 18 november 1821: Eindelijk dat de kolonist Mulder uit no.1 welke op den 24 aug. ll. met den zilveren medaille wierdt vereert, zich aan dronkenschap heeft schuldig gemaakt, ten gevolge daar van voor de Raad van Opzieners is gebragt en door de zelven geoordeelt te zijn onwaardig dit eerenteken te dragen; waarna aan hem Mulder het dragen der medaille is ontzegt tot dat dien aangaande door de Perm. Komm. zelve zal zijn beslist.

Uit een brief van Johannes dd 3 december 1821: Na mijn inzien behoorde de kolonist Mulder beroofd te worden van de zilveren medaille. Door de Kommissie kunnende ditzelve bij eene verbetering van gedrag aan dezelve terug gegeven worden. Het misbruik van sterken drank is op zich zelve niet zulk een groote fout, maar de gevolgen die daar uit voortspruiten zijn onberekenbaar. Gelukkiglijk hebben wij dit thans onderdrukt, genoegzaam geheel uitgeroeid. De minste toegevendheid echter dreigt ons andermaal tot het oude gebrek te doen vervallen. Ik meen derhalve in bedenking te moeten geven van Mulder voor eerst de medaille te ontnemen, en dat wel te meer om dat aan anderen de medaille geweigerd is die zich aan dronkenschap hebben schuldig gemaakt. Ook is het niet de eerste wijs dat Mulder zich daar aan schuldig maakt, maar het is zeer moeijelijk om hem daar van te overtuigen. Hij heeft reeds meermalen in Steenwijk beschonken rondgelopen.

Uit een brief van Wouter Visser dd 17 januari 1822: Door het vertrek van den kolonist Mulder, de smederij in de kolonie openvallende, en het, zoo wel om de voordeelen der huurpenningen, en wezenlijk niet der kolonien in het algemeen en kolonisten in t bijzonder, alleszins doelmatig schijnt, de inrigting te doen stand houden;

November 1822 schrijft Muller een verzoekschrift of hij terug mag keren. Zie het verhaal op deze site. De reactie:

Uit een brief van Wouter Visser dd 17 november 1822: Aangaande het verzoek van den gewezene kolonist Mulder, dat de omstandigheden die zijn ontslag uit de koloniën zijn voor afgegaan wel verre van naar waarheid in zijn verzoekschrift te zijn opgegeven, veel meer bezwarende voor Mulder waren; als zijnde hem - om dit in korte woorden te herhalen - eerst wegens dronkenschap, het dragen zijner medaille met voorkennis der P.K. ontzegt; vervolgens is hij om die zelfde redenen, voor zijne verdiensten bij de Maatschappij in kaartjes uitbetaald, bij niemand dan den onderDirekteur gangbaar; deeze maatregel was bij Mulder onvoldoende of liever niet uitvoerbaar, terwijl ij steenkolen als andersints tot zijn smeeding behorende in comptanten moetende betalen, men verpligt was daarvoor geld af te geven; ook werkte hij voor vreemden en was dus altijd van gereed geld voorzien; nu nog voortgaande met drinken, schoot niets anders over, dan hem het smeden te verbieden, waarop Mulder zijn ontslag heeft gevraagd en verkreegen: om alle welke reden ik mij verpligt vindt vind de P.K. tot het niet akkordeeren van 's mans verzoek te advyseeren.