Joseph Salomon Nord, kerkmeester, bewoner van Willemsoord 1830-1860

Joseph Salomon Nord komt op 27 april 1830 aan in de kolonie Willemsoord. Volgens de kolonieadministratie is hij geboren 12 april 1791, dus bij aankomst 39 jaar oud. Hij is getrouwd (of niet, zie onder) met Claartje Meijer, die ook voorkomt als Claartje Meijer Worms, die ook in april 1791 geboren zou zijn. Ze zijn in de kolonie geplaatst door de subcommissie van weldadigheid Amsterdam, die mocht beslissen over een plek die eigenlijk toekwam aan de 'Provinciale Kommandant van West-Vlaanderen' maar waar de provinciale commandant zelf geen kandidaten voor had.

Het echtpaar (of niet, zie onder) staat in het stamboek Willemsoord 1830-1834 met invnr 1360, zie hier, ingeschreven bij hoeve 113. Ze hebben de volgende kinderen:

● Meyer Joseph Nord, geboren 24 janauri 1816 of 1817. Hij vertrekt van de kolonie op 19 juli 1851.

● Calmer Joseph Nord, geboren 7 februari 1819. Hij gaat 22 movember 1838 in militaire dienst en keert daarvan terug op 28 februari 1840. Hij deserteert 27 juni 1844, maar staat later te boek als Salomon Joseph Nord. trouwt met Vogeltje Mozes Vogel en wordt zelf kolonist. In de kolonistendatabase staat hij als Nort, met een 't' op het eind.

● Theresia Joseph Nord, geboren 1 april 1821. Zij deserteert van de kolonie op 1 oktober 1846.

● Aaron Joseph Nord, geboren 1 juni 1823.

● Jacob Joseph Nord, geboren 5 mei 1826. Hij gaat 8 mei 1845 in militaire dienst en keert daarna niet meer terug.

● Leentje Joseph Nord, geboren 21 december 1828. Zij vertrekt om te gaan dienen op 27 april 1848, maar keert onverrichterzake terug op 30 juni. Ze vertrekt weer op 7 mei 1853 en blijft dan voorgoed weg.

● Isaac Joseph Nord, geboren 10 augustus 1831, dus toen ze al in Willemsoord woonden. Hij vertrekt op 18 april 1857 van de kolonie.

In het stamboek Willemsoord 1836-1840, met invnr 1361, zie hier, is te zien dat ze op 1 december 1837 verhuizen naar hoeve nummer 49. Zie hier waar die hoeve gelegen is, en daar wonen ze dus als er een joodse gemeente gevormd wordt met een eigen synagoge en een eigen rabbijn.
In de begintijd is Joseph Salomon Nord daar 'kerkmeester', maar dat leidt tot conflicten met rabbijn Nehemia Salomon Jacobson. Het wordt hier genoemd in verhaalvorm, en hieronder een brief van de directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg van 31 oktober 1838, invnr 200 scans 916-922, die zich geroepen voelt in te grijpen:


Reeds heb ik UWEdGeb. geacht medelid, den WelEdGestr. Heer Mr. Faber van Riemsdijk, mondeling bekend gemaakt met ernstige verschillen, tusschen den IsraŽlitische godsdienst-onderwijzer Jacobson en den Kerkmeester en Kolonist Nord.
Ik had gedacht, door mijne tusschenkomst dezelve te hebben opgeruimd, maar eene nieuwe uitbarsting noodzaakt mij UWEdGeb. daarvan het verslag te doen, het welk ik de eer heb UWEdGeb bij dezen aantebieden.

Het is UWEdGeb. bekend, dat, bij Nord, de op den 23 Junij ll. met ontslag uit de koloniŽn vertrokken kolonist J. D. Wijl, mede tot Kerkmeester benoemd is, van wien ik UWEdGeb., echter, naderhand bekend gemaakt heb, dat hij, uit hoofde van onverschilligheid jegens zijne godsdienst, daarvoor minder geschikt was, met voordragt van eenen ander.

Zoo lang daarop geen gevolg kwam sloeg Nord mij voor, om, voor zoo veel noodig, den Onderwijzer te raadplegen en ik keurde zulks goed, daar beiden eensgezind waren en, eigenlijk, de laatste beter in staat is, om orde en voegzaamheid te bewaren en te bevorderen dan de kolonist Nord.

Die eensgezindheid, echter, is van liever lede verminderd en eindelijk geheel opgehouden en tot haat overgeslagen, door menigerlei oorzaak.

De kerkmeester Nord meent, dat de Onderwijzer Jacobson zich het gansche beheer van zaken aantrekt en hem, hoe langer hoe minder, als kerkmeester erkent. De onderwijzer, daarentegen, betuigt, dat hij niets verrigt, dat inderdaad aan den Kerkmeester zou gedemandeerd zijn.

Niet genoegzaam met het ceremonieel en het huishoudelijke van de Joodsche eerdienst bekend zijnde, was het den Directie steeds moeijelijk de verschillen uit te wijzen, bij gebrek van de toegezegde reglementen, ofschoon het mij steeds is voorgekomen, dat de Onderwijzer, wiens ijver, kennis en beschaving die van Nord verre te boven gaat, altoos het goede beoogt en betracht heeft.

Eindelijk is er de gemeente aan te pas gekomen, en heeft de Kerkmeester zich, bij of na de godsdienst oefening, op eene onvoegzame wijze, vruchteloos op de aanwezigen in de kerk beroepen, over verkeerde regeling van den Onderwijzer, zoo hij meende, en hebben, vervolgens, al de IsraŽliten, te Willemsoord welke het met den Onderwijzer eens zijn, mij nevensgevoegd geschrift gezonden, waarbij zij Nord beschuldigen:

1 Van de offer penningen over 3 jaren, vůůr de Stichting der Kerk, benevens de gecollecteerde gelden bij de inwijding van het gebouw, niet te hebben verantwoord.en
2. Niet te zijn gehuwd.

Nord zegt, en het schijnt mij ook zoo toe, dat die offerpenningen toen ter tijd niet meer dan f 4:- ŗ f 5:- ís jaars beliepen en heeft mij onderscheidene gevallen van bijzondere behoeften opgenoemd, waarin die gelden door hem zijn uitgedeeld, welke hebben moeten worden erkend.
Even zoo, hoe de f 15:- ingezamelde giften bij genoemde plegtigheid zijn besteed, het geen mij mede tamelijk voldoende is voor gekomen, en dat zulks niet buiten eenig overleg met het kerk bestuur van Steenwijk tot ter tijd heeft plaats gehad. Van geen van beide heeft hij, echter aanteekening gehouden, waardoor hij buiten staat is, zich volkomen te  verantwoorden.

De andere zaak heeft Nord moeten bekennen, ofschoon hij nog wil doen gelooven, dat, toen hij militair was en zijne vrouw beviel, te Vlissingen, hunne vereeniging nog kerkelijk zoude zijn ingezegend, het geen, intusschen, niet wel heeft kunnen of mogen geschieden en waarvan hij dan ook geen bewijs leveren kan.


Van zijnen kant beschuldigt Nord den onderwijzer van de voor de kerk en het bad bestemde kaarsen en turf in zijn huis gezin te gebruiken, op het getuigenis zijner dochter, die bij den onderwijzer gediend heeft en dat er niet zoo veel turf benoodigd zoude zijn, het geen door de onderwijzer wordt tegen gesproken en, wat de turf betreft, voor ons voldoende weÍrlegd is.


Het is dus niet vreemd, dat die beide zich niet langer kunnen verdragen, het geen thans zoo hoog gekomen is, dat de Onderwijzer zegt, de dienst niet te kunnen waarnemen, zoo lang Nord als kerkmeester fungeert, gelijk hij dan ook ll. vrijdag avond de dienst door een der leken heeft doen waarnemen, terwijl de gemeente mede zegt, Nord niet als kerkmeester te kunnen erkennen, daar hij met zijne vrouw in onecht leeft, het geen strijdig met hunne wet zoude zijn, het geen mij den Onderwijzer, echter, niet zoo stellig durft verzekeren.

Eergisteren heb ik deze zaak, in bijwezen van den Adjunct-directeur, met het meeste geduld, ten tweede male onderzocht, waarbij het mij gebleken is:
1e Dat Nord geene behoorlijke verantwoording gedaan heeft, noch nu doen kan, van de vermelde geringe sommen die, evenwel, geheel en niet ongepast schijnen besteed te zijn.
2. Dat hij inderdaad niet wettiglijk is gehuwd.
3. Dat hij den Onderwijzer, minstens ligtvaardig, van ontrouw verdenkt en beschuldigt.
4. Dat de Onderwijzer zeer geacht is van de kolonisten.
5. Dat deze den Kerk meester nimmer in zijne bediening heeft te kort gedaan, of zou willen te kort doen, dan uit betere inzichten van orde en voegzaamheid.
6. Dat beide, echter, zeer tegen elkander verbitterd zijn, gelijk ook de gemeente op Nord.
7. Dat alzoo, de Kerkmeester in zijne functie door mij behoorde te worden geschorst, - waar tegen hij weinig had intebrengen,- zoude de uitoefening van de Eerdienst voortgang kunnen hebben, waartoe ik dan ook ben overgegaan, vooral uit aanmerking, dat hij met zijne vrouw in onecht leeft, het geen, natuurlijk ons en een ieder, tot hiertoe, geheel onbekend is geweest, zeggende Nord intusschen, wel de noodige stukken te bezitten, of te kunnen  bekomen, om zijn huwelijk alsnog te doen voltrekken.

Naar aanleiding van een bij den Onderwijzer ontvangen Dispositie van de Hoofcommissie voor de IsraŽlitische kerkelijke zaken,-  waarvan een afschrift hiernevens gevoegd is,- moet ik nog herhalen, dat de Kerkmeester Nord den onderwijzer niet zoo formeeel tot mede Kerkmeester voor den vertrokken kolonist Wijl, geassumeerd had als de Hoofdcommissie dit had verstaan, maar dat er slechts een minnelijk overleg bestond tusschen die beiden, die haast van zelve moest ontstaan en ook vereischt werd en steeds gevorderd zal worden, zelfs al bestaat er een reglement, daar, eigenlijk, geen der kolonisten gezegd kan worden voldoende kennis en beschaving te bezitten, om hunne bediening goed waar te nemen, zoo dat de onderwijzer door hen niet ziet afbreken, hetgeen hij te regt wenscht op te bouwen, orde, voegzaamheid, ernst, godsdienst en zedelijkheid.

Ik, voor mij, geloof, derhalve, dat er aan den onderwijzer steeds eene superioteit zal moeten worden toegekend, die slechts een paar kolonisten tot raadslieden en helpers lijden kan, waarom ik het dan ook voor als nog overbodig oordeel personen tot andere kerkmeesters voortedragen, die ik, in dien eigenlijken zin, verlegen zou zijn op tegeven.

De onderwijzer, eindelijk, bedroefd en verdrietig over het gebeurde en den inhoud der ontvangen Dispositie, zoude wel in persoon verlangen over te komen tot UWEdGeb. en de Hoofd Commissie, om zich, voor zoo veel noodig , te verantwoorden, hetgeen ik hem echter heb ontraden, daar ik geloof dat dit onzijdig rapport, aanvankelijk althans, even voldoende zal wezen.

De Directeur der KoloniŽn
J Van Konijnenburg

Of daarmee de carriŤre als kerkmeester van Nord helemaal ten einde is, weet ik niet, want er is later sprake van een verzoening tussen Jacobson en Nord (zie bijlage 5). De familie Nord komt nogal vaak voor in de tuchtzittingen van de vrije koloniŽn:

● Over baldadigheden bij godsdienstoefeningen 24-09-1836 (geen transcriptie, zie hier)

● Joseph Salomon als getuige bij een conflict Jacobson-Werkendam op 21-07-1838

● Als getuige bij een conflict Jacobson-Van Embden op 16-05-1840.

● Zoons Ašron en Jacob Nord wegens weghalen van bremtakken 02-01-1841.

● Zoons Meijer en Salomon (Calmer) Nord als getuigen in de weverij 03-07-1841.

● Zoon Jacob Joseph Nord wegens luiheid en vernielingen 27-04-1844.

● Zoon Meier Joseph Nordt wegens belediging wijkmeester 17-10-1844.

● Zoon Isaac Nord wegens vernieling aan een koloniehuisje 05-04-1849.

Misschien ben ik nog iets vergeten. Als bijna alle kinderen uitgevlogen zijn deserteert Joseph Salomon Nord met het restant van het gezin op 16 juni 1860 van de kolonie. Zoon Salomon en gezin gaan 18 februari 1863 van de kolonie weg.