Willem Putman, ingedeelde en kwekeling van waarschijnlijk betere stand

Lid van de Commissie van Weldadigheid en kassier van de Maatschappij van Weldadigheid Petrus Ameshoff schrijft vanuit Amsterdam aan de permanente commissie op 26 januari 1821, invnr 56:

Doctor Luber alhier, wil bij mij storten ineens É300:- verlangt daarvoor kwitantie, en eene geleide brief, om eenen jongen van 6 jaar, in de kolonie te plaatsen, zonder verdere kontrakten. Kan dit geschieden? En zoude UWE mij willen magtigen met het 1e open water, dezen jongen te verzenden?

De volgende dag, 27 januari 1821, wordt de vraag van Ameshoff behandeld in de notulen van de permanente commissie, invnr 38:

Kassier Ameshoff, 26 januarij (...) vraagt of iemand zonder kontrakt een jongen van 6 jaren in de kolonie kan besteden tegen 300 gulden in eens.
Besloten te antwoorden (...) dat (...) geene besteding van kinderen in de kolonie kan plaats hebben, al wordt de som in eens betaald.

Dat brengt Ameshoff braaf over aan doctor Luber en op 8 februari 1821 zendt hij een brief van Luber naar de permanente commissie, met de begeleidende woorden 'Ik heb de eer mij te gedragen aan het ommestaande en het inleggend kopij biljet van doctor A.W. Luber'. De brief van Luber, invnr 56, luidt:

Weledele Heer!

Uwe geŽerde missieve inhoudende antwoord van de Permanente Kommissie der Weldadigheid, is mij wel geworden.

Ik dank UWE voor de genomene moeite.
Er is mij uit gebleken dat de Komm. voornd. een aanbod van É300:- voor het aannemen van een kind niet kan bewilligen:
Ik neem de vrijheid U te observeren dat ik op deze geringe som in vergelijk van É60 's jaars gedurende 16 jaren niet zoo zeer onsteerde, maar wel op een afkoop in eens om daar voor een kind vast geengacheerd te zien, zonder verdere verbintenis van mijne zijde.

Uwe bereidvaardigheid doet mij de vrijheid nemen U te verzoeken mij een kontrakt in blanco ter lectuur te willen zenden met zoo mogelijk het berigt of de som niet in eens kan voldaan worden.
Wijders zoo deze niet in het kontrakt vermeld zij, waartoe de Maatschappij zich voor een enkeld kind verbindt, deze voorwaarden te willen berigten, daar ik die in de Star, wel te weten voor een enkeld persoon niet heb kunnen vinden.

Met achting
(WG) A.W. Luber

Op 24 februari 1821 schrijft Ameshoff nog: 'De brief aan den Heer Alje Luber, heb ik na lecture doen bezorgen.' en dan lijkt alles helemaal rond. Volgens het contractenboek invnr 1394, zie hier, wordt het contract op 13 april 1821 getekend. Het is een zogenaamd E-contract (zie voor uitleg daarover hier). Der notulen van de permanente commissie van die dag, invnr 38, melden (vR = lid van de permanente commissie Jeremias Faber van Riemsdijk):

De Heer v.R. brengt ter tafel een kontrakt in duplo met den Heer A.W. Luber te Amsterdam, tot overneming van Willem Putman voor de som van É 960 in eens.
Van 't kontrakt geteekend een exemplaar aan de Heer Kool in de Molnestraat alhier toetezenden, met bijvoeging dat die persoon tegen den 20sten daar in de kolonie verwacht wordt, en dat de Heer Luber tot deszelfs expeditie derwaarts zich, des verkiezende, kan adresseren aan 't kantoor van den Heer Ameshoff, Bergstraat no. 17, bij wien als kassier der Maatschappij ook de gelden kunnen worden gestort, en die deswegens door de P.K. zal worden geprevenieerd en aan de Heer Ameshoff, als mede aan den Direkteur hier van besloten kennis te geven.

Op 20 april 1821, invnr 57, schrijft Ameshoff nog 'De Heer Luber, heb ik de noodige opheldering gegeven.' en dan, op 16 april 1821 komt Willem Putman in de kolonie aan. Volgens de niet altijd betrouwbare kolonieadministratie is hij geboren op 11 januari 1815 en dus inderdaad zes jaar oud.

Hij wordt ondergebracht bij de Haagse huisverzorger Johannes Ebert, die eerst even in de kolonie Willemsoord woont en dan overgaat naar Frederiksoord. In het stamboek met invnr 1346, zie hier, staat Ebert met een he-le-boel ingedeelde kinderen bij hoeve 22 van Frederiksoord. Daaronder Willem Putman.

Dat de heer Luber liever niet zestien jaar zestig gulden betaalt, maar het in ťťn keer wil afdoen, wil niet zeggen dat hij verder niet naar Willem Putman omkijkt. Integendeel. Op 29 oktober 1821 schrijft hij een zeer verontruste brief aan de permanente comissie, invnr 59. Op smeekbrieven om geld van een zesjarige reageert hij niet, maar er zijn andere geluiden die hem zorg baren:

In de maand mey ll. heb ik met de Maat≠schappij van Weldadigheid een kontrakt aan≠gegaan ten behoeve van W. Putman, ten einde hem in de kolonie te plaatsen, gelijk hij dan ook op aanschrijving van UWelEd der≠waards overgebragt, en volgens berigt ge≠huisvest is bij Johannes Ebert, in de kolonie Willemsoord No.3 Wijk 1 No.5.

De zorg over dat kind tijdens zijn verblijf alhier op mij geno≠men hebbende, is mij zijn verder lot ook niet onverschillig, en de plaatsing in de kolonie was uit overtuiging, dat ik voor zijne volgende bestemming geen betere keuze konde doen.

Al spoedig na zijn vertrek ontving de vrouw aan wier zorg hij hier was toevertrouwd een≠en brief van het kind geschre≠ven, dat blijken genoeg opleverde, dat de woorden hem wa≠ren in de mond gelegd, inhou≠dende verzoek om kleding subsidies enz. waaraan ik ge≠zorgd heb, dat niet voldaan word.

Nu heeft deze zelfde vrouw door den Steenwij≠ker bode Groen bij herhaling berigt ontvan≠gen, dat het kind nog niet de koloniale kleding ontvangen heeft, en bij het naderen van den winter war≠mere kleding behoeft: dit bevreemd mij zeer, eens≠deels om de dikwerf door de Maatsch. in nu nog onlangs in haar laatst algemeen ver≠slag, geuite gevoelens het nuttige en noodza≠kelijke dat alle kolonisten de eens bepaalde costumes bij uitsluiting behoren te dragen; anderdeels om dat eene dergelijke aanvraag zeker officieel aan mij zou gedaan zijn.

Een tweede, niet minder gewigtige bood≠schap, was, dat ge≠noemd kind zeer gevaarlij≠ke kinderpokken gehad had, en daar van ter nauwernood het leven had behouden, iets dat voor mij niet alleen, maar voor het geheele crediet der vaccine zeer gewigtig is, waarom ik dan ook nevensgaand declaratoir van goe≠de en welgeslaagde vaccine aan UWelEd toezende.

Ik ben tezeer voor de goede bedoelingen der Maatschappij ingeno≠men om niet aan≠gaande het bovenstaande naar eenig berigt te verlangen, zoo ik zelfs mij niet te veel vermeet, zou nu en dan eenig tijding aan≠gaande deezen jongen kolonist mij zeer aan≠genaam zijn.

Mij met eenige rescriptie vleij≠ende heb ik de eer met de meeste hoogach≠ting te zijn
WelEdele Heeren! UWelEd DW Dienaar M.W. Luber
adres M.W. Luber Med. Dr. Herengr. bij de Herenstr. te Amsterdam

Als altijd legt de permanente commissie zulke klachten eerst voor aan de directeur der koloniŽn, en op 6 november 1821 rapporteert die, invnr 59:

Eindelijk op die van den Heer Luber te Amsterdam:

't is waar, dat het kind genoemd W. Putman, nog niet van koloniale kleding is voorzien.
De reden daar van, zijn hoofdzakelijk deeze.

Het kind is zoo jong, dat het bijna nooit buiten de deur komt, en is behoorlijk van gewone kleding voorzien, zoo dat het tot nu toe volstrekt geen nieuwe kleding behoefde; in zo danig geval is, mijn bedunkens, de strikte regel omtrent de kleding der kolonisten niet toepasselijk; ik heb het kind, meermalen gezien; het wordt bij Ebert zeer goed opgepast; betreffende de kinderpokken welke het zelve zoude hebben gehadt, dit is buiten de waarheid; het heeft een uitslag over zijn ligchaam gehadt, dat volgens zeggen van de onderDirekteur, door den geneesheer steenpokken wordt genoemt, en dit heeft slegts 3 a 4 dagen geduurt.

Verder heb ik niet gekeken naar zijn voorkomen in de post. Wie dat wil wel doen moet naar www.alledrenten.nl -> kies in de linkerkolom 'Maatschappij van Weldadigheid' -> klik het vakje 'kolonistendatabase' weg en zoek in de brieven.

Het joch blijft in leven en jarenlang bij Ebert in huis. Op 10 november 1829, hij is dan dertien jaar, wordt hij opgenomen in het Instiruur voor Landbouwkundige Opvoeding in Wateren. Ik vind hem terug in invnr 1610 en 1584 met kwekelingennummer 4,  Ook in invnr 1611, kwekelingen van 1836-1847, staat hij nog met als ontslagdatum 20 maart 1838.

Volgens een overzicht dat adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda heeft gemaakt over de verdere levensloop van afgestudeerde kwekelingen, welk overzicht een los inliggende geheel is in invnr 1611, is Willem Putman vertrokken als 'boerenknegt te Darthuizen' en is hij dat in 1841 nog steeds. Daorthuizen schijnt in de provincie Utrecht te liggen.

Opvallend is dat mevrouw Kloosterhuis in de kolonistendatabase meldt dat Willem Putman een remplaÁant heeft, dus iemand die tegen betaling de militaire dienst van hem overneemt. Dat is normaliter iets dat alleen de hogere standen zich kunnen veroorloven. Maar nergens wordt vermeld wie die remplaÁant voor Putman betaalt.