RHEE, Sarus van

Spellingvariaties:
Ree, Rheen 
Levensdata:
vermoedelijke doopdatum 19 september 1776 - ovl 06-01-1830 (Helmond)
Subcommissie:
Wijk bij Duurstede
Aankomst:
4-11-1818
Hoevenr. (tot 1823)
Nr. 52
Vorig beroep:
wagenmaker 
Geloof:
onbekend 
Echtgeno(o)t(e):
Johanna Wilhelmina Elizabeth Storij, geb. ca 1779 - 9-9-1831 (Altforts)
Kinderen:
- Gerrit Hendrik, ca 1810/1811
- Cornelia Anthonia, ca 1812/1814
- Wilhelmina, 15 april 1818
Overige huisgenoten:
  
Opmerkingen: Omdat zij in 1820 de kolonie verlaten, staan er geen gegevens over het gezin in de latere stamboeken. De gegevens hierboven zijn afkomstig van een genealogisch onderzoeker naar de familie Storij. Uit diens informatie blijkt dat de familie van echtgenote Johanna inderdaad (zie bij de archieffragmenten) aanzienlijk was. Leden van de fasmilie waren oa schepen, burgemeester, gemeente-secretaris, schoolmeester, richter, predikant en admiraal.

Koloniale carrière

Samengevat:
Het botert absoluut niet tussn Van Rhee en de Maatschappij. Na een jaar wil hij weg, maar mag hij niet. Na de opstandigheden van maart 1820 neemt het gezin de benen, waarmee zij het eerste ‘deserteurs'gezin in de geschiedenis van de kolonie zijn.
In het boek:
Bij naam op de bladzijden 33, 129, 187, 208, 210, 211, 220, 222, 234, 303, 380, als de wagenmaker uit Wijk bij Duurstede op bladzij 46, als ongeschikt huisgezin uit Wijk bij Duurstede op bladzij 110, zijn subcommissie wordt nog even genoemd op bladzij 17,

Fragmenten uit de archieven


Al snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt 'Wijck bij Duurstede' er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 18 juli 1818. 

Uit een brief van de subcommissie Wijk bij Duurstede dd 6 oktober 1818:
    Het huisgezin van Sarus van Rhee bestaande in het geheel uit 5 personen, zijne huis vrouw is genaamd Elizabeth Storij, hebben 3 kinderen waar onder één jongen van 6 jaar, en 2 meisjes één van 3 jaren en één van 4 maanden.
    De man Sarus van Rhee is oud 38 jaren verstaat behalven het wagenmaken en verwen ook het werk van den landbouw, hij heeft voormaals gediend onder het corps op het eiland Wight, onder het opperbevel van Z.M. onzen tegenwoordigen Koning en is bij de ontbinding van dat corps van het zelve in het jaar 1802 ontslagen. De vrouw verstaat het spinwerk zoo wij geïnformeerd zijn zeer wel.
    Ofschoon de kinderen nog wel wat te jong zijn, zoo zou mogelijk door bijvoeging van anderen dit bezwaar door de Commissie kunnen weggenomen worden.

Zij horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32

5 november 1818: Melding in de Staatscourant dat het gezin naar de kolonie is gegaan.

Uit een brief van Benjamin dd 28 december 1818: Ook Wijk bij Duurstede zond geen geschikt huisgezin en meer anderen.

Uit een brief van Benjamin dd 19 januari 1819 over het wegzenden van de familie Dikkeboom:
   Dit voorbeeld zal zeer veel goeds uitwerken, en bevrijd ons van een zeer slegt huisgezin, dat voor geene verbetering meer vatbaar waar. (...) Ook Wijk bij Duurstede mag zich hier spiegelen.

Uit een brief van Benjamin dd 23 januari 1819: Met uitzondering van Rigagneau of liever vrouw Rigagneau - dewijl de man zeer strak en zakelijk is - van Rhee en Metz, gedragen de kolonisten zich steeds wel, en werkzaam.

Uit een brief van Benjamin dd 3 augustus 1819:
    De koeijen voldoen allen zeer goed. Binnen een paar dagen zal ik het getal op 25 gebragt hebben.
    Ten einde alle de kolonisten in dezelfde voorrechten zouden kunnen delen, voor zo verre zij door hun gedrag daarop aanspraak kunnen maken, zou het mij aangenaam zijn de Kommissie kon goed vinden mij de nodige contanten, tot aankoop van eene koeij voor elk, te doen toekomen, De Haan, van Rhee en de Vos verdienen door hun weinig oppassend gedrag, bijna niet in deze voorrechten te delen, zij behoren ten minste de laatste te zijn bij de verdeling.

Uit een brief van Benjamin dd 25 december 1819:
     De Kolonist van Rhee uit Wijk bij Duurstede verzoekt mij met zijn huisgezin de kolonie te mogen verlaten.
     Ik heb reeds van den beginne af deze man als zeer lui en weinig oppassend aan den Kommissie opgegeven.
     Hij heeft nog ruim hondert schepel aardappelen, die hij voor zijne schulden wil achter laten.
    Hij zegt dat de veldarbeid hem te zwaar valt, en vooruit (stuk ontbreekt) dat hij zijn grond nimmer naar behoren zal (stuk ontbreekt) bewerken.
    Hij is intusschen in de kracht van zijn leven, en van een gezond en vrij sterk gestel, en wagen maker van beroep.
    Zijne vrouw is van zeer goede famille; welke volgens zijne opgaven, zijne kinderen na zich nemen zullen, waar door het hem gemakkelijk vallen zal voor zich en zijne vrouw de kost te winnen.

Uit de notulen pc dd 30 december 1819: Besloten te schrijven, dat Van Ree vertrekken kan, na zijn schulden betaald te hebben.

Uit een brief van Benjamin dd 31 januari 1820: Van Rhee kan zijne schulden niet betalen, en dus de kolonie niet verlaten. Wij zijn met dien onverbeterlijke luiaard zeer verlegen, die gevoelloos voor alle straf, minder de behoefte dan de arbeid vreest en door voorgewende ziekten en toevallen zich aan de bestaande wetten poogd te onttrekken,

Uit een brief van Johannes dd 26 maart 1820: Van Rhee is een luijaard die reeds zedert verscheiden weken te bed legt en verklaard liever te willen sterven als werken.

Uit een brief van Johannes dd 30 maart 1820: De vrouw van van Rhee is vertrokken en van Rhee is haar gevolgd, is eene tijding die ik zo even van mijn broeder ontvang. Hij heeft uit Meppel geschreven dat mijn broeder eerlang nader van hem horen zal.

Uit een brief van Johannes over het complot dd 12 april 1820: Van Rhee schijnt er zeker in betrokken geweest te zijn en uit vrees de aftogt geblazen te hebben.

Uit een brief van Johannes over een andere kolonist (genaamd Schotman) dd 15 juni 1820: Een vent met een jas aan juist als van Rhee en even zo lui.

Uit een brief van Johannes over een andere kolonist (genaamd Schotman) dd 21 juni 1820: Van de miserable Schotman hoop ik ontslagen te raken. Deze is de enige in de kolonie daar geen land mede te bezeilen is. De vent is altijd ziek als er gewerkt moet worden, een tweede van Rhee.

Uit het jaarverslag van de Maatschappij augustus 1820: Hoezeer de luiheid bij eenige ingeworteld is, kunnen wij onder andere staven door het gedrag van den kolonist Van Rhee, van Wijk bij Duurstede gezonden, die openlijk verklaarde liever te willen sterven dan arbeiden; en daar de Direktie getrouw bleef aan het beginsel van niets te willen verstrekken dan in vergel­ding van arbeid, heeft hij eindelijk de kolonie eigenmagtig verlaten, en is naar zijne familje teruggekeerd.

Sarus of Saris van Rhee overlijdt 6 januari 1830 in Helmond, echtgenote Johanna een jaar later in Altforst (Appeltern).

Er volgt een meer dan pittige discussie tussen de Maatschappij en de subcommissie Wijk bij Duurstede en het duurt tot juli 1821 eer zijn opvolger arriveert. Met Cornelis van Ooijen en de kolonie botert het beter, al moet hij in 1829 voor de tuchtraad verschijnen, zie verder bij hoeve 44 op de pagina Wilhelminaoord.