Het gezin van Hendrik Sabelis en Lubarta van Maris komt in oktober 1824 uit Haarlem naar de vrije koloniŽn en vertrekt na flink wat gedoe weer in maart 1829

De subcommissie van weldadigheid te Haarlem mag in 1824 nog een gezin in de vrije koloniŽn plaatsen 'uit de contributie'. Zie een uitleg van dat begrip. Ze dragen het gezin van Hendrik Sabelis, van beroep 'aardwerker', voor op 16 september 1824, invnr 70 scan 642. Zie bovenaan de pagina hoe de scans te bereiken zijn.

De permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid accepteert de voordracht en op 8 oktober 1824 komt het gezin aan in de kolonie Wilhelminaoord. Zie mijn (gebrekkige) fotootje van de aankomststaat in invnr 1370:


Ze worden volgens deze staat gevestigd op hoeve 86 van kolonie 4, wat dan nog de aanduiding is voor Wilhelminaoord, maar na het besluit om in 1825 alles te hernummeren en nieuw in te delen, wonen ze op hoeve 113 van kolonie 1, Frederiksoord. Zie de locatie van die hoeve op dit kaartje.

Ze staan geadministreerd als bewoners van die hoeve in de stamboeken van Frederiksoord met de invnrs 1346 en 1347 en van die inschrijvingen neem ik de gezinsgegevens over, met de kanttekening dat de kolonieadministratie slechts de aantekeningen zijn van een particuliere organisatie en dus geen officiŽle bron waarop blindgevaren mag worden.

Gezinssamenstelling

● Hendrik Sabelis is volgens die kolonieadministratie geboren 7 augustus 1795. Hij is net als de rest van het gezin hervormd. Hij is getrouwd met:

Lubarta van Maris, geboren op 11 februari 1789. Het echtpaar heeft bij aankomst drie kinderen bij zich:

● Henderika Sabelts, geboren op 30 mei 1813,
● Johannes Marinus Sabelis, geboren op 15 maart 1820, en
● Gerritje Sabelis, geboren op 22 juni 1822.

Op de kolonie komt daar bij:
● Abraham Sabelis, geboren op 7 maart 1828.

Kleine raad

Op de zitting van de kleine raad van 3 december 1825 komt Hendrik Sabelis vragen om veertien dagen met verlof naar Haarlem te mogen, '14 dagen Haarlem, waar hij, volgens zijn gezegde, met zijne twee broeders iets te deelen had'. Het mag omdat 'Sabelis zich goed gedraagt, en in zijnen toestand matig goed te vreden is' en de onderdirecteur van kolonie 1 schiet hem zelfs wat reisgeld voor.

Op de zitting van de kleine raad van 15 april 1826 komt Lubarta van Maris ook vragen om verlof, maar dan vindt de raad het bij alle drukke werkzaamheden in de kolonie niet goed en 'heeft dien ten gevolge deze lieden geraden, nog eenige weken te wachten' en volgens de raad neemt 'vrouw Sabelis' daar wel genoegen mee.

De scharensliep

Dan zijn we bij de gebeurtenissen van maandag 28 augustus 1826, wanneer Hendrik Sanelis blijkbaar naar Steenwijk geweest is en alles er op wijst dat hij daar een meer dan stevige borrel gedronken heeft. De gebeurtenissen worden verhaald op pagina's 91-92 van De strafkolonie, globale samenvattingen van de processtukken staan op deze pagina, en ik heb er vroeger een keer een verhaaltje over geschreven dat ik hieronder afdruk:



Jochem Sleyfer is van beroep 'scharenslijper', hij woont te Vledder en staat volgens de burgemeester ter plaatse bekend als 'een eerlijk en ter goeder naam staande persoon'. Maandag 28 augustus 1826 raakt hij in gevecht met iemand die aanmerkingen heeft op de prijzen die hij rekent.

Vermoedelijk voor zijn werk is Sleyfer die dag in Steenwijk geweest. Hij is op weg naar huis en hij is ter hoogte van Eesveen als volgens zijn verklaring een man van een jaar of dertig hem begint uit te schelden voor 'schurk, schelm en dief'. De man daagt hem uit te vechten.
De scharensliep wijst dat aanbod af, waarop de ander 'hem bij de keel had gegrepen en hem de das om de nek had zoeken toe te drayen'. Waarbij hij hem ook 'het vel aan den hals op eenige plekken had afgekrabd'. Jochem Sleyfer  staat bekend als sterk, weet de man af te weren en grijpt op zijn beurt de ander bij zijn halsdoek.

Hij roept naar ītwee Steenwijker voerlieden, welke eenige schreeden vandaar met hun wagens waren blijven staan om dit schouwspel te zien'. Die twee dachten eerst 'dat die lieden gekheid met elkanderen hadden', maar Jochem maakt duidelijk dat het alleen maar grappig lijkt dat ze elkaar bij de halsdoek hebben en vraagt hen erbij te blijven.
Dat doen ze en ze horen Jochem aan de man vragen: 'Wat persoon bent gij, dat gij mij hier op de weg zoo aanvalt?'

Vergezeld van 'eenige vloekwoorden' antwoordt de man: 'Dat raakt u niet. Blaast mij wat in mijn Haarlemmer kont.'

Op dat moment passeert ook Klaas Geerts Brouwer, 35 jaar oud, landbouwer te Vledder en een goede bekende van Jochem. Brouwer komt met een wagen met een voer hooi van Giethoorn. Hij vraagt de Steenwijker voerlieden wat er hier te doen is en krijgt ten antwoord 'dat zij elkanderen willen slaan'. Jochem heeft hem gezien, laat de halsdoek van zijn aanvaller los en zegt tegen Brouwer: 'Gij moet bij mij blijven'. Hij gaat lopen 'aan de andere zijde van 't voer hooy' en zo laten ze de onverlaat achter.

Niet voor lang. Na een tijdje komt hij hen achterna 'met een allerijselijkst gevloek en gescheld'. Hij gaat hen voorbij, steekt voor de paarden langs over en valt de scharenslijper opnieuw aan, waarbij hij 'hem op de borst had gestoten'. Klaas Geerts Brouwer komt tussenbeide, hij dreigt de aanvaller 'van hem te zullen aanbrengen, met dat gevolg dat hij gevangen zoude worden genomen.' De man taait af, maar Jochem vindt het een goede suggestie van zijn plaatsgenoot en besluit het er niet bij te laten zitten.

Als de twee Vleddenaren Ė waarschijnlijk om van de schrik te bekomen - 'vervolgens in een huis een borrel hadden gedronken', vernemen ze dat de aanvaller Sabelis heet en in de kolonie te Frederiksoord woont. En Jochem Sleyfer informeert wie de twee Steenwijker voerlieden waren die het gezien hadden en die als getuigen zouden kunnen optreden. Het blijkt te gaan om Egbert Bos en David Bos, 'beide gepatenteerde slagters, wonende in de Omningerstraat te Steenwijk'.

Diezelfde avond om acht uur meldt Sleyfer zich bij de burgemeester van Vledder, Stephanus Jacobus van Royen en doet hij hem het hele verhaal. Ook Klaas Geerts Brouwer komt langs om te verklaren dat het echt allemaal zo gegaan is. Drie dagen later stuurt Van Royen de op papier gezette klacht naar 'den Heer Officier bij de Regtbank van eersten aanleg te Assen'. Een paar dagen later vraagt de officier hem de identiteit van de aanvaller te checken en dat doet Van Royen bij de directeur van de Maatschappij van Weldadigheid.

Hendrik Sabelis is net 31 jaar oud geworden, hij is een kleine twee jaar tevoren met echtgenote en drie kleine kinderen in de kolonie aangekomen. Hij is, meldt van Royen. 'kolonist in de kolonie No 1 te Frederiksoord en wonende in 't huis no 113'. Oorspronkelijk is hij afkomstig Ė zoals het voorafgaande al deed vermoeden Ė uit Haarlem.

De juridische molens draaien snel in die dagen. Binnen een maand, op 20 september 'des voordemiddags te half elf uur' staat de zaak op de rol. Negen dagen ervoor gaat de deurwaarder iedereen dagvaarden: de scharenslijper als klager, landbouwer Klaas Geerts Brouwer en de twee Steenwijkse slachters als getuigen, en de beklaagde, kolonist Hendrik Sabelis. Laatstgenoemde is niet thuis, zijn echtgenote neemt de oproep aan. Blijkbaar schrikt haar man als hij thuiskomt, een week later neemt hij de benen, de boeken van de Maatschappij van Weldadigheid melden 'den 17den september gedeserteerd'.

Hij is dan ook niet aanwezig op de zitting. Daar herhalen de getuigen in grote lijnen het verhaal, waarbij twee nieuwe aspecten aan het licht komen. De eerste is dat die maandagmidddag Ė in de woorden van Klaas Geerts Brouwer: - 'Sabelis niet nuchteren scheen te zijn', of in de woorden van de ene Steenwijkse slachter 'een borrel gedronken had' en in die van de andere 'iets dronken scheen'. En het andere nieuwe aspect is de aanleiding tot de ruzie.

Volgens de getuigen had Sabelis de scharenslijper vooral uitgemaakt voor 'afzetter'. In zijn klacht had Sleyfer er niet van gerept maar tijdens de onenigheid had hij de Steenwijkenaren wel uitgelegd dat de aanleiding een ordinair handelsconflict was. Het was er mee begonnen dat Jochem de kolonist 'voor een soldeerbolt vijf stuivers had afgevraagd', terwijl Sabelis er de helft voor had willen betalen. De man was zo kwaad geweest omdat de scharensliep 'hem zoo overeischt had'.

Hendrik Sabelis bewijst zichzelf een slechte dienst door niet op de zitting te verschijnen. Er gelden dus geen verzachtende omstandigheden en hij wordt bij verstek veroordeeld tot vier maanden cel, een boete van twintig gulden en de kosten van de procedure, ongeveer 25 gulden. Als de deurwaarder dat bij hem bekend komt maken, treft hij slechts zijn vrouw die meedeelt 'dat haar man zig had geabsenteerd, zonder te weten waar hij zig ophield'. Enkele maanden later duikt hij weer op en gaat hij alsnog de cel in.



Zoals in het verhaal verteld is Hendrik Sabelis op 17 september 1826, drie dagen voor de rechtszitting, gedeserteerd. Hij komt weer terug op 13 november 1826. Daarna wordt hij op 3 december 1826 'gerequireerd door de Publieke Rechter van Assen'. Een maand later, op 3 januari 1827, laat de rechtbank hem gaan en keert hij terug bij zijn gezin de kolonie.

Reputatie

Bij de koloniale leiding is zijn reputatie nu wel naar de filistijnen. Als op de zitting van de kleine raad van 21 juli 1827 vrouw Sabelis verlof komt vragen, krijgt ze het niet 'omdat men niet bijzonder over dit huisgezin te vreden is'.

Het zal allicht meespelen bij de wens van de familie Sabelis om de kolonie weer te verlaten. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, daar moet de subcommissie van weldadigheid Haarlem ook aan meewerken.

Litanie

Op de zitting van de kleine raad van 10 november 1827 komen Hendrik Sabelis en Lubarta van Maris samen opdagen. Ze vragen verlof voor Hendrik 'met een tweeledig oogmerk
a. Om meerder spoed te verzoeken met het door hen gevraagde ontslag van de kolonie
b. Om kindergoed te halen, daar zijne vrouw eerstdaags staat te bevallen'.

Verlof krijgt hij niet, maar dat zagen ze waarschijnlijk al aankomen, want er volgt een litanie aan klachten over de wijkmeester en de Maatschappij, met als gevolg dat de verder zeer lezenswaardige zitting bijna helemaal over de familie Sabelis gaat. De enige conclusie is dat het gewoon niet meer goed zit tussen Sabelis en de kolonie.

Van verlof achtergebleven

Een jaar later zijn ze nog niet ontslagen. Op de zitting van 6 december 1828 van de kleine raad komt Hendrik Sabelis opnieuw om verlof vragen en dit keer krijgt hij het. Maar vervolgens meldt het stamboek dat hij 'van verlof is achtergebleven' en pas op 2 maart 1829 in de kolonie terugkeert. Maar dan heeft hij het in Haarlem wel voor elkaar gekregen!

Terwijl hij weg is frequenteert zijn echtgenote de kleine raad. Op de zitting van 31 januari 1829 komt ze vragen om kleding voor de kinderen. De kleine raad besluit: 'Ofschoon het wel geen tijd der uitgifte van kleeding is, zoo heeft de kleine raad gemeend, het gevraagde, als zijnde noodzakelijk, in deze koude, niet te mogen onthouden.'

Maar of ze hebben het toch niet gehad of het was niet genoeg, want op de zitting van 21 februari 1829 is ze er weer.

Ten afscheid

En over kleding gesproken... Hendrik Sabelis heeft het bij de subcommissie Haarlem voor elkaar gekregen dat het gezin de kolonie mag verlaten. Als vertrekdatum staat genoteerd 28 maart 1829. En die ochtend komt Hendrik Sabelis bij de kleine raad en vraagt 'voor zijn vertrek van de kolonie nog te ontvangen voor hem, zijn vrouw en kinderen eene geheele uitrusting van kleeding en het noodige reisgeld'.

Hoe brutaal kun je zijn?!? Rekening houdend met het feit dat hij 'den geheelen winter in Haarlem geweest' is, voelt de kleine raad er helemaal niets voor en de directeur sluit zich daar bij aan. Er schijnt wel reisgeld verstrekt te worden.

En dan vertrekken Hendrik Sabelis, Lubarta van Maris en de vier kinderen die zaterdag 28 maart 1829 van de kolonie. Het was geen gelukkig huwelijk tussen hen en de Maatschappij.