STELLINGA, Jacob Ruurt

Spellingvariaties:
 Jacob Ruurds (zijn vader heet Ruurd)
Levensdata:
geboren 1769, overleden 8-11-1818    
Subcommissie:
Stavoren
Aankomst:
1-11-1818
Hoevenr. (tot 1823)
   
Vorig beroep:
landarbeider en veeverzorger 
Geloof:
 
Echtgeno(o)t(e):
Janke Jelles (overleden voor vertrek uit Stavoren)
Kinderen:
- Wietske 1798 (wordt ingedeeld bij Gerritsma)
- Ruurd 1803 (wordt ingedeeld bij Nak)
- Dirkje 1809  (wordt ingedeeld bij onderofficier Schnatz)

Overige huisgenoten:
- Een ingedeeld meisje dat na Stellinga's dood naar het gezin van De Vries gaat (zie fragment hieronder)  
Opmerkingen: - Genealogische informatie over de familie van Jacob Ruurt Stellinga staat op deze site. Daar blijkt ondermeer dat in ieder geval dochter Wietske of Wytske en zoon Ruurd na hun tijd op de kolonie terugkeren naar Stavoren en daar trouwen. Waar Dirkje of Durkje later gebleven is, is onbekend.

Koloniale carrière

Samengevat:
Overlijdt binnen een week na aankomst, kinderen blijven nog een aantal jaren op de kolonie maar vertrekken dan volgens mij. 
In het boek:
Bij naam op de bladzijden 50-51, 124, 330, 381. Over hun subcommissie verder nog iets op blz 17 en 330..

Fragmenten uit de archieven


Volgens de ingekomen post van de pc dd 18 juli 1818 behoort Stavoren tot de eerste vijftien steden die melden een subcommissie van weldadigheid te hebben opgericht.

Uit de voordrachtsbrief van de subcommissie Stavoren dd 28 september 1818:
     Na een nauwkeurig onderzoek van den inwendigen staat en behoeften van dit huis gezin, durft de sub-kommissie, hetzelve, gerustelijk, en met gegronden hoop op een goeden uitslag, aan de Kommissie van Weldadigheid aanbevelen, dewijl men in dit huisgezin alle die vereischten vind, welke bij kolonisten in de eerste onderneming gevorderd worden.
    Het bestaat uit de volgende leden:
    Jakob Ruurt Stellinga    - vader
    Janke Jelles        - moeder beide tusschen de 40 en 50 jaar oud
    met 3 kinderen:
    een dochter    oud 19 jaar
    een dochter    oud 9 jaar
    een zoon    oud 14 jaar
Welke gelijk ook de ouders alle welgevormd en frisch van lighaamsleden zijn.

    De man is zeer geschikt tot den veldarbeid, en in den zomer gewoon buiten de stad, wanneer er slechts gelegenheid is, in alles bij veldarbeid bezig te zijn - hebbende tevooren lang als knecht bij land en akkerwerk geweest, is hij gelijk, hij niet alleen zelf getuigd, maar ook bij ons bekend is, zeer goed bedreven in ploegen, eggen, zaaijen alsmede in het oppassen en verzorgen van rundvee en schapen.

    De vrouw en de dochters verstaan meest het spinne, en doen dit, zoo er slechts zulk werk voorvalt, het welk wegens het weinig vertier en de veelvuldige armoede in deze plaats ongelukstiglijk niet genoegzaam is.

    Ten aanzien van hunne zedelijkheid zijn zij onopsprakelijk, en hun met het oogmerk der Kommissie van Weldadigheid bekend gemaakt te hebben hebben zij zich niet alleen volkomen bereidwillig getoond, maar verheugen zich almede bij voorraad, in de hope dat zij tot de overbrenging naar de kolonie zullen worden uitgekozen; het geen wij insgelijks hartelijk wenschen, daar ook zeker, dit, de deelneming in het weldadig plan der Kommissie, die anders ligt verflauwen zoude, grotelijks zal bevorderen.

Uit een brief van Benjamin dd 9 november 1818:
    Weinig aan het oogmerk beantwoordende was het uit Stavoren toegezonden huisgezin van Jacob Ruurt Stellinga, een man van gevorderde leeftijd, wiens vrouw onlangs overleden, en die zelf benevens zijn zoon zeer verzwakt en in een ziekelijken staat her aangekomen is.
    Alle pogingen zijn, door den bekwamen en ijverigen doctor Schuurman uit Steenwijk, vruchteloos aangewend, en, reeds gisteren middag is hij overleden.
    De kinderen bestaande uit de zieke jongen van 18 en meisje van 20 en een dito van 7 jaar zullen bij den overige huisgezinnen dienen ingedeelt te worden. De jonge schijnt zeder een geruime tijd altijd ziekelijk te zijn geweest.

Uit het brievenboek van de pc dd 14 november 1818: Besluit der Perm. Kommissie. Om, daar het als nu gebleken is, dat de klagt des Direkteurs over het huisgezin van Stellinga niet Sneek maar Stavoren reguardeert, aan die van Sneek op den hunnen te antwoorden, te hunner verontschuldiging. Maar tevens aan de subk. Stavoren het ongenoegen der P.K. te kennen te geven.

Blijkbaar had men abusievelijk Sneek op de kop gegeven!

Uit een brief van Benjamin dd 18 november 1818:
    De kinderen van den overleden Stellinga zijn bij andere kolonisten ingedeeld, die nu voor hunner kleeding op hunne schuldboekjes gedebiteerd zijn. Zulks kan geen plaats hebben met sergeant Schnatz bij wie het kleine meisje uit dat gezin is ingedeelt.

Uit een brief van Benjamin dd 23 november 1818
waarin hij de lijst met de samenstelling van de huisgezinnen toelicht:   
    Op last van den 2 assessor is aan T.G. Gerritsma toegestaan de oudste dochter van den overleden Stellinga te laten bij hem inwonen.
    Aan Frans Mak is het zelfde vergund ten aanzien van den 15 jarige zoon.
    Terwijl het kleine meisje van agt jaar bij den sergeant Schnatz is ingedeelt. Het laatstgenoemde kind komt op geene verantwoording voor, en de kleeding aan het zelve verstrekt is, als nog in het magazijn zijnde gebragt.
(...)
   De meisje bij het huisgezin van de Vries ingedeelt was eenige dagen voor het overleiden van Stellinga aan dat gezin toegevoegt geworden.

Uit het brievenboek van de pc dd 28 november 1818: Subkommissie Stavoren. Verschoont zich voor den veranderden staat van 't huisgezin van J.R. Stellinga.

Dokter Schuurman in de Star van mei 1819 over de overledenen op de kolonie:
    De eerste was jakob stellinga, van Stavoren, uit Vriesland, aangekomen: een bejaard man; hij had onlangs in zijne vorige woonplaats, aan eene aldaar grasserende najaarsziekte, zijne vrouw verloren; al zijne kinderen waaren door dezelfde ziekte aangetast geweest, en dezelve ter naauwernood ontkomen; zijn eene zoon was zelfs nog naauwelijks in staat de reis herwaarts te doen, en hij, de bejaarde huisvader zelf, tot dus ver van de ziekte vrij gebleven, bevond zich reeds, bij zijne aankomst in Frederiks-Oord, niet al te wel (...).


De opheffing van de subcommissie (boek blz. 330) wordt door Stavoren gemeld op 12 april 1822.