Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De bitterlijk huilende deserteur Adriaan Veltman uit Weesp en de nasleep van de hele affaire


Adriaan Veltman wordt - zoals Jan Hessels van Wolda schrijft: om verschillende redenen - door de Regenten van het Gereformeerd Burgerlijk Weeshuis te Weesp in de kolonie geplaatst. Dat gebeurt voor zestig gulden per jaar met het contract E100, zie deze pagina bij nummer 100 en voor uitleg over E-contracten deze pagina.

Hij staat met nummer B970 op folio 306 van het register van alle op contract in de kolonie geplaatste personen, invnr 1389. Volgens die gegevens is hij geboren op 23 december 1819 en is hij door de regenten op 4 september 1835 afgeleverd. Dan is hij al vijftien jaar oud en dat duidt erop dat er inderdaad iets loos is, want meestal houdt men jongens van die leeftijd liever in de eigen stad.

Naar Wateren

Uit het register blijkt ook dat hij is ondergebracht in het eerste of kindergesticht te Veenhuizen. Niet voor lang, want volgens folio 7 van het register van kwekelingen 1836-1847 met invnr 1582 (daarvan zijn geen scanes) gaat hij op 11 april 1836 over naar het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren. Hij heeft daar kwekelingennummer 64. Zie hier voor meer over dat Instituut.

Na iets meer dan drie maanden daar neemt hij op 26 juli 1836 de benen. Die vlucht en de volgende nasleep wordt besproken op pagina 238-239 van De kinderkolonie. De Instituteur te Wateren Jan Hessels van Wolda schrijft over de desertie op 30 julie 1836 aan de directeur der koloniŽn die de brief kopieert, invnr 173, de scans 560-561:

Wateren, den 30e Julij 1836

De Jongeling Adriaan Veltman, geboren te Weesp, den 23 December 1819, van daar den 4e September 1835 naar de kindergestichten opgezonden, en den 11e April JL op zijn verzoek als Kweekeling aangenomen, is des morgens vroeg van den 26e dezer maand, juist toen ik te Veenhuizen was, weggeloopen, behalve zijne eigene goederen, eenige Kleeding stukken van anderen medenemende.

Dit heimelijke vertrek een paar uren daarna bemerkt wordende, zijn er van onzentwege oogenblikkelijk twee personen naar Steenwijk gezonden, om den deserteur in te halen en mede terug te brengen. Zij bereikten het vaartuig even buiten Steenwijk, doch de Schipper (eigenlijk Sirp of Sjirp), de knecht van den veerman van Blokzijl, die de goederen en passagiers van Steenwijk was komen afhalen, weigerde zijnen passagier aftegeven, zeggende dat ze maar aan boord moesten zwemmen, zoo ze hem hebben wilden.

Veldman, die op het dek gezeten had, was op het zien der uitgezondene boden bitterlijk begonnen te huilen en dit schijnt den schipper met medelijden te hebben bezield.

Van achteren verneem ik, dat Veldman te Veenhuizen reeds het voornemen tot desertie gehad heeft, steeds voor oneerlijk is gehouden, en, om verschillende redenen, op zijn 16e jaar naar de Kolonien zoude zijn opgezonden.

Hij laat een te kort op zijne geheele rekening na van f. 2,14Ĺ .

De Instituteur
(get:) J: H: van Wolda

Voor Copie Conform
coll:volt: De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg

Directeur

Op 2 augustus 1836 stuurt de directeur de gekopieerde brief naar de permanente commissie en voegt daar enkele regels van zich zelf aan toe, invnr 174 scan 45:

(Ö) of het UWEdG ook geraden mogt voorkomen, den Heer Gouverneur van Overijssel, wederom eens uittenoodigen, tot eene vernieuwde aanmaning der besturen van de zeeplaatsen, om op de desertie met meerdere naauwkeurheid te doen letten en althans niet toetelaten, of goed te keuren, dat voerlieden, zoo als die van Blokzijl, dezelve kennelijk begunstigen, waartoe ik de eer heb UWEdG te advyseren.

Permanente Commissie

De brief wordt besproken op de vergadering van de permanente commissie van 11 augustus 1835 onder agendapunt N7, invnr 451 (daarvan zijn geen scans), met het volgende resultaat:

ís Gravenhage, den 11 Augustus 1836 N7

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Gelezen den brief van den Dir der kol van den 2 dezer N1550

Besluit

aan den Heer Gouverneur van Overijssel te schrijven als volgt,

bij een rapport van de koloniaale Directie, betrekkelijk de desertie op den 26 Julij ll. uit het Gesticht te Wateren van een jongeling, Adriaan Veltman genaamd, geboren te Weesp den 23 December 1819, is ons het berigt gegeven, dat een paar uur na zijne verwijdering, toen dezelve ontdekt werd, twee personen te zijner opsporing naar Steenwijk zijn gezonden en dat deze hem even buiten die stad gewaar zijn geworden op het vaartuig, gevoerd door den knecht van den veerman van Blokzijl, dat goederen en passagiers van Steenwijk was komen afhalen, doch dat de genoemde knecht, Sirp of Sjirp geheeten, geweigerd heeft den genoemden jongeling af te geven,

De gemakkelijkheid waarmede tegenwoordig de deserties uit de Kolonien plaats hebben, schijnt voornamelijk te ontstaan, uit de mindere zorg die de besturen der omliggende vooral der Zeeplaatsen doen aanwenden om de kolonisten die van geen behoorlijke ontslagbrieven of reispassen voorzien zijn, aan te houden en terug te brengen, en dit doet ons UHEG in overweging geven, of UHEG niet zou kunnen goedvinden de bedoelde besturen bij vernieuwing aan te bevelen, om op de personen, welke de kolonien zonder verlof verlaten, met meerdere naauwkeurigheid te doen letten. UHEG zou ons met zulk eene aanbeveling bijzonder verpligten.
De PC.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Dir der Kol tot kennisgeving
PC

Steenwijk

De gouverneur kwijt zich van zijn taak en schrijft het gemeentebestuur van Steenwijk aan. Die reageren, welke reactie door de gouverneur aan de permanente commissie gestuurd wordt, nvnr 175, scans 46-47. Daarbij zou een verklaring van de schipper moeten zitten. Die heb ik niet gevonden, maar die wordt samengevat in de verderop volgende brief van de gouverneur;

Aan Z: Excellentie Heere Gouverneur van de Provincie Overijssel
Afschrift
Onderwerp bevordering van desertie van Colonisten

Steenwijk den 3 Septbr: 1836

Ten gevolge van de aanschrijving van U Excellentie d.d. 29 Augs jl. 1e Afd: N. 3275/2981, betrekkelijk het bevorderen van desertie uit het Gesticht te Wateren van zekeren Jongeling Adriaan Veltman, hebben wij voor Ons ontboden den Schipper Sirp Ellen Visser alhier woonachtig, onder het vermoeden leggende opgemelde desertie te hebben bevordert Ė

dezelve heeft aan ons ingeleverd bijgaande Declaratie, waaruit dan zijn gedrag opzichtelijk deze desertie zoude zijn op te maken

Het heeft ons zeer gespeten, dat de beide Jongens, welke in last hadden den Vlugteling op te sporen en te arresteren zich daartoe niet vooraf, of bij weigering van S: E: Visser daarna, bij Ons hadden geadresseert, van het voorval kennis gegeven, wanneer zonder bedenking, den Vlugteling, het zij dadelijk, het zij in het vervolgen in verzekerde bewaring zoude kunnen zijn genomen.

Hoe zeer een Vlugteling uit de Kolonie van Wateren, de Gemeentens van Vledder en Steenwijkerwold eerst moet passeren, voor en aleer deze Gemeente te bereiken, zoo meenen wij echter U Excellentie de stellige verzekering te kunnen mededeelen, dat steeds op de desertie wordt acht gegeven, en bij de bekendheid daarvan zeer zelden eene ontvlugting over deze Gemeente plaats heeft.

De Burgemeester en Wethouders
der Stad Steenwijk
(get: ) J: Zomer

Ter ord.tie derzelve
(get: ) H. Middendorp, Secr.

Voor eensluidend afschrift
De Griffier der Staten van Overijssel
Jacob(?) van Rhijn

De gouverneur

Tenslotte komt de gouverneur, althans een lid van gedeputeerde staten, op 8 september 1836. Daarmee lijkt de zaak gesloten, het is toch deels de schuld van de koloniŽn zelf. Al belooft de provincie wel dat het tegenhouden van deserteurs weer onder de aandacht van gemeentebesturen gebracht zal worden, invnr 175 scans 155-156:

1e Afdeeling
N. 3438/3101
Onderwerp
Desertie van Adriaan Veltman
uit het Koloniaal Gesticht te Wateren
Bijlagen
2

Zwolle den 8 September 1836

Dadelijk na de ontvangst van UEdGestrís missive van den 11 Augustus jl. heb ik het noodig onderzoek doen in het werk stellen, omtrent de daarin vermelde weigering van den knecht des Veermans van Blokzijl, Sirp Ellen Visser, tot het afgeven van den op 26 Julij jl. uit het Gesticht te Wateren gedeserteerden Jongeling Adriaan Veltman, dewelke zich op een, door dien schippersknecht gevoerd wordend vaartuig bevondt, het welke goederen en passagiers van Steenwijk was komen afhalen.

Het resultaat van dat onderzoek is vervat in de missive van Heer Burgemeester en Wethouders der Stad Steenwijk d.d. 3 dezer, en in de daarbij overgezondene verklaring van den genoemden S. E. Visser, welke wij de eer hebben kopijelijk hierbij te voegen, en waaruit UEdGestrn zullen ontwaren, dat de oorzaak van het niet afgeven van den Jongeling Adriaan Veltman daarin schijnt gelegen te zijn, dat dien Jongeling terug gevordert wierdt door twee daartoe onbevoegde persoonen, te weten jongens aan welker voorgeven men geen geloof konde of behoefde te hechten, terwijl het niet kennisgeven van de desertie, of van de weigering van den meergenoemden Visser, aan het Bestuur der Stad Steenwijk, als de reden van het niet weder terugkomen, of aanhouden van den ontvlugten kan beschouwd worden.

Ten einde zoo veel mogelijk mede te werken, om de desertie uit de Koloniale Etablissementen tegen te gaan, heb ik bij besluit van 29 Augustus jl. N. 2975 (Provinciaal blad N. 72) onder referte tot de daaromtrent bestaande vroegere besluiten de aandacht der Gemeentebesturen in deze Provincie, inzonderheid van die plaatsen welke aan Zee gelegen zijn en alwaar zich Veeren bevinden, op nieuw daarop gevestigd, en dezelve aangeschreven, de schuldigen aan desertie op te sporen, bij ontdekking aan te houden en naar de Koloniale Stichtingen te doen terug voeren.

De Gouverneur van de Provincie Overijssel
Bij deszelfs afwezigheid
Het Lid van Gedep: Staten

Adriaan Veltman krijgt men daarmee niet terug. Na zijn desertie op 26 juli 1836 ziet men hem in de koloniŽn nooit weer. In het contractenboek met invnr 1394 (geen scans) wordt het contract met de regenten in Weesp als beŽindigd beschouwd.