|
VOS,
Hendrik
|
|
| Spellingvariaties: |
de Vos
|
| Levensdata: |
±1774 tot
onbekend |
| Subcommissie: |
Tiel |
| Aankomst: |
4-11-1818 |
| Hoevenr.
(tot 1823) |
Nr. 36 |
| Vorig
beroep: |
onbekend |
| Geloof: |
onbekend |
| Echtgeno(o)t(e): |
Christina Bruinings,
±1776 tot onbekend |
| Kinderen: |
drie dochters waarvan de
oudste 17 jaar, en blijkbaar een zoon die later komt |
| Overige
huisgenoten: |
|
| Opmerkingen: | Er zijn weinig gegevens over het gezin omdat zij in 1820 de kolonie verlaten en ze dus niet in latere stamboeken voorkomen. |
Koloniale carrière |
|
| Samengevat: |
Wordt al snel door de
directie voor luiaard uitgemaakt en daarna ontmaskerd als aanvoerder
van ontevreden proefkolonisten. Volgens zowel Benjamin als Johanes van
den Bosch is hij de 'kapitein van het complot' dat april 1820 tot
opstandigheden leidt. |
| In
het boek: |
Bij naam op de bladzijden
187, 201, 202, 217, 222-223, 231-233, 236, 238-241, 244-246, 317,
361, 381. Naamloos bij info over zijn reis op bladzijden 31 en 87. |
Fragmenten uit de archieven
|
|
Ingekomen post pc dd 24 juli 1818: Ook Tiel bericht een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te hebben opgericht. Uit een brief van de subcommissie Tiel dd 22 oktober 1818: De ondergeteekende heeft de eer aan de Kommissie van Weldadigheid te berigten, dat er sints zijn laatste nu ook binnen deze stad een huisgezin heeft opgedaan, gezind om mede te dingen bij de keus voor de kolonie. De Heeren Burgemeesteren hebben hem gezegd een getuigenis van zedelijkheid te willen afgeven. Het gezin bestaat uit eene man - Hendrik Vos genaamd - die landbarbeid verstaat, zijne vrouw, Christina Bruinings en drie dochters, waarvan de oudste zeventien jaren is. De man heeft nog gezegd, dat zijne vrouw en dochter het spinnen verstond. De familie behoort tot degenen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32 Als Benjamin op 12 juni 1819 rapporteert over zijn inspectie van de koloniale gpederen, meldt hij: Bosch, De Vos, ik meen ook Breukel waren onder getal der geener die reeds eenmaal hunne goederen verpand hebben. En bij deze inspectie had Vos verdonkeremaand: Vos - 2 laakens 1 handdoek Uit een brief van Benjamin dd 3 augustus 1819: De koeijen voldoen allen zeer goed. Binnen een paar dagen zal ik het getal op 25 gebragt hebben. Ten einde alle de kolonisten in dezelfde voorrechten zouden kunnen delen, voor zo verre zij door hun gedrag daarop aanspraak kunnen maken, zou het mij aangenaam zijn de Kommissie kon goed vinden mij de nodige contanten, tot aankoop van eene koeij voor elk, te doen toekomen, De Haan, van Rhee en de Vos verdienen door hun weinig oppassend gedrag, bijna niet in deze voorrechten te delen, zij behoren ten minste de laatste te zijn bij de verdeling. Uit een brief van Benjamin dd 29 augustus 1819: De kolonist Vos heeft voor eenige tijd de kolonisten tot ongehoorzaamheid pogen te verleiden. (...) Ook moet hij in den afgelopen winter andere slegte proposities hebben gedaan. Ik zal in stilte het onderzoek doen voortzetten. (...) Ik houde zo wel genoemde de Vos als Bosch tot elke slegte onderneming in staat. Uit mijne rapporten zal de Kommissie gezien hebben, dat ik mij in deze luiaards nooit heb bedrogen. Vos komt niet voor op de lijst met beloningen voor kolonisten augustus 1819, wel op die van de donaties watersnoodramp februari 1820 Uit een brief van Benjamin dd 3 november 1819: Het meisje van Vos heb ik voor eenige dagen verlof gegeven, tot de Kommissie zou hebben gedecideert of aan t gedaan verzoek, van buiten de kolonie te gaan dienen, dat ik bij voorgaande reeds heb geappueerd kon worden voldaan. Uit de notulen pc dd 7 november 1819: Besloten ... dat het meisje van Vos kan gaan dienen; Uit een brief van Benjamin aan de pc dd 15 december 1819: De kolonist de Vos heeft mij verzogt of zijn volwassen zoon, tot steun van zijn huisgezin, bij hem mogt inwonen, en als kolonist aangekleed worden. 3 kinderen waren in dat huis gekleed. Ik geloof dat het voor deze luiaard dienstig was, dat hij iemand had die zijn grond bewerken, en zijne verdiensten vermeerderen, dan daar mij de bedoelingen der Permanente Kommissie met eenige der slegste huisgezinnen onbekend zijn, zo heb ik gemeend zijn verzoek niet te moeten ondersteunen of tegenwerken. Uit de notulen pc dd 30 december 1819: De Generaal rapporteert (...) op een brief van den Direkteur, no. 93/12, aanteschrijven dat de zoons van Bade en Vos, gedurende een winter, bij hunne ouders kunnen blijven inwonen, en dat de voortduring dier inwoning zal afhangen van hun ieder goed gedrag; Uit een brief van Benjamin dd 31 januari 1820: Ook de Vos, hoe wel niet zo erg als van Rhee, geeft ons bij aanhoudendheid echter gegronde reden tot ontevredenheid; en wanneer de Kommissie kan goed vinden, een voorbeeld voor allen te stellen durf ik geloven, dat eenige, die ook geen eervolle melding verdienen, zich daar door tot meer oppassendheid zullen schikken. Uit een brief van Benjamin dd 18 februari 1820 over Abraham Koppejan: Hij is een der geene die met de Vos vroeger het ontwerp, tot eene dergelijke vordering gemaakt hebben, maar toen niet tot stand kwam. Voor het overige is het huisgezin van Koppejan arbeidzaam en oppassend. Uit een brief van Benjamin dd 20 maart 1820: Vrouw de Vos van Thiel, heb ik gemeend, uit hoofde dat huisgezin slegt oppasten, geen verlof te mogen geven. Zij is zonder permissie vertrokken en wel zonder eenige noodzakelijkheid. Uit een brief van Johannes van den Bosch aan de pc dd 26 maart 1820: Met meer andere omstandigheden blijkt het dat Bosch en inzonderheid de luije de Vos, getracht heeft complotten te maken en de kolonisten aantesporen om alle gehoorzaamheid aan de directie te weigeren. Hij is schrijver van den brief van Breukel aan de sub-commissie en zijne vrouw heeft zich zonder verlof uit de kolonie verwijdert. (...) Het gevolg dier manoeuvres heeft dan ook de onaangenaamste gevolgen gehad. ... Vrouw de Vos die terug gekomen is zit mede in het cachot als ook de zoon en dochter van Breukel, zoo dat wij reeds de vengsters van een huisje hebben moeten toespijkeren om hun optesluiten. Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 30 maart 1820: Vos is de kapitein van het complot en schreef de brief. Met mijn broeder heb ik reeds de zaak van alle kanten bezien. Vos kan het best weggestuurd worden om dat hij te Thiel als een zeer slecht object bekend is en als een onverbeterlijke luijaard. Op 9 april 1820 moet Vos voor de Raad van Toevoorzicht verschijnen (boek blz. :237-238), en die besluit: lettende op zijn aanhoudende luijen zorglosen en ontevreden geaardheid hem uit de kolonie te verwijderen. Uit een brief van Johanes van den Bosch aan de pc dd 10 april 1820: Uit nevens gaande missive mijnes broeders zal het de Kommissie blijken dat de Vos tot de echt verstokte zondaars behoort. Het zal nu nodig zijn de subkommissies van Thiel en Maassluis kennis te geven van de verweidering dezer voorwerpen. Aan de eerstgenoemde stel ik voor aanteschrijven, dat de Vos zich niet alleen onderscheiden heeft door verregaande luiheid, door het overtreden der reglementen van de kolonie, maar zelfs complotten gemaakt heeft en andere kolonisten heeft aangespoort om zich tegen de direktie te verzetten. Uit de bijgevoegde brief van Benjamin: Gisteren avond, mijn waarde broeder, is de Vos en daarna Bosch voor de raad van toezicht geweest. Eerstgenoemde heeft op de aan hem gedaane vragen met zo veel brutaliteit geantwoord, en den geheelen raad zo grovelijk beleedigd, dat hij na den afloop der informatie dadelijk tot aan zijn vertrek is in den provoost gebragt. (...) Hoe nu verder te handelen wanneer hij morgen niet wil vertrekken of naar welgevallen verkiest te gaan? Nog dunkt dat hij bon gre mal gre in de Steenwijker beurtman moet bezorgd en dan verder aan zijn lot over gelaten worden. Hij wil zich volgens informatie naar den Haag bij Prins Frederik zich vervoegen. Hij bekoomt dan vrij reis tot Amsterdam. En als Vos op de boot zit, schrijft Benjamin dd 1 april 1818: Het is goed dat deze spitsboef weg is. Uit de Star van april 1820: Over het algemeen heeft de Permanente Kommissie reden om zeer te vrede te zijn, zoo wegens den goeden voortgang van al het werk, als wegens de gedragingen der kolonisten; met uitzondering echter van een paar huisgezinnen(*), waarvan het ééne door verregaande zedeloosheid allen brave kolonisten tot ergernis, en den zwakken tot een schadelijk voorbeeld verstrekte; terwijl het andere, door verregaande luijheid uitstekende, en door generlei aansporingen tot een beter gedrag te brengen zijnde, zich bovendien heeft schuldig gemaakt aan ongehoorzaamheid jegens de vastgestelde kolonie-reglementen, en zelfs anderen aangespoord, om dit schandelijk voorbeeld te volgen. Beide deze gezinnen, waarvan de zamenwoning en het verkeer voor andere, beter gezinde, niet dan onteerende, bedroevende en schadelijk konde zijn, zijn dan ook, na door den Raad van Toezigt schuldig te zijn verklaard, volgens stelligen last der Permanente Kommissie uit de kolonie no. 1 verwijderd geworden, als der weldaden van de Maatschappij onwaardig, en naar de plaatsen hunner voormalige woning te rug gezonden, met kennisgeving de gronden van dit besluit aan de respektive sub-kommissiën, waaronder zij behooren. (*) Te weten, dat van h. breukel van Maassluis, en van j. de vos van Thiel. Het is onbekend hoe het de familie Vos na het vertrek van de kolonie vergaan is. |
|