De als arbeidersgezin begonnen en later 'schier blinde' vee-arts Johannes Wilhelm en zijn gezin

Arbeidershuisgezinnen wonen in de woninkjes aan de buitenkant van de drie gestichten te Veenhuizen. Zodra er een etablissement gereed is, verdeelt de permanente commissie de woningen onder de meest ijverige subcommissies van weldadigheid. Eind 1825 zijn er nog plekken te vergeven in het tweede etablissement, waarvan de zalen aan de binnenkant sinds mei van dat jaar worden bewoond door bedelaars.

Tweede of derde gesticht

De stad Amsterdam heeft al veel arbeidershuisgezinnen geleverd, maar mag er nog vijf sturen. Dat wordt bijgehouden in het designatieregister 1825, zie hier bij nummer 41. Een van die gezinnen die op 24 november 1825 aankomen is dat van Johannes Wilhelm. Hieronder mijn aantekeningen over hem, met enige handvatten voor mensen die verder onderzoek willen doen.

Volgens het designatieregister dus gevestigd in het tweede gesticht in woning nummer 76, maar...

Vervolgens kom ik ze tegen in het register van het derde gesticht, met de aantekening dat ze in woning nummer 12 van dat gesticht wonen. Zie invnr 1572 en vul rechtsonder folionummer 129 in. Vanaf deze plek neem ik de gezinsgegevens over:

Gezinsgegevens

Johannes Willem is volgens de in dit opzicht lang niet altijd betrouwbare kolonieadministratie (deze opmerking geldt ook voor de navolgende geboortedata) geboren op 2 mei 1785. Hij is getrouwd met:
Lena Fest, geboren 14 december 1781. Ze hebben vier kinderen bij zich:

Elisabeth Wilhelm, geboren 2 februari 1811,
Johannes Wilhelm, geboren 9 mei 1813,
Helena Wilhelm, geboren 20 januari 1817, en
Maria Wilhelm, geboren 16 augustus 1820.

Maar de registratie van het gezin is al doorgestreept en wel hierom:

Naar de Ommerschans

Op 25 mei 1826 schrijft de directeur der koloniŽn aan de permanente commissie in een brief die ook over tal van andere onderwerpen gaat en die zich hoogstwaarschijnlijk bevindt in invnr 78, maar het scannummer weet ik niet:


Onder de arbeiders huisgezinnen te Veenhuizen aangekomen bevonden zich twee, welke als vee artsen gepraktiseerd, en de eene zelfs als veterinaire bij het corps rijdende artillerie gediend had.
De laatst genoemde heeft sederd deszelfs komst in genoemde etablissement, meermalen blijken zijner bekwaamheid in dat vak gegeven, en wierd derhalve altoos bij voorko≠mende gelegenheden in plaats van een veearts uit de ommestreken te roepen, met goed gevolg gebruikt;
dit deed bij mij het denkbeeld ontstaan om de andere naar de Ommerschans, waar de maandelijksche rekeningen van de vee arts te Ommen 20 tot 30, ja zelfs tot É40 bedragen hebben, te zenden en sprak ik daar over met ZijnHoogEdeleGestrenge den Heer 2e Adsessor en den Heer Adj. Dir. Drijber.

Eerstgemelde was volkomen van mijn gevoelen; terwijl de Heer Drijber dit als een bepaling beschouwende, den arbeiders kolonist Johannes Wilhelm naar de Ommerschans zond, alwaar hij dan nu reeds is aangekomen;
niet twijfelende of deeze maatregel, hoewel zonder bepaalde authorisatie der Permanente Kommissie uitgevoerd, zal hare goedkeuring wegdragen, en neem dus de vrijheid te verzoeken dat genoem≠de J. Wilhelm bepaaldelijk te Ommerschans blijve overgeplaatst, en bij eene veldarbeid als vee arts te worden geemploijeerd, deszelfs inkomen zoude op vijf gulden wekelijks kunnen worden bepaald en benevens de weinige medicijnen welke mogten benodigd zijn, op het fonds van veldarbeid in uitgaaf gesteld.

Volgens het hierboven genoemde register van het derde gesticht met invnr 1572 vindt die overplaatsing naar kolonie 5 (= het buitengebied rondom de Ommerschans) plaats op 14 mei 1826. Deze carriŤreswitch wordt, zonder namen, genoemd op pagina 289 van De bedelaarskolonie in het kader van een opsomming van de sociale mobiliteit in de koloniŽn.

Rare registratie-1

Qua registratie zit de Maatschappij dan wel met een probleem. Er bestaat geen stamboek voor arbeidershuisgezinnen op de Ommerschans. En om er nu eentje alleen voor de familie Wilhelm te beginnen...?

Dus men registreert het gezin eerst in het stamboek van hoevenaars bij de Ommerschans 1825-1831 met invnr 1580, zie de foto's op bonmama (klik op 'spring naar eerste blad' en ga dan naar gezin nr 16). Dat wekt de indruk dat ze op een hoeve wonen, maar of dat echt zo is...? Ik betwijfel het. Er staat, in tegenstelling tot bij de anderen in dit boek, geen hoevenummer bij.

Rare registratie-2

En per 12 augustus 1828 worden ze 'overgeplaatst op het stamboek der strafkolonisten'. Dat wekt de indruk dat ze in het gebouwtje van de strafkolonie wonen, maar of dat echt zo is...?? Ik betwijfel het.

We zitten dan nog steeds in invnr 1580, want daar staan ook de strafkolonisten 1828-1831 in, maar het staat op een andere plek bij bonmama (kies hier 'spring naar eerste blad' en ga naar record nr 38).

Mutaties

● Pal na de verhuizing van hoevenaarsstamboek naar strafkolonistenstamboek, op 14 augustus 1828, wordt geboren Anna Maria Wilhelm. In de stamboeken heet ze vaak Maria en dat staat raar, want ze hebben al een dochter Maria.

In het strafkolonistenregister 1832-1835 met invnr 1584 staat Johannes Wilhelm doorgestreept, met de vermelding 'Wilhelm en gezin als arbeiders te Ommerschans overgepl. den 1 February 1832'. Vanaf dat moment worden de arbeiders op de Ommerschans apart geregistreerd.

Arbeidersregistratie

Dat begint in het vierde gedeelte van invnr 1584 (waarvan ťn geen scans ťn geen foto's zijn), dat is 'overgeschreven naar den stand op 1e January 1832' en dat loopt tot 1835. Daar wordt gemeld dat dochter Elisabeth Wilhelm het gezin en de kolonie verlaat op 26 september 1832. Ze gaat niet meteen heel ver weg, want in 1834 trouwt ze in de omgeving van de schans.

Zoon Johannes Wilhelm is eerder al in militaire dienst gegaan, op 7 juli 1832. Hij keert daarvan terug op 1 augustus 1839, blijkt uit de vervolginschrijving, invnr 1585, dat de periode 1836-1847 bestrijkt en waarvan ook geen scans of foto's zijn. Die zijn er weer wel van de daaropvolgende periode, van 1848 tot 1859 staan de arbeiders op de Ommerschans in het boek met alle arbeidersgezinnen met invnr 1575 en dat staat op alledrenten.
 

Personeelsregisters

Dan de personeelsregisters (van die registers zijn nog geen scans gemaakt). In invnr 997 (1828-1834) staat ze op folio 25 'Johannes Wilhelm met vrouw en kinderen, veearts op f 5:- 's weeks, wordt onder de sterkte der hoevenaars geteld. Overgeschreven bij de arbeiders te Ommerschans den 1 February 1832'. Dat klopt, maar dat hebben we hiervoor al gezien.

In mapje 1 (1832) van invnr 1007 staat hij ook als veearts voor 260 gulden per jaar, dus 5 gulden per week. Die is wel mooi helder geschreven, dus die plak ik er even bij:


In mapje 2 (1833 en verder) van invnr 1007 is zijn salaris teruggebracht tot 208 gulden per jaar oftewel vier gulden per week. Er staat een heel verhaal bijgekrabbeld wat moeilijk leesbaar is, maar waaruit ik opmaak: 'Bij resolutie van 20 Januari 1835 N11 is bepaald dat de veearts van Ommen 2 malen per week vast en verder zoveel nodig den veestapel zal bezoeken a f 1,20 per visite'. Maar deze transcriptie is dus onder voorbehoud, want het is erg kriebelig, het kan worden nagekeken bij 20 januari 1835 in invnr 432 (geen scans). Maar het ziet er dus naar uit dat Wilhelm hulp nodig heeft.

In mapje 3 (1835 en verder) van invnr 1007 staat hij nog steeds op vier gulden per week, in mapje 4 (1838 en verder) ook, maar daar zien we ook zijn zoon staan. Johannes Wilhelm junior is per 24 november 1838 (terwijl in invnr 1585 gemeld wordt dat hij pas 1 augustus 1839 terugkeert uit militaire dienst... nouja, laat maar) bij agendapunt N9 (niet gezien, maar moet zitten in invnr 480) aangesteld als 'adsistent van den veearts' voor twee gulden per week. Blijkbaar heeft de vader zijn kennis overgedragen aan zijn zoon.


Positieve geluiden van buiten

In 1840 zijn er twee tegenstrijdige geluiden over de veearts Wilhelm. De buitenwereld is blij met hem. In ieder geval de burgemeester van Avereest, al rommelt hij een beetje met de geboortedatum. Een brief van hem wordt geciteerd in het boek van Albert Piel dat op de site van de hv Avereest staat. De brief is gedateerd 15 april 1840:


Bij U Ed. apostille van 3 April 1840, 1e. afd. no. 1549, ons in handen gesteld enige stukken betrekkelijk de aan de Ommerschans wonende veearts Wilhelm en diens zoon, onder terugzending dier bijlagen, hebben wij de eer U.H.E.G. te berichten, dat genoemde Johannes Wilhelm, geboren 9 Maart 1813, en ook deszelfs zoon, de veeartsenijkundige praktijk in deze gemeente uitoefen, want wanneer er spoedig hulp noodzakelijk is en de ingezetenen ruim 2Ĺ uur naar Ommen en slechts ĪĹ uur van de Ommerschans verwijderd zijnde, gaan alsdan Wilhelm halen en kunnen dikwijls geen uuren wachten om een veearts van Ommen te ontbieden.

Ook heeft men in het algemeen liever Wilhelm, als kundiger beschouwende, dan Veenhoven.
 
Aangenaam zou het ons sijn, dat Wilhelm en zijn zoon in de uitoefening hunner practijk in deze gemeente niet verhinderd wierden, derwijl in deze afgelegen gemeente men anders soms dagen zoude moeten wachten voor en aleer de Veearts Veenhoven hun te hulp komt.

De Burgemeester van AVEREEST

Negatieve geluiden van binnen

Maar bijna tegelijk, op 25 mei 1840, schrijft de directeur der koloniŽn buitengewoon negatief over Wilhelm senior. De brief met nummer N1326 bevindt zich in invnr 229 op scan 488 en verder:


Johannes
, zoon van den veearts Johannes Wilhelm, te Ommerschans, sedert eenigen tijd adsistent van zijnen vader, bij wien hij inwoont, verzocht mij, reeds voor eenige weken, UWEdGeb zijn verlangen voortedragen om een huwelijk aantegaan, met eene dochter van den veteraan Krijnberg en haar daarna mede in het huisgezin zijner vader te brengen, die daarin bewilligden.

Dit arbeiders huisgezin, reeds 6 zielen tellende, meende ik daaraan niet dadelijk te moeten voldoen.

Verleden week, echter, herhaalde hij zijn verzoek, met te kennen gave, dat hij anders zijn ontslag verlangde, in het vooruitzigt, van ook buiten de kolonien zijn bestaan te zullen vinden, waarop ik hem antwoordde dat ik er UWEdGeb over schrijven zou.

Nog eer ik dit heb kunnen doen, verneem ik nu, dat, terwijl de veteraan Krijnberg, die ook als Veldwachter bedankt had, naar Veenhuizen is wedergekeerd, zijne dochter Carolina niet is mee vertrokken, maar bij zekeren Vereul, zwager van Wilhelm, aan de Dedemsvaart, gebleven is, en tevens dat zij reeds in zwangeren staat verkeert.

Dit kan voorzeker hun verzoek niet wel bevorderlijk wezen; maar, behalve dat, zou de Maatschappij zůů nderdaad twee huisgezinnen te onderhouden krijgen, en het salaris van
É 4:- voor den vader en É 2:-voor den zoon, welligt spoedig ontoereikend worden, bij de verdiensten van nog 2 kinderen in de fabrijk.

Dan ook is het UWEdGeb bekend, hoe de oude Wilhelm schier blind is en van tijd tot tijd misbruik van sterken drank blijft maken, terwijl hij, in weerwil van herhaalde vermaningen, ook buiten de koloniŽn ziek vee behandelt en zelfs medicijnen geeft, ter zake waarvan ik de Adjunct-Directeur verleden week geautoriseerd heb, Wilhelm eene halve week salaris inhouden.

De zoon zelf is, anders, gewillig en vlijtig en houdt het opzigt over verschillende uitwendige en ligtere gebreken van het vee; maar van zijne vee-artsenijkunde is nog nimmer eenig wezenlijk blijk gegeven.

Ondertusschen is het waar, dat hij nog meer dienst doet dan zijn vader en dat, wordt de eerste ontslagen, men aan de laatste nog minder zal hebben, en om ook de oude man te ontslaan, daartoe zullen UEdGeb voor als nog niet wel kunnen komen, omdat zijn huisgezin dan in volslagen armoede gedompeld wordt.

Er zal dus wel niet anders op wezen, dan zijn zoon te ontslaan, de dochter van Krijnberg als gedeserteerd aftevoeren, de oude Wilhelm als vee-arts met behulp van een of ander geschikten jongen uit de kolonisten te laten voortgaan, onder eene laatste vermaning, evenwel, om zich in alles beter te gedragen.

Ik heb de eer dit aan UWEdGeb beter oordeel te onderwerpen.

De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg


Op de brief is aangetekend dat de permanente commisie hierover besluit op haar vergadering van 13 juni 1840 onder agendapunt N15. Dat heb ik niet gezien, maar moet zich bevinden in invnr 504 (geen scans).

Vertrek Johanes jr

In ieder geval houdt zoon Johannes Wilhelm het voor gezien. Hij trouwt 15 juni 1840 met de hiervoor genoemde Carolina Krijnberg, die dan inderdaad zo'n zeven maanden zwanger is, en gaat met haar buiten de kolonie wonen. Volgens het personeelsregister met invnr 998 folio 44 (geen scans) wordt hij op 20 juli 1840 ontslagen als assistent vee-arts. Dat zal tijdelijk blijken te zijn, naarmate zijn vader blinder wordt kunnen ze niet lang zonder hem.

Er gebeurt meer op het persoonlijke vlak. Volgens datzelfde personeelsregister met invnr 998 is dochter Maria Wilhem 'ontslagen en gehuwd 25 juny 1842'. Haar echtgenoot is Dirk of Durk Dijkstra, zoon van de hoevenaar Klaas Pieters Dijkstra, zie hier, en opvolger van zijn vader als hoevenaar.

En daarna is echtgenote Lena Fest 'overleden 1 december 1842'.

Trouwplannen

April 1843, dus enkele maanden later, laat Johannes Wilhelm de permanente commissie weten dat hij plannen heeft om te hertrouwen en vraagt hij daarvoor toestemming. Op 28 april 1843 richt hij zich met dat verzoek tot de permanente commissie, invnr 274 scan 719 met de adressering op scan 720:


Aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid.

Geeft met de meest verschuldigde eerbied te kennen, J. Wilhelm, veearts in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid te Ommerschans.

Dat hij de vrijheid neemt zich tot U Hoog Edelgestrengen te wenden, met het eerbiedig verzoek het hem wel mag worden veroorloofd zich in het huwelijk te begeven met de Weduwe Molenbroek, oud 53 jaren, wonende aan de Dedemsvaart.

Haar, zowel zedelijk als burgerlijk gedrag, volstrekt onberispelijk zijnde, waaromtrent door den Weleerwaarde Zeer Geleerde Heer A. Campagne, Leeraar alhier de meest voldoende getuigenissen kunnen worden gegeven, vleijt hij zich dat zijn door hem gedaan verzoek door U Hoog Edelgestrengen zal worden geapprobeert.

ít Welk doende, J. Wilhelm.
Kolonie Ommerschans,
den 28e April 1843

Zo volstrekt onberispelijk is de weduwe Molenbroek, die van zichzelf Niesje Blokkers heet, nu ook weer niet. Zie bijvoorbeeld deze tuchtzitting. Maar goed, dat was met een wijkmeester en bovendien al lang geleden.

De Hoofdambtenaren

Op de brief zijn met potlood diverse vragen en antwoorden gepend. Het is niet duidelijk van wie die afkomstig zijn, de permanente commissie is al sinds 1 januari 1843 afgetreden en het bestuur wordt waargenomen door enkele ambtenaren op kantoor:


Hoe oud is hij? 59 jaar; hoe oud zijn beide dochters? 26 en 15 jaren; Andere personen heeft hij immers niet meer bij zich in huis? Neen; Is hij werkelijk arbeidskundig? Voorzoover ik kan nagaan, ja; Hij is den 24 November 1825 van Amsterdam naar Veenhuizen aangekomen en sedert 14 Mei 1826 te arbeid als veearts.

De 'Heeren Hoofdambtenaren bij de Maatschappij van Weldadigheid, tijdelijk belast met het bestuur der loopende zaken te ís-Gravenhage' nemen het gebruikelijke besluit op hun vergadering van 9 mei 1843 onder agendapunt N16, invnr 540 (geen scans). Ze besluiten om het 'Adres J. Wilhelm, vee-arts te O.S. 28 april om zich in het huwelijk te begeven met de wed. Molenbroek' door te sturen naar de directeur der koloniŽn en diens advies te vragen.

Negatief advies

De directeur neemt geen blad voor de mond. Hij heeft het op dit moment ook niet makkelijk, want in de vrije koloniŽn speelt de nasleep van de steekpartij met kolonist Kniesenburg (onderaan deze pagina) en in Veenhuizen is deze dagen een opstand (zie hier). Dus hij is in zijn brief van 15 mei 1843 met nummer N1324, invnr 274 scans 716 en 717, kort door de bocht:


Ik heb de eer U Edelen terug te zenden het bij Marginale van den 9e dezer maand N16 ontvangen verzoekschrift van J. Wilhelm te Ommerschans, om wederom een huwelijk aan te gaan met de ontslagen Kolonist de Weduwe Molenbroek, met opmerking dat hij, 59 jaren oud, bijna blind en meest sukkelend is, zoodat hij, sedert meer dan een half jaar, zijne werkzaamheden als veearts niet heeft kunnen waarnemen, maar daarin door zijnen zoon, die daarvoor f 2,00 ís weeks geniet, heeft moeten worden geholpen, hetgeen ons onlangs op het denkbeeld heeft gebragt om dien zoon voor te dragen als zijn vaders plaatsvervanger, onder den last van zijn vader bij zich te moeten nemen met eene der twee, nog overgeblevenen ongehuwde zusters, daar de andere, wegens zwangerschap door onzedelijk verkeer, in het Gesticht is overgeplaatst.

Deze oude man die bovendien bekend staat als zich nu en dan aan misbruik van sterken drank schuldig te maken en die, bleef hij op zichzelve wonen, nog een schier volwassen dochter bij zich heeft voor de huishouding, toe te staan het weder aangaan van een huwelijk, terwijl hij als een eigenlijken lastpost moet beschouwd worden, daartoe kan ik niet wel advijseeren.

Thans echter is Wilhelm weer in zooverre hersteld, dat de hulp zijns zoons zoude kunnen worden gemist, indien zijn gezigt niet zoo slecht ware, dat hij zelfs bij dag geene lating aan een dier kan zien doen en bij avond of nacht geroepen wordende, kwalijk kan zien te komen, zoodat het, vrees ik, wel nooit geheel zonder zijn zoon, die gehuwd buiten de Kolonie woont, of een ander, zal kunnen worden gedaan.

De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg

Negatief besluit

De zaak blijft even liggen tot de permanente commissie weer is aangetreden. Op de vergadering van 24 juli 1843 onder agendapunt N2, invnr 542 (geen scans) wordt behandeld '2. Missive directeur 15 mei N1324 rapporterende nopens het verzoek van den veearts J. Wilhelm te OS om weder een huwelijk aan te gaan met de ontslagen kolonist de wed. Molenbroek (9 mei ll N16)', met als uitkomst: 'weigeren'. Daaruit volgt het besluit:


De permanente commissie der Maatschappij van Weldadigheid,

Op een adres van den veearts J. Wilhelm te Ommerschans, houdende verzoek om vergunning ten einde een huwelijk aantegaan met de weduwe Molenbroek

Gezien het rapport van den directeur der kolonien van den 15 mei ll N1324

Geeft aan den adressant te kennen, dat, wanneer hij mogt blijven bij zijn verlangen om op nieuw een huwelijk aantegaan, hij zijn ontslag uit de kolonien zal behoren te vragen, kunnende hem in de kolonien het bedoelde huwelijk niet worden toegestaan.

Afschrift dezer zal worden gezonden aan den directeur der kolonien ter kennisgeving, en aan den addressant tot narigt.

Tuchtraad

Daarmee Is het huwelijk dus van de baan. In dit jaar, 1843, tref ik de familie twee keer bij de Raad van Tucht voor de Ommerschans. Het kan best zijn dat ze daar vaker mee te maken gehad hebben, maar ik heb van lang niet al die tuchtzaken transcripties en van 1843 toevallig wel.

De eerste keer is als slachtoffer  Ze zijn een hemd kwijt! Gejat van hun bleekveldje. Zie het zittingsverslag van de tuchtraad van 11 februari 1843. Blijkbaar heeft de familie een eigen bleekveldje en dat suggereert dat ze ergens apart van het gesticht wonen. Maar waar??.

Dochter Helena

Maar zoals in de brief van de directeur hierboven al gemeld is het inmiddels dochter Helena Wilhelm die furore maakt.Op de tuchtzitting van 15 april 1843, zie het zittingsverslag, staat ze terecht wegens 'onzedelijken omgang met de bedelaarkolonist Jan Cappee, tengevolge waarvan zij in eene zwangere staat zoude verkeeren'.

Het eerste geeft ze toe, maar ze twijfelt aan de zwangerschap. Die twijfel wordt weggenomen als ze op 21 juni 1843 bevalt, zie dit overzicht van de  strafkolonie waar ze op 22-05-1843 aankomt. Het kind overlijdt en ze houden haar een kleine twee jaar in de strafkolonie vast.

Dochter Helena-2

Maar daarna gebeurt het weer. Er moet een tuchtzitting van zijn, maar daar heb ik geen transcriptie van. Belangstellenden kunnen zoeken bij de foto's van de tuchtraad op www.bonmama. Wat ik wel heb is de aantekening, op deze pagina, dat ze weer de strafkolonie binnenkomt op 16-03-1847, waar ze opnieuw bevalt van een kind dat al snel overlijdt.

Ik noem haar in De strafkolonie op pagina 155 als de enige die twee keer in de strafkolonie een daar geboren kind verliest.

Dochter Helena-3

Ze blijft nu vijf jaar vastzitten en wordt ontslagen op 8 september 1852, tweeŽnhalve week voor ze trouwt met een bedelaarskolonist die al twee keer in de Ommerschans opgenomen is geweest. Ze heeft blijkbaar iets met bedelaarskolonisten. Ze wordt er zelf ook eentje, twee keer worden zij en haar echtgenoot na het huwelijk het bedelaarsgesticht op de Ommerschans binnengevoerd, zie bijvoorbeeld het inschrijfregister toegang 0137.01 invnr 435: haar man staat op bedelaarsnummer 2902, zij op 2903 en hun kind op 2904.

De andere inschrijving is in toegang 0137.01 invnr 439 met de bedelaarsnummers 4340 en 4341.

Zoon Johannes terug in dienst

Lang voor die tijd is zoon Johannes Wilhelm weer in dienst van de Maatschappij getreden. Volgens het personeelsregister met invnr 998 folio 44 is er op 8 december 1846 onder agendapunt N21 een besluit genomen hem voor vier gulden per week als veearts aan te stellen. Wat er als gevolg van die beslissing dan met het inkomen van zijn vader gebeurt moet daar ook bij staan, maar dat kan ik onmogelijk lezen. Daarvoor zou dit besluit van 8 december 1846 N11 in invnr 586 (geen scans) geraadpleegd moeten worden.

Volgens de registratie in invnr 1585 komen Johannes Wilhelm junior en echtgenote Carolina Krijnberg en inmiddels drie kinderen (en een vierde op komst) bij de oude Johannes Wilhelm en dochter Maria wonen op 1 januari 1847.

Later dat jaar is dochter Anna Maria Wilhelm 'gaan dienen 7 Oct 1847'. Uit de inschrijving in invnr 1575 blijkt dat ze daarvan weer terugkeert op 4 januari 1848, maar een nieuwe poging doet op 29 mei 1848 en dan voorgoed weg blijft.

Ten zuidwesten

En In 1847 komt er ook enige duidelijkheid over de plek waar de familie op dat moment woont. In een 19 augustus 1847 gedagtekend overzicht van brandverzekeringen invnr 1296 (geen scans) is er sprake van 'een woning en schuurtje voor den veearts ten zuidwesten van het gesticht'.

Hoe lang die woning ten zuidwesten van het gesticht er al staat wordt niet vermeld, maar zou aan de hand van de polissen nog uitgezocht kunnen worden. In een overzicht uit 1845, invnr 3321 (geen scans) staan zowel de woning als de schuur voor vijfhonderd gulden verzekerd. Vijfhonderd gulden is ook de waarde van een kolonistenwoning in de vrije koloniŽn, dus dat geeft een indicatie hoe groot de woning ongeveer zal zijn.

nr 998 (1835-1859) vinden we op folio 44 '

Tenslotte

Mensen die belangstelling hebben voor de familie moeten later nog maar eens terugkomen op deze bladzijde, want ik denk wel dat ik 'ergens' nog meer gegevens heb over het gezin Wilhelm. Maar als ik een zoekactie door mijn gegevens doe op hun naam krijg ik duizenden hits met Wilhelminaoord. Dus dat werkt niet. Als ik meer over hen heb kom ik dat toevallig tegen en dan zal ik het er hier bij zetten.