Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





De familie Dikkeboom zorgt vanaf het begin voor problemen, eerst door de manier waarop ze hun ingedeelden behandelen, dan door brieven te schrijven, en ze worden weggestuurd


De notulen van de subcommissie Steenwijk van vrijdag 18 december 1818, invnr 3450, melden dat vrouw Dikkeboom komt klagen, maar daarna krijgt de vergadering een onverwachte wending:

De vergadering wordt door den President verwittigd dat de vrouw van den kolonist D. Dikkeboom zich met klachten aan ZijnEd. gewend hebbende, door ZijnEd. op heden morgen half twaalf uur was bescheiden om hare klachten te brengen voor onze vergade­ring, tot het hooren van welke dezelfde was bij­eengeroepen.
Gemelde vrouw Dikkeboom wordt daarop in ons midden geroe­pen en door den Pres. gevraagd, thans alles te willen openleg­gen waarover zij meende zich te beklagen te hebben.
Hare betuigde ontevredenheid kwam hierop neder: dat zij van de aangeno­men kinderen Geert en Klaasje Winters, niet al­leen geen voordeel, maar zelfs nadeel heb­bende, van beide kinderen wilde ontslagen worden.

Aan de andere kant klagten, bij ons zijn­de ingekomen, waarbij bovengemelde kinde­ren, Geert en Klaasje Winters, bezwaren hadden ingebragt tegen genoemde vrouw Dikke­boom, werden ook deze kinderen, die insge­lijks tegen hetzelfde uur, door den Pres. bescheiden waren, binnengeroepen en elk afzon­derlijk gehoord;
terwijl het der ver­gade­ring na naauwkeurig onderzoek bleek dat de vrouw van D. Dikkeboom ten opzigte dezer beide kinderen schandelijk haren pligt ver­zuimde;
waar­onder vooral behoorde dat zij hun het voedsel onthield en voor derzelver verschoning van linnen, geene zorg droeg; hebbende het meisje ook in tegenwoordig­heid van vrouw Dikkeboom ver­klaard, dat zij reeds meer dan 3 weken hetzelfde hemd droeg zonder hetzelf­de gewasschen te kun­nen krijgen.
De vergadering besluit daarop om vrouw Dikkeboom ernstig tot harer pligt aan te manen, haar te bedreigen met uitzetting uit de kolonie bij verder betoon van harer onwil, en, betref­fende dat het halen van ongekook­te spijzen welligt een voorbe­dacht middel ware om eigen voordeel, alleen ten koste der haar toegevoegde wezen te bewerken, haar te gelasten, in het vervolg de spijzen toebereid uit de menage der kolonie te ha­len.
Zij wordt vervolgens van dit alles verwit­tigd met al dien gestrenge ernst die men daarbij noodig dacht te bezigen en dus, naar de kolonie terug gezonden.


Maar uit de notulen van de subcommissie van dinsdag 22 de­cember 1818, invnr 3450, blijkt dat het niet heeft geholpen:
Door den Heer Tuttel, den plaats van de President bekleeden­de, de vergade­ring ver­wittigd van de herhaalde klagten der beide kinderen Geert en Klaasje Winters tegen de vrouw van D. Dikkeboom, waarbij wij wor­den geinformeerd dat zij voortging, niette­genstaande de uitdrukkelijke last onzer ver­gadering gehouden 18 dec. ll. om de spijzen ongekookt te halen, en bovengenoemde kinderen het hunne te onthouden.
Waarop wordt besloten:
Om den Heer Direkteur per missive te ver­wittigen van het voorgevallene tusschen onze vergade­ring en de vrouw van D. Dikke­boom, met verzoek om ons aan haar gedane bevel te willen bekrachtigen en regard slaan op haar gedrag vooral ten opzigte der beide haar toegevoegde kinderen.


Dan volgen de brieven eind december van de familie Burks, zie hier, die vol staan met klachten over de kolonie. Daarvoor moeten man en vrouw Burks verschijnen voor de 'raad van toeverzigt' en de dag erna, zaterdag 9 januari 1819, rapporteert de directeur daarover, invnr 50:
Reeds bij den aanvang van hunner brief ont­kenden zij zo wel afzonder­lijk als te zamen, dat zij nimmer over de voeding hadden ge­klaagd, nog over de kwantiteit nog over te­kortdoe­ning etc.
Alleen bekenden beide geklaagd te hebben, dat zij te weinig geld ontvingen om oly, zeep etc. te kunnen kopen, en dat hunne voor­naamste klagten alleen de luije en liederlijke jongen hadden moeten betreffen.
Dat vrouw Dikkeboom uit het Steenwij­ker huisgezin zich had aangebo­den den brief te schrijven, en hier altijd had komen klagen, en gezegd dat zij allemaal bedrogen en mishan­deld wierden etc.
Dat genoemde vrouw Dik­ke­boom zo als zij nu zagen hun had misleid, en slegts een gedeelte van den brief had voorgelee­zen, enz.
Jan Burks was geheel onbewust van t geen gebeuren zou, en het geen hij voor onwaar in den brief ver­klaarde kwam zo snel met de gezegden zijner vrouw overeen, dat ik mij overtuigde vrouw Dikkeboom er kragtig de hand in had gehad.
Hetgeen mij ook niet verwonderde daar ik deeze boven alles kwaadaardige vrouw kende en het naast bij Burks woonde, had ik haar dadelijk voor de schrijfster gehouden.
(...)
Ook heb ik vrouw Dikkeboom doen compareeren. In tegen­woordig­heid van Burks en zijne vrouw poogde zij staande te houden, dat zij den geheele brief hadden opgegeven.
Zij ver­loor geheel haare bedaardheid en stond voor t eerst zo lang ik haar ken zonder smeken met neergesla­gen ogen.
Van haar schuld overtuigd deed ik de onder officieren binnen komen, naar bevorens met de raad overlegd te hebben, en beval hun nauwkeurig toe te zien of vrouw Dikkeboom of iemand van de haare - dat alle deugniets zijn - buiten de kolonie kwam en dezelve in dat geval dadelijk in t hok op te sluiten en mij daarna rapport te doen.
Dat ik intusschen rapport aan de Kommissie zou doen, ten einde dezel­ve mij haare besluit ten aanzien van beide de huisgezin­nen zou doen toekomen. Het Steenwijksche huisgezin zou tot een voor­beeld voor allen kunnen strekken, wanneer de Kommissie goedvinden het zelve te verwijderen. Ik heb er aanhoudende klagten over, ook de sub­commissie schijnt dit te verwagten.

De volgende dag, zondag 10 januari 1819, schrijft directeur Benjamin van den Bosch aan de permanente commissie, ook invnr 50:
Het gecontingeerde huisgezin van Dikkeboom heb ik gister door een onderofficier naar de kerk, en op gelijken wijze doen terug brengen, hetgeen zeker eene zeer goede uit­werking doen zal.
De jongen bij dit huisgezin ingedeeld heeft tegen mijne uitdrukkelijke order, de kolonie verla­ten, ik zal hem door een onderofficier uit Steenwijk doen terughalen, en in de pro­voost doen opsluiten.
Het heeft mij zeer leed gedaan hiertoe te moeten overgaan, ik had wel gewenscht dat bij de uitgeving van de Star nog geen in­woonder der Kolonie waren gestraft geweest. Ik kon echter aan dit verlangen de rust en goede orde niet opofferen.
Behal­ve het Steenwijksche huisgezin gedra­gen alle de overige zich steeds bijzonder wel.


De notulen van de vergadering van de permanente commissie van woensdag 13 januari 1819, invnr 38, melden:
Ingekomen een brief van den Heer Direkteur der kolonie rap­porterende zijn onderhandelingen met Burks en Dikkeboom. Besloten om overeenkomstig het voorstel der Direkteur de famille van Dikkeboom de kolonie te ontzeggen. De verstrekte kledingstukken (voor zoo ver mogelijk en billijk is) te doen restitueeren.


Blijkbaar geeft de permanente commissie ook de subcommissie Steenwijk bericht, want bij de notulen van laatstgenoemde, invnr 3450, bevindt zich een 'Kopij eener missive aan de Perm. Kommis­sie' van dinsdag 19 januari 1819:
UwEds. missive van 14 jan. ll. heeft bij ons meer dan eene onaangename gewaarwording verwekt. Een smartelijke teleurstel­ling is ook voor ons de terugkomst van het gezin van Dikkeboom uit de kolonie; smarte­lijkst omdat wij onze goede bedoeling, tot geluksbevordering eener verarmde en gebreklijdende famil­lie, zoo jammerlijk zien mislukken; en dubbel grievend door de schandelijke oorzaak, die hare welverdiende beroving van de voorregten der kolonie bewerkt en ons onder een vermoeden gebracht heeft, welk niet kon nalaten ons gevoelig te treffen, zoodra wij hetzelve uit UwEds. laatste missive ontwaarden.
Ook ons heeft vrouw Dikkeboom, tegen onze verwachting, gedu­rende haar verblijf te Frederiksoord meermale verdriete­lijkhe­den veroorzaakt door hare onzedelijke klagten, welke ons dan ook reeds op den 18 dec. des vorigen jaars deden beslui­ten: haar met gestrengen ernst tot hare pligt te vermanen, met bijgevoegde bedreiging om, bij terugkering van dergelijke klagten hare uitzetting uit de kolonie te zullen bewerken, waarop van onze kant op den 29 dec. ll. een schriftelijk verzoek is gevolgd aan de Direkteur om bijzonder regard te willen slaan op gemelde kolonisten en haar gedrag rigoureus­lijk te willen behandelen.
Wij achten derhalve hare uitzetting uit de kolonie dubbel verdiend; maar nemen tevens de vrijheid UwEds te observeren, dat het onbillijk zoude zijn, het onaangename hierdoor aan de Perm. Kommissie den Direkteur der kolonie veroorzaakt, ook slechts eenigzins op onze rekening te willen stellen. Hoezeer wij toch gaarne toestemmen dat de mogelijkheid om iemands karakter te kennen in kleinere plaatsen grooter zij dan op andere is het toch zeker dat het dikwerf alleen van zekere omstandigheden afhangt om een karakter te doen uitkomen.
Wij althans verzekeren de Perm. Kommissie het karakter van gemelde vrouw niet van zulk eene zijde gekend te hebben.
Veeleer hadden wij om den stand waarin zijn eerder in de maatschappij leefde van deze famielie gunstige gevoelens dan bij wegens anderen die zich aan ons voordeden, durven koesteren.
Jammerlijk zien wij ons van achteren hierin bedrogen en wij hebben nu gegronde vreze dat het van kwaad tot erger lopen en wij spoedig deze famillie die thans op de weldadigheid harer stadgenoten zeker weinig rekenen kan, tot den bedelstaf zullen zien gebracht.
Zij hebben dit hun lot verdiend en gaarne zouden wij zien dat zij, ook ten afschrikwekkend voor­beeld weldra hunne verblijfplaats vormden in het bedelaarsge­sticht te Hoorn.
Wij hebben besloten hiertoe eene poging te doen en zullen ons te dien einde aan Z.E. den Gouverneur dezer Provincie wenden.


Blijkbaar zijn ze dan nog niet terug in Steenwijk, want woensdag 20 januari 1819, invnr 50, schrijft directeur Benjamin van den Bosch:
Heden avond heb ik de raad van toe­verzigt zamen doen komen, en de famille Burks en Dikkeboom doen compareren.
(...)
Dikkeboom heeft vrij bedaard aangehoord wat ten zijnen opzigte was bepaald;
Zijne vrouw daarentegen was troosteloos.
Schrij­ende heeft zij gebeeden, meer dan een 1/2 uur lang gesmeekt, om nog slegts eenmaal geduld te neemen, t geen van de schoon­ste en vleijendste belofte vergezeld ging.
Ik hield mij altijd over­tuigd, dat de kolonisten zeer ongaarne hunne tegenwoordi­gen positie zouden willen quiteeren; dan nimmer had ik mij voorge­steld dat eene gedwongen verwijdering, van zo veel invloed, zelfs op de minst gevoeligste, zou ge­weest zijn.
Dit voorbeeld zal zeer veel goeds uitwerken, en bevrijd ons van een zeer slegt huisgezin, dat voor geene verbetering meer vatbaar waar.


Het maandblad van de Maatschappij van Weldadigheid de Star besteedt er in het nummer van februari 1819, zie hier, enkele regels aan:
Enkele schijnbaar-misnoegden zijn, door eene zagte weder­legging en berisping, terstond tot reden gebragt, en hebben, op hunne vrijstelling om de Kolonie te verlaten, met aandrift verzocht, daarin te mogen blijven, Een enkel gezin, dat zich op allerlei wijzen dit voorrecht had onwaar­dig gemaakt, is verwijderd, en door een ander, meer geschikt, uit dezelfde plaats vervan­gen.

Zie de stukken over de selectie voor de proefkolonie of de notities over het gezin of ga terug naar de overzichtpagina Dikkeboom.