Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Archiefstukken over Harmeling

Al snel na de circulaire waarin steden worden opgeroepen om een plaatselijke subcommissie van weldadigheid te vormen (zie hier) meldt Groningen er een te hebben opgericht: ingekomen post pc dd 17 juli 1818.  Daarmee behoort Groningen, met Hasselt, Lochem, Medemblik, BergopZoom, Schoonhoven en Delft.tot de eerste zeven steden met een subcommissie.
Er waren meer contacten, in de landelijke leiding zat de Groninger Sijpkens en met een andere stadjer – Van Swinderen – was geregeld overleg over een op te leiden onderwijzer voor de kolonie, zie file Mulder.

Uit de voordracht door de subcommissie Groningen dd 23 november 1818, invnr 49:
De man is geboortig van Elst bij Nijmegen in de boerenstand opgebragt en verdient sedert hij in den jaar 1801 met paspoort voorzien s’lands militaire dienst verlaten heeft de kost voor zijn huisgezin met boerenwerk en is dus volmaakt met den veldarbeid bekend. De vrouw doet het vlas en wolle spinnen, de meisjes verstaan het spinnen en breiden en de jonge is zijn vader reeds behulpzaam in den arbeid. Dit huisgezin is volgens getuigenis van een alleszins zedelijk gedrag en beleid den Roomsch Catholijke godsdienst. Het zelve toont zich zeer genegen om naar de colonie te gaan, niettegenstaande hetzelfde van de weigering der twee vorigen is onderrigt en is in staat om zo de eerste waarschuwing te vertrekken.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 6 december 1818, invnr 49:
Gister arriveerde het huisgezin uit Gronin­gen.
Bernardus Harmeling en huisvrouw
een meisje van 20 jaar
een meisje van 14 jaar
een meisje van 5 jaar
een meisje van 2 jaar
een jongen van 14 jaar
totaal 7 hoofden
Geen huisjes op dit ogenblik gereed zijnde is het zelve in eene kamer van het onderdirec­teurshuis geplaatst.

Staatscourant 11 december 1818:
De subcommissie Groningen maakt melding van het feit dat het gezin naar de kolonie is gegaan.

In een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818, invnr 49, zie hier, wordt Groningen genoemd als een van de subcommissies die ‘ons zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen’.


Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt het gezin een extraatje van drie gulden voor de door hen verrichte spinarbeid.
 

Harmeling wordt genoemd als donateur bij de liefdesgiften voor de watersnood in februari 1820.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'De man zeer oppassend, het huisgezin minder geschikt' en worden ze voorgedragen voor een koperen medaille.


Bij het overzicht van jaarinkomens over 1820 staat Harmeling met een inkomen boven het gemiddelde.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een zilveren medaille.

Uit een brief van Johanes van den Bosch van 15 december 1821 over straffen voor ongehuwd zwangere meisjes, invnr 59:
Mag ik hier bij aan de Kommissie herinneren dat zij een bepaling gemaakt heeft dat die gelijke zaken in de kolonie met verweidering naar de Ommerschans zouden gestraft worden. Dat de dochter van Bosch dien ten gevolge naar de Ommerschans verwezen en de dochter van de brave Harmeling zich alleen door de vlucht hier aan heeft onttrokken.

Het zal de oudste dochter geweest zijn die op de vlucht geslagen is.

Uit het stamboek Ommerschans blijkt dat op 13 augustus 1822 Bernardus Harmeling een hoeve aan de Ommerschans betrekt.

De Star september 1822 over de Ommerschans-hoevenaars:
De kolonisten harmeling en westerveld zijn reeds voor eenige dagen derwaarts vertrokken, en staan door tymes en arends te worden gevolgd.

Op 7 november 1822 schrijft ex-kolonist Muller, terugkijkend op gebeurtenissen eind 1821 en over zichzelf schrijvend als suppliant (= indiener van een verzoekschrift), invnr 63:
Doch op den 2e kerstdag 1821 was hij suppliant op de terug reis van Steenwijk, zoo komt hij voorbij de verbodene herberg kort bij de kolonie, waarin Harmeling kolonist en opziener met zijnen vader zich bevond, schuilende aldaar wegens de sterke regen, lieten niet na met roepen tot suppliant beweegt wierd ook in te keren om te schuilen, niet denkende dat hij zoo groot kwaad daarmede kon, om dat het zoo sterk regende dat men uit nood eene deugd maken moet en ook omdat een opziener er in was die suppliant had ingeroepen. Na ophouden des regens zoo gaan zij hun reis naar huis voortzetten, zoodra zij luide buiten de deur kwamen stonden daar twee boeren die ons de namen afvroegen, die zij aan hun bekent maakten ter goeder trouw. Deze twee hebben waarschijnlijk hetzelve aan den Directeur bekend gemaakt, pas was suppliant thuis en had gegeten of den Onder Directeur kwam, en eischte hem suppliant zijn metaille af.
Zie verder over Muller en deze gebeurtenissen bij de files van proefkolonist Muller.

Op 17 februari 1825 maakt Bernardus Harmeling deel uit van de Raad van Discipline in de kolonie N5 die recht moet spreken over de van wanbeleid verdachte mede-hoevenaar Westerveld (zie ook file Westerveld). Het proces-verbaal van die zitting eindigt met:
Deeze vraagen nogmaals aan Westerveld voorgelezen zijnde heeft hij bij zijne gezegde antwoorden blijven persisteeren, en heeft hij ten bewijze daarvan dit mij zijn naamtekening bekragtigd.
bij absentie van den Heer Direkteur der kolonien de Adj. Direkteur der kolonien Harloff
J. Bosscha
L. van Blanken
A.J. Wijkstra
D. Meder
X dit is het handmerk van Harmelink verklarende niet te kunnen schrijven
De Roij