Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Hendrikus Krabshuis en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb, vanaf het begin in 1818 tot halverwege 1825

De subcommissie van weldadigheid Almelo draagt het gezin op 8 oktober 1818 voor, invnr 49 scan 134-136 (zie helemaal bovenaan de pagina hoe de scans te bereiken zijn) in een PRACHTIG handschrift, met onder meer:
Hendrikus Krabshuis, oud 38 jaren, landbouwer, klompenmaker en mandemaker van zijn beroep, gehuwd aan Aaltjen Krommendijk, oud 32 jaren, spinster en boerwerkster, hebbende drie kinderen, als:
een jongen van 6½,
een van 5½ en
een meisje van bijna 2 jaren,
zijnde de ouders voor zoo ver ons bekend is, van een onbesproken gedrag, geheel vrijwillig in hunne keus, en alle van eene zeer goede gezondheid.
Alleen de bekendmaking, dat er misschien nog dezen herfst een behoeftig huisgezin uit deze gemeente in de kolonie zoude overgebragt worden, heeft ten gevolge gehad, dat in den tijd van twee dagen het getal der leden met twee en veertig vermeerderd is.

De jongen van 5½ is Lucas Krabshuis, geboren 11 april 1813, maar die zal zijn overleden, want zijn ouders geven later de naam Lucas aab een ander kind.

De rekening courant over 1818 van de subcommissie Almelo, invnr 1104 (geen scans), meldt de aan het gezin verstrekte reiskosten, maar ik ben het fotootje dat ik van dat archiefstuk heb gemaakt kwijt.

Volgens de aankomstlijst, zie hier, komen de Krabshuisen op zondag 1 november 1818 in de kolonie aan.


Op 12 november 1818 maakt Almelo in de Staatscourant melding van het feit dat het gezin naar de proefkolonie gereisd is.


De familie wordt gehuisvest in hoeve 29 van Frederiksoord, zie de locatie op dit kaartje. Op die hoeve zullen ze ALTIJD blijven wonen.


Uit een brief van directeur der koloniën Benjamin van den Bosch op 19 november 1818, invnr 49:
De subcommissie van Almelo heeft mij geinformeerd dat het van daar vertrokkene huisgezin niet uit 5 maar slegts uit 4 personen bestond, dewijl den oudste zoon 7 jaar oud, Hannes genaamd, niet van de grootvader daar hij opgevoed was had kunnen scheiden, men bood aan geweld te gebruiken wanneer de Kommissie de opzending van dit kind mogt begeeren.

Van dit vriendelijke aanbod van Almelo wordt voor zover bekend geen gebruik gemaakt. Later blijkt de jongen, die volgens de kolonieadministratie Hannes heet maar volgens de geboorteakte Harmen, op enig moment alsnog naar de kolonie gekomen te zijn.


In een brief van Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818, invnr 49, wordt Almelo genoemd als een van de steden die ons ‘zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen’.



Rond die tijd mag Krabshuis met verlof naar zijn woonplaats en zegt hij daar blijkbaar positieve dingen over de proefkolonie, want Benjamin van den Bosch schrijft 31 december 1818, invnr 49 aan de permanente commissie:
Den brief van de subcommissie van Almelo heb ik hier bijgevoegd ten einde de Perm Kommissie daar uit te meer de goeden geest die het grootste gedeelte der kolonisten bezield leer kennen.
Bij het ouvrirement in de kolonie, van den kolonist in genoemde brief voorkomende, verzogt de subcommissie mij – zo als meer anderen hebben gedaan, bij geleegenheid eenig malen berigt.
Ik voldoe hier aan zeer gaarne, dewijl ik van de meeste het beste getuigenis geven kan en hier door zeker iets tot de goede zaak kontribueer; hoewel ik zeer wel gevoel dat ook hier in met omzichtigheid moet worden te werk gegaan.

Genoemde brief van Almelo is in het archief (nog) niet gevonden.


Op 30 juli 1819, invnr 52, schrijft Benjamin van den Bosch over de aankoop van koeien:
Geassisteerd door ?? en de kolonisten Bult en Krabs­huis heb ik gister aan de markt te Hoogeveen twaalf der beste melk koeijen voor de kolonie gekocht voor ƒ 649=.=. dus door elkan­der ƒ 54-. Drie maanden vroeger zou men daarvoor bijna het dubbele betaald hebben.
In den nacht is op deze zeer moeije­lijkste tocht een der koeijen, ruim vier uren ver van de markt zijnde, ontlopen.
De kolonist Krabshuis die dezelve dadelijk naar de plaats van waar zij is volgde, kan nog niet zijn aangekomen. Ik stel daar in echter geen swarigheid.


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat 'Krabhuis' ook vermeld als donateur.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'De man oppassend, de vrouw ook, maar niet zindelijk, heeft goede diensten bewezen' en worden ze voorgedragen voor een zilveren medaille.


In het maandblad de Star van augustus 1820, zie hier, staat:
Ook de onder-opziener MEDER en de kolonist KRABSHUIS, die met vele landbouw­kunde bijna alle nieuw aangelegde gronden bezaaid heeft, hebben beide, benevens vele andere ... aanspraak op belooningen verworven. Wij bevelen hen in het gunstig aandenken van Uwe Koninklijke Hoogheid en verdere leden der kommissie.


Bij de jaarinkomens 1820 die zijn afgedrukt in de Star 1821 zit Krabshuis iets boven het gemiddelde met 458 gulden.


Een berekening van verdiensten en schulden vanaf half 1819 tot eind 1820 staat in invnr 52 op scan 581.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.


Uit een brief van de nieuwe directeur Wouter Visser van 28 maart 1822, invnr 60:
Voorts ontvangt de Permanente Kommissie hier bij berigt dat de kolonist Krabshuis ll. zondag, zich verregaande bedronken hebbende, hij voor de Raad van Opzieners in de kolonien is gebragt; en dat, door deeze Raad provisioneel het dragen der medaille aan hem is ontzegt; ik neem ten gevolge daar van de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken, mij tot het definitief afnemen dier medaille te authoriseren.


Uit een brief van Wouter Visser van 17 april 1822, invnr 61 scan 140:
In antwoord op de missives der Permanente Kommissie van den 12 april N 25/4 en 15 daaraanvolgend N 29/4 heb ik de eer te rescriberen, voor eerst dat de kolonist Krabshuis, belooft hebbende geen sterken drank meer te zullen gebruiken, aan hem overeenkomstig het gevoelen der Permanente Kommissie het dragen zijner medaille wederom is toegestaan.


Uit het maandblad de Star van augustus 1822, zie hier, het door Johannes van den Bosch geschreven jaarverslag, pagina 569:
Alreeds heeft de Kolonist KRABSHUIS uit zijne overwinst vier paarden aangekocht, en twee koeijen, boven en behalve de twee, welke de Maatschappij de Kolonisten verstrekt.

Uit dezelfde bron over de eerdere dronkenschap van Krabshuis en een mede-kolonist:
Hun berouw en hunne getrouwe pligtsbetragting na dien tijd hebben ons doen besluiten hunne namen niet openlijk bekend te maken.


Over de subcommissie Almelo schrijft Johannes van den Bosch aan de permanente commissie op 2 september 1822, invnr 62:
(…)
Nog voeg ik hier bij eene missive van de Heer Ainsworth, mij bekent als een braaf man, en tot de aanzienelijkste inwoonders te Almelo te behoren. Ik had die man inlichtingen gevraagd wegens het slappe gedrag der subkommissie van die plaats, en daar op dit antwoord ontvangen.
Ik geef thans in bedenking de subkommissie alsdaar te bedanken en met de Heer Ainsworth in correspondentie te treden wegens het benoemen eer nieuwe. Vind de Permanente Kommissie die goed, beneffens dat ik die corresponditie op mij nemen, dan verzoek ik de bijgaande terug te ontvangen.


Het gezin staat in een stamboek van Frederiksoord van ± 1823 tot juni 1825 dat in te slechte conditie verkeert om in de studiezaal te raadplegen, maar dat ik wel een keer op foto heb gezet:


Dat is hoeve 29 en dat nummer zal die hoeve altijd houden. Het is de enige hoeve waar de familie gewoond heeft, zie de locatie op dit kaartje.


Bij de medaille-uitreiking op 31 augustus 1824
krijgt het gezin een zilveren medaille.

Zie verder de aantekeningen over de familie van 1825 tot 1836 of over de periode van 1836 tot 1840 of de lotgevallen in de jaren 1840 tot 1850 of het verdere leven van Lucas Krabshuis of ga terug naar de overzichtspagina van Krabshuis.