Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Dominicus Meeder en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid in de beginperiode, voor zover ik er weet van heb

De subcommissie van weldadigheid in Tholen draagt het gezin op 10 oktober 1818 voor, invnr 49, zonder de naam te noemen:

UL. te informeren dat zich bij nevensgevoegde brief een huisgezin uit deze stad vrijwillig aan ons heeft geadresseerd, met het verzoek, om in de opterigten kolonie te worden geplaatst.

Hetzelve huisgezin bestaat uit een man van middelbaren jaren, voorheen militair en sedert twee of drie jaren met een paspoort uit den dienst ontslagen, onbesproken van gedrag, die dagelijksch met voorbeeldigen ijver door allerleij soort van arbeid ook tot den landbouw betrekkelijk het brood voor zich en de zijnen tracht te verdienen; diens vrouw, welke in het spinnen van vlas bedreven is, drie dochters aankomende meisjes, welke door hare moeder thans in het gemeld handwerk van spinnen onderwezen worden, en dus bij de aankomst in de kolonie haar daarin reeds behulpzaam zullen kunnen zijn, en een zoon, zijnde een aanko mende jongen, die zijn vader in den veldarbeid te hulp zal kunnen komen.

Wij hebben in deze familie zoo geheel de vereischten gevonden, welke volgens UL opgaven dezelve geschikt maken voor de eerste proeve ter oprigting eener landbouwende kolonie, dat wij het onnoodig geacht hebben eene ander of meer geschikte optezoeken.

De reis

De genoemde brief van Meeder zelf is in het archief nog niet terug gevonden.
Blijkbaar wordt de voordracht geaccepteerd, maar wil de permanente commissie nog wel de leeftijden horen. Op 27 oktober 1818, invnr 49 de scans 433-444, reageert Tholen daarop, waarbij ze ook duidelijkheid geeft over de reisroute:

Ter beantwoording aan het verzoek bij UwEd missive van den 24e October jl. hebben wij de eer bij deze de naamen en ouderdom der personen voor de kolonie te Frederiksoord aangenomen, optegeven, als:
Dominicus Meder oud 48 jaren
Maria Dronkers oud 46 jaren
Johanna Adriana oud 18 jaren
Wilhelmina oud 13 jaren
Elisabeth oud 12 jaren
Frans Dominicus oud 8 jaren

Daar het niet mogelijk is dat gezin op het bepaalde tijdstip in de kolonie te doen overbrengen, zoo hebben wij ter besparing van grote kosten het best geoordeeld hetzelve met den gewonen beurtschipper welke zaturdag aanstaande, zijnde den 31e dezer, van hier vertrekt, tot Rotterdam te doen overbrengen, van waar het met de pakschuit de reis tot Amsterdam kan voortzetten, alwaar wij hetzelve ingevolge bovenaangehaalde missive aan den Heer W. Holtrop, onder directeur der Policie, zullen addresseeren, en dien Heer verzoeken hun den kortsten weg naar hunne destinatie te willen aanwijzen. 

Kazerne

De familie Meeder behoort tot de gezinnen die worden opgevangen in een kazerne aan de Utrechtse Poort, zie deze pagina, maar dat duurt in hun geval maar heel kort, een paar uur.

De kosten van het vervoer op het traject Rotterdam-Amsterdam komen even ter sprake op de pagina transportkosten.

Ze arriveren op woensdag 4 november 1818 in de proefkolonie, zie deze pagina.

De subcomissie Tholen maakt in de Staatscourant van 19 november 1818 melding van het vertrek van het gezin naar Frederiksoord.

Inkomen

Meeder wordt genoemd in een brief van de directeur der koloniën Benjamin van den Bosch dd 13 januari 1819, invnr 50 vanaf scan 76, als er nog volop twijfels zijn of proefkolonisten met het werk van hun eigen handen de onkosten en hun schuld kunnen afbetalen:

Ook andere huisgezinnen die ƒ 26-28- ja zelfs ƒ 30- en daarbo­ven hebben verdiend zijn niet uitgekomen, maar hebben schuld op hunne rekening.
Daar hier, zo wel de spin als veldarbeid zeer veel heeft opgebragt: dienen deze vooral bij eene beree­kening in aanmer­king te komen. Vooral Gerards, Van Haaften, Lucassen, Meder, de Ruiter, Rausch en vooral de Wals die ruim ƒ 32- in de afgelopen maand heeft verdiend, en echter schuld op zijne rekening heeft. 

Onderopziener

Maar merendeels gaat het goed. Bij de 'Specifieke opgave van de schuld op Voeding en Landshuur' dd 24 juli 1819, invnr 52 scan 581, is hij een van de weinigen met een tegoed (iets meer dan een tientje).

Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt 'onderopziener' Meder zeven gulden extra betaling.

En op 29 december 1819, invnr 53 schrijft directeur Benjamin van den Bosch: 'Den onder-opziener Meter heeft voor eigen rekening een man die hem zijn grond helpt bewerken.'

Liefdegisten en zindelijkheid

Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Meeder ook vermeld als donateur.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 6 mei 1820:

Ook de onder opziener Meder gedraagt zig zeer wel en schoon hij niet zo bekwaam en geschikt als Jansen kan gezegd worden, zo verdient zijn gedrag echter alle lof. Zijn huisgezin munt boven alle uit, in zindelijkheid, orde en goede zeden en verdient dus mede aanbeveeling.

Gratificatie

Die brief bespreekt de permanente commissie op 9 mei 1820 en de notulen van die dat, invnr 38 (geen scans) melden:

Brief van den Direkteur, 6 mei (…) en dat ten aanzien der opzieners Jansen en Meder de Kommissie besloten heeft, uit aanmerking van hun goed gedrag, aan Jansen toeteleggen eene gratifikatie van drie dukaten en …. (rest papier ontbreekt).

Dat meldt het maandblad de Star van augustus 1820:
Ook de onder-opziener MEDER en de kolonist KRABSHUIS, die met vele landbouwkunde bijna alle nieuw aangelegde gronden bezaaid heeft, hebben beide, benevens vele andere … aanspraak op belooningen verworven.

Medaille

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'Een allerbraafst huisgezin, waarop geene aanmerking is, onderopziener' en worden ze voorgedragen voor een zilveren medaille.

Die medaille gaat dat jaar niet door, maar een jaar later is er wel een medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, en dan krijgt het gezin een zilveren medaille. Zie over die medailles en waar dit exemplaar zich zou kunnen bevinden deze pagina.

Het gaat echt goed

Inmiddels zit hij ook in de commissie van toevoorzicht. In de vergadering van de permanente commissie van 4 november 1820 wordt besloten de directeur opdracht te geven 'de kommissie van toevoorzigt bij een te roepen, na alvorens het lid Visser door den kolonist onderopzigter Meder te hebben doen vervangen'.

Bij de jaarinkomens 1820 die zijn afgedrukt in het maandblad de Star van 1821 is Dominicus Meeder met 703 gulden de best verdienende proefkolonist.

Vertrek Johanna Adriana

De nieuwe directeur der koloniën Wouter Visser schrijft 13 oktober 1821 in een brief die begint invnr 59 scan 396:

De kolonist en wijkmeester Meder mij verzogt hebbende de vrijheid voor zijne dogter, om de kolonie te mogen verlaten en in de gewone maatschappij te gaan dienen, heb ik de eer dit ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen; met verzoek te mogen worden geinformeerd, of dit aan haar, zoo wel als aan andere welke zulks voortaan zouden verlangen, kan worden toegestaan: tevens de vrijheid nemende aan de attentie der Permanente Kommissie te adresseren, dat zodanige aanvragen mijns bedunkens zeer goed kunnen worden geaccordeerd.

Het zal hier gaan om Johanna Adriania Meeder en het ontslag zal zijn goedgekeurd, want als het gezin later bij de Ommerschans woont, staat bij Johanna Adriana dat zij 'woonachtig te Steenwijk' is.

Wijkmeester

Dominicus Meeder wordt hier wijkmeester genoemd. Die functie bestaat sinds dit besluit in september 1820, maar het valt verder niet te verifiëren omdat er uit die tijd geen registers van personeelsleden bewaard zijn gebleven.

School

Begin 1822 komen de complimenten vooral van de schoolmeesters, die regelmatig verslagen inleveren, zie hier. In maart 1822:

De wijkmeester Meder heeft ons in deze maand vele diensten bewezen, daar dezelve zich niet slechts op school liet zien, om aan het oog te voldoen; maar op de beste wijze het zijne daarin vinden, om de koloniale jeugd tot goede en beschaafde leden voor de maatschappij op te leiden.

Dit wordt overgenomen in het maandblad de Star van april 1822, waar het als volgt verwoord wordt:

De wijkmeester MEDER had, door zijne regt doelmatige schoolbezoeken, tot de nuttige oogmerken der school-inrigting op de beste wijze medegewerkt; hij schijnt dus, te regt, begrepen te hebben, dat hij hier gekomen was, om het onderwijs door eene goede policie te bevorderen, en niet de jongens voor den arbeid uit te zoeken.

Stil en bedaard

In april 1822 schrijven de schoolmeesters:

Ook de wijkmeester Meder heeft ons vlijtig de behulpzame hand geboden, en heeft gezorgd zoo veel immer mogelijk was, dat de leerlingen stil en bedaard uit de school naar hunne woningen terug keerden.
En ofschoon wij ons bij het onderwijs zeer goed zonder eenen wijkmeester kunnen redden, zien wij telkens dat de kinderen, zoodra er geenen wijkmeester is meer losbandig naar huis gaan dan anders.

Hoevenaar

In de zomer van 1822 komen er grote boerderijen klaar op het gebied rond de Ommerschans. En terwijl de bevolking voor het bedelaarsgesticht daar toestroomt, wordt Dominicus Meeder op 26 november 1822 bevorderd tot het hoogste dat een kolonist kan bereiken, hij wordt hoevenaar op een van die grote boerderijen.een hoeve bij de Ommerschans.

Zie verder de aantekeningen bij hun bestaan als hoevenaars en hun vertrek of ga terug naar de openingspagina van Meeder.