Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Jan Cornelis Westerveld en familie als
hoevenaar bij de Ommerschans, van
augustus 1822 tot februari 1830, en
de twee (laatste) maanden erna


Volgens het stamboek van hoevenaars bij de Ommerschans met invnr 1579, daarvan zijn geen scans, betrekt het gezin op 13 augustus 1822 boerderij nummer 1 daar.


Op 2 januari 1823 overlijdt de oudste zoon Cornelis Westerveld, negentien jaar oud.


Op 22 maart 1824 schrijft directeur der koloniŽn Wouter Visser, invnr 68, over verdenking van kwade trouw:
De boer Meder is beschuldigd en door de Raad van Toezicht te Ommerschans overtuigd, van twee schepels aardappelen den Maatschappij toebehorende te hebben verkogt.
Ik heb gezegd dit ter kennis van de Permanente Kommissie te zullen brengen, zo als ik de eer heb bij deze te doen; waardoor hij en de overige, bijzonder Westerveld die mede onder verdenking van kwade trouw ligt, zeer bevreest geworden zijn van naar deze kolonie te worden teruggezonden en ik geloof derhalve dat dit reeds een gunstige uitwerking gedaan heeft.


Op 15 februari 1825 moet Jan Cornelis Westerveld verschijnen voor een disciplinaire raad bij de Ommerschans. Van die zitting is geen verslag bewaard gebleven, maar reconstruerend kan worden vastgesteld dat het gaat over onzorgvuldig omgaan met hooi en rogge. Als gevolg daarvan moet hij verhuizen naar hoeve 12.

 
Op 19 februari 1825 schrijft directeur der koloniŽn Wouter Visser, invnr 72:
Bij de buitenbewoners of boeren, bevinden zich meerder welke die Direktie niet dat vertrouwen durft schenken welke zij behoorden te bezitten, onder dezen is Westerveld de min bruikbaarste van allen, zelfs zodanig dat ik nodig geoordeeld heb, na genomen informatien hem op de hoeve thans door Steunenberg bewoond, en waar geen koren en weinig vee voorhanden is, over te plaatsen, en den laatste op de hoeve van Westerveld overtebrengen; terwijl ik verder gelast heb de tegen hem bestaande beschuldiging, door de Raad der Kolonie te doen onderzoeken, waarvan ik het resultaat ben wagtende, en het welk ik de eer zal hebben de Permanente Kommissie mede te deelen.


In het stamboek met invnr 1579 staat bij Westerveld:
den 19 Februarij 1825 overgeplaatst met het geheele huisgezin naar hoeve 12.


Maar die verhuizing heeft al een paar dagen eerder plaatsgevonden (16 februari) en daarbij is iets geconstateerd, waardoor Jan Cornelis Westerveld op 17 februari opnieuw voor de Raad van Discipline moet verschijnen. Daarvan is wel een verslag, invnr 72:

Raad van Discipline in de kolonie N5, wegens de ingebragte beschuldigingen van den Heer Onderdirecteur en den wijkmeester Van Blanken omtrent de continueel slegte gedragingen en oneerlijkheid van den landbouwende kolonist J.C. Westerveld gehouden op den 17 february 1825:

Vragen
Antwoorden
Hoe is uw naam?
Jan Cornelis Westerveld
Toen gij op order van den Heer Directeur der kolonien om het verkwisten en twee maanden voor tijd opvoeren van uw hooij van de Hoeve N1 naar Hoeve N12 ver≠huijzen moest; hoeveel vreemd brood had gij toen op wagen die uw goed voor≠bragt?
Twintig
Wat wilde gij met dat brood doen?
Dit brood had den bakker van der Hulst mij ter bewaring gegeven om het zelve in de kolonie te verko≠pen.
Gij wist toch wel dat er geen vreemd brood in de kolonie mogt worden verkogt!
Ja voor de kolonisten maar voor de boeren dagt ik mogten het hebben.
Hoe konde gij zonder voorkennis van den wijkmeester naar den Hulst rijden met de kolonie paar≠den en wagens?
Ik wilde een kalf koopen, doch daar≠komende was het zelve dood en toen verzogt mij de bakker om dit brood mede te neemen en zeven ŗ agt dagen te be≠waaren.
Deed gij dat zonder voordeel?
Ja.
Is dan zulk een dienst aan een vreem≠de niet te groot, om een wagenvragt brood, twee uuren door een slegt weg medetenee≠men en dan om zeven a agt da≠gen te bewaren?
Voor mij niet.
Zoudt gij uw aandeel van dit brood hebben gekogt?
Ja.
Wat zoud gij dan met uw aandeel van dit brood doen, terwijl het in zijn soort als brood onder de waar≠de voor u zeker niet goed genoeg was zelfs te eeten?
Ik wilde daarvan mijn beesten voeren.
Hebt gij van het zelve niet aan de kolonist die bij uw zaad dorsch≠t, des avonds niet een klein kaasje verkogt en medegegeeven?
Dan heeft dit mijne vrouw gedaan; maar ik weet daar niet van.
Hebben uwe koeijen al van dat brood gehad?
Neen.
Waarom hebt gij dit brood verstopt gehouden, zoo dat men het in uw huis niet eer gewaar werd dan na dat uw goed alles uit den huis op de wagen was gepakt; en men het op de wagen ontdekte?
Het heeft op de planken gestaan, welke boven aan de balken van de zolder zijn vastgemaakt.
Was de kolonist zaad-dor≠scher, ook des nagts bij uw aan huis?
Neen.
Waarom leyden er soms des mor≠gens garven stroo voor de koeyen, welke maar ter halve waren uitge≠dorscht en sommige in het geheel niet, zo als de wijk≠meester met een veldwagter heeft gezien?
Dat is gelogen.

Deeze vraagen nogmaals aan Westerveld voorgelezen zijnde heeft hij bij zijne gezegde antwoorden blijven persisteeren, en heeft hij ten bewijze daarvan dit mij zijn naamtekening bekragtigd.

bij absentie van den Heer Direkteur der kolonien de Adj. Direkteur der kolonien Harloff
J. Bosscha
L. van Blanken
A.J. Wijkstra
D. Meder
X dit is het handmerk van Harmelink verklarende niet te kunnen schrijven
De Roij

Gehoord in de Raad van Discipline in dato als in het hoofd genoemd, en door de bijzijnde leeden der Raad hier nevens getekend.

De bouwkolonist Westerveld, heeft volstrekt blijven weigeren, de aan hem in deeze, voorkomende gedane vragen welke door hem beantwoord zijn, te willen ondertekenen

De Adjt. Direkteur der kolonien Harloff


Bijgevoegd, dus ook invnr 72, is een brief van Vrouwtje Krul, de echtgenote van Jan Cornelis Westerveld die zelf niet kan schrijven, gedateerd 20 februari 1825:

Aan den HoogEdGestr. Heer den Hr. Visser te Frederiksoord

Mijn Heer!

Met den diepsten eerbied en onderdanigheid, nemen wij de vrijheid UEd≠Gestr. Heer onze billijke nooden en klagten door dezen te verwittigen, veroorzaakt door valsche beschuldigingen, leugentaal en bedrog waarmede men ons zoekt geheel ten onder te brengen en alreeds met dat ongelukkig gevolg, dat wij den 16 deezer op UEd. order en van de kapt. Harlof onze woning op hoef 1 moesten verlaten en alzoo naar hoef 12 wierden verplaatst.

De beschuldigingen als oorzaak van dit alles komt hier op neer:

Ten 1ste dat wij de lijnkoeken dewelke tot voeder voor de schapen waren aan de beesten gaven; dit was eene valsche aanklagte van den opperscheper; 't welk blijkt hij had gezegt dat het bakje waarin hij de koeken brak om ze aan de schapen te geven bij de andere boeren aan 9 koeken vol was en toen wij des 's morgens vertrokken sneed hij er 7 koeken en in het bijzijn van de wijkmeester De Lange welke betuigen moest dat er nog wel 3 a 4 koeken in konden aleer het vol was. Derhalven een leugen van de scheper daar er zoo als blijkt wel 10 a 12 koeken in konden, en uit het verschil van de koeken welke toen aanwezig waren bleek het getal echt te zijn van het geene wij hadden ontvangen.

2de Dat wij de garven rogge aan de beesten gaven. Dit is insgelijks onwaarheid. 't Is waar toen wij den 12 en 13 deezer eene rogge bult in huis haalden, welke garven van de wagen naar omhoog moesten gestoken worden viel er nu en dan van het losse 't welke er zich telkens bij bevind een weinegje tusschen beiden naar beneden.
Wij klagden hier wel over aan de heere opzienders alhier maar kregen telkens ten antwoord wij moesten ons meer stil houden en nergens van spreeken.
Het gebeurde eens dat er vreemde voerlui bij ons waren: Deze gaf hij van de schoone rogge voor hunne paarden 't welk door ons is gezien en hem voor gehouden waarop hij des anderen daags met een papiertje met rogge na de Hr. J. Bosscha ging zeggende zulks voor de beesten te hebben weggehaald en dat wij ze dus klaare rogge voerden.
Dit wierd gretig voor waarheid aangenomen voor dit alles wierd hij wel betaald want als een ander 10 stuiver des daags ontving dan gaf men hem 15 stuiver.

Uit dit alles kan UE dus zien, hoe men met ons heeft gehandelt en ten onder heeft gebragd en wat men met ons in den zin heeft om ons te verlagen zal de tijd leren maar vrezen er echter voor.

Onder schrijver deezes, wierden wij weederom gedagvaard om opnieuw voor den raad te verschijnen.
Nu moet UEd vooraf weten dat wij benevens alle andere boeren bij ons 's weekelijks roggenbrood ontvangen van de bakker woondend op de Hulst en daar onze zoon op Zondag den 12 deezer met paard en wagen naar die streken ging om er een kalf van daan te haalen, en dus toevallig bij de bakker kwam. deze verzogt hem om eenige brooden mede te nemen en dit niet durvende zei de bakker dat hij het op zich nam en haalde hem er dus toe over en dewijl de bakker door het slechte weder in 14 dagen geen brood had gebragt nam hij toen rijkelijk brood mede, zoodat hij nog 18 brooden overhield naar dat wij en de andere boeren er naar verkiezing hadden van ontvangen.
Nu verzogt ons de bakker vriendelijk om de goedheid te hebben om die brooden voor eerst voor hem op te bergen tot hij gelegentheid om ze te verkopen.
Dit verzoek wierd door ons toegestaan en wij plaatsten de brooden in onze voorwoning op de eene van onze groote houden borden en toen wij des morgens verhuisden was de wijkmeester Van Blanken in onze woning en de brooden wierden in zijn bijzijn van de plank afgehaald en op de wagen geleid om naar onze nieuwe woning te vervoeren.
Gelijk gezegd is in den raad verschijnende wierden er verscheidene vragen door den Hr. Harlof over dat brood gedaan en gezegd dat wij dezelve brooden hadden schuil gehouden en waarop wij andwoorden dat het brood alle dagen voor elk en een ieder die in de keuken kwam zigtbaar lagen en dat de Hr. Van Blanken zulks des morgens wel moest opgemerkt hebben dewijl hij in de keuken was toen het brood wierden afgegeven.
Dit wierd door de heer Blanken miskent dat hij zulks niet had gezien ofschoon wij alleen met 4 werklieden ten allen tijde met eede kunnen bevestigen dat de heer Van Blanke zulks wel degelijk heeft gezien en dus het brood niet hadden schuil gehouden.
Nu wierd het gezegde van Van Blanke voor waarheid aangeno≠men en des anderen ochtends wierd het brood op order van de heer Harlof uit onze woning gehaald en prijs geklaard ten blijke dat men kwade vermoe≠dens hadde als of wij de bakker voor de brooden rogge in plaats hadden gegeven.

Ons hart Mijn Heer spreekt ons vrij en bezitten in alles een zuiver geweten dat de bakker noot rogge van ons heeft ontvangen maar hem het brood telkens met contante gelden hebben betaald, de bakker heeft naar de vrede regter te Ommen geweest om hier over regt te verlangen en wil ten allen tijde met eede bevestigen dat het brood hem in eigendom toebehoord.

Wij verzoeken UEd. vriendelijk om naar een en ander te onderzoeken ten einde wij regt mogen erlangen.

Teekenen met alle eerbied en hoogagting
Mijn Heer
Uw onderd: Dien: en Dienaresse

J. Westerveld en
Vrouwtje Krol

Ommerschans den 20 febr. 1825


Die brief wordt door directeur Visser ter beantwoording gegeven aan de adjunct-directeur van de Ommerschans Harloff en die reageert 27 februari 1825 met een briefje en een meegezonden verklaring door de wijkmeester en de veldwachter. Eerst het briefje van Harloff, nog steeds invnr 72:

Ommerschans den 27 february 1825

Ter beantwoording UwelEdG. missive van gisteren .

De door den wijkmeester en veldwagter gegeven verklaring van Westerveld, ten opzigte van gevoederde rogge gerv, en roekeloos opvoeding van hooij, heb ik de eer UwelEdGestr. te doen toekomen; terwijl ik wat mijnen aanmerkingen betreft, zoo vrij ben UwelEdG. te berigten, dat geene de minste klagten ongegrond, ten Westerveld ooijt zijn ingebragt, dat de vouw met hare brutale uitspraak en dreigementen menigmalen den wijkmr. heeft verbluft en belet opsporingen te doen, welke altijd ten nadeele van Wester≠veld moesten uitlopen; het kwam geheel niet in het idee van dat huisgezin, dat zij zich aan ondergeschiktheid moesten onderwerpen, en, zoo doende had nog de wijkmr. nog de ond. dir. veel vermogen om hem, tot eene behoorlijke order terug te brengen.

Dat het met dat brood niet was, zoo het wezen moest, blijkt daar uit, dat de Raad gehouden om Westerveld, eerst ten 10 uren des avonds was afgelopen, en nog dien eigen avond of nagt een van Westervelds familie naar den bakker van den Hulst was gegaan, om des morgens zijne opgegevene les bij mij optezeggen en daar door aan de zaak eene andere wending te geeven, hetgeen echter, daar de bakker reeds om 7 uuren des morgens bij mij was, te zeer in het oog liep.


Dan de door Harloff bijgevoegde verklaring van de wijkmeester en de veldwachter, ook invnr 72 dus:

Kolonie N5

Certificaat

Wij ondergeteekende Lammert van Blanken, wijkmeester en Hendrik Graf≠broek, veldwagter, bede geemployeerdens in opgemelde kolonie, verklaren bij deeze ter requeste van den Heer Directeur der kolonien, dat zij beiden, en ieder voor zig zelven, met eigen oogen hebben gezien dat in de hal van den landbouwer Jan Cornelis Westerveld, des morgens vroeg de half uitge≠dorschte garven rogge en sommige geheel ongedorschte voor de koeyen tot voeder hebben geleegen.

Wijders verklaart den wijkmeester van Blanken, dat den landbouwer Wester≠veld meerder hooy heeft geoogst dan zijnen nabuur Klaas Tiemens, hem alzo meermalen heeft te kennen gegeeven - de zigtbare vermindering van des≠zelfs hooy en evenredigheid van deszelfs nabuur ziende - dat hij zijn vee te veel voerde; hem dit onderscheiden malen heeft voorgehouden. Zulks echter niet heeft kunnen baten als nu eindelijk is gebleeken, dat deszelfs hooy twee maanden vroeger is opgevoerd dan dat van deszelfs nabuur Klaas Tiemens welke met zijn geoogsten genoegzaam tot voeder van zijn vee zal hebben.

Ommerschans den 27 februari 1825

De Wijkmeester
Lambert van Blanken       

De Veldwachter
X dit handmerk is gesteld door Hendrik Graf≠broek verklarende niet te kunnen schrijven, mij present De Roij boekhouder


Dit hele pakket, dus zittingsverslag van de Raad van Discipline, brief van Vrouwtje Krul, reactie door Harloff en verklaring van de wijkmeester en veldwachter, wordt door directeur Wouter Visser op woensdag 2 maart 1825 opgestuurd naar de permanente commissie, met daarbij als begeleidend schrijven, invnr 72:

Eindelijk heb ik de eer de Permanente Kommissie te doen toekomen de stukken betreffenden de tegen de kolonist Westerveldt inge≠bragte be≠schuldigingen;
de brief van Westerveldt heb ik om berigt in handen gesteld van den Heer Adjunkt Dir. Harloff;
afschrift van dat daar op gegeven antwoord is mede hier bij overgelegd:

uit alle welke stukken het mijns erachtens genoegzaam blijkt, dat Westerveld, immers zijne vrouw geen genoegzaam vertrouwen verdiend, en zich de grote voordelen die een boer in kol. N5 bij de strikste eerlijkheid en zuinigheid in het behartigen der belangs van de Maatschappij, genieten kan, onwaardig maakt; en ik mij derhalve verpligt gevoel de Permanente Kommissie voortestellen, Westerveld naar eene hoeve in de gewone koloniŽn terug te brengen; ten ware de Permanente Kommissie mogt goedvinden, hem als een minderen straf, die misschien tot verbetering strekken zal, op hoeve N12 kol. N5 welke hij thans bewoond, te laten.


Blijkbaar besluit de permanente commissie tot het laatste, want de familie Westerveld staat gewoon als bewoner van hoeve 12 in de stamboeken van hoevenaars met de invnrs 1579 en 1580. Met daarin aangetekend:

■ Op 8 juli 1827 gaat zoon Hendrik Westerveld in dienst der Nationale Militie. Zijn latere geschiedenis komt op zijn eigen pagina.

■ Op 12 februari 1828 wordt het gezin overgeplaatst naar boederij nummer 10.

■ Op 26 maart 1828 gaat dochter Elisabeth Westerveld met ontslag. Daar valt meer over te vertellen, maar dat komt op haar eigen pagina.

■ Op 13 februari 1830 houdt het bestaan als hoevenaar op en worden zij weer gewone kolonist op hoeve 103 in Frederiksoord. Zie de locatie op dit kaartje.

Ze staan in het stamboek Frederiksoord met invnr 1348, maar dat duurt maar heel kort, want Westerveld laat weten dat hij zich te oud voelt.


Op de zitting van de kleine raad van 6 maart 1830 komt hij vragen om 'voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Broek in Waterland, tot het bewerken van zijn ontslag van de kolonie. Dat wordt toegestaan.


En per 30 april 1830 verlaten Jan Cornelis Westerveld, Vrouwtje Hendriks Krul en de nog thuiswonende kinderen Gerrit Westerveld, Trijntje Westerveld en Jan Jans Westerveld de kolonie.

Zie de notities over de verdere geschiedenis van de familie of ga terug naar de overzichtspagina van Westerveld.