Naar het overzicht van de STRAFKOLONIE




Als zij maar van de schans hoord spreken dan vald zij van zijzelfen

Harm of Harmen Timmerman is een zoon van de proefkolonist die onder de naam Hendrik Gerrits op 31 oktober 1818 vanuit Kampen in de proefkolonie Frederiksoord aankwam. Zie hier voor meer over zijn beginperiode. Die Hendrik Gerrits, die eigenlijk Hendrik Gerrits Timmerman heet, is op 30 april 1826 bevorderd tot hoevenaar op een van de grote boerderijen op het terrein rond de gestichten te Veenhuizen.


Daar doet hij het best goed en hij zal altijd hoevenaar blijven. Datzelfde geldt voor Simon Jansz Friso, die vanuit Groningen in de kolonie Willemsoord kwam en ook een hoeve bij Veenhuizen kreeg. Iets meer over dat gezin onderaan de pagina.

Hoevenaars

Hoevenaars zijn een klasse apart binnen de koloniŽn en het is dus logisch dat Harmen Timmerman, zoon van hoevenaar Hendrik Gerrits Timmerman, verkering krijgt met Hermanna Friso, dochter van de hoevenaar Simon Jansz Friso. Dat kan, ook in de ogen van de kolonieleiding.

Wat niet kan in de ogen van de kolonieleiding is dat er 12 oktober 1837 een kindje geboren wordt terwijl de huwelijksplannen van Harmen en Hermanna nog niet geconcretiseerd zijn. Het scheelt maar enkele maanden, ze trouwen 27 december 1836, maar toch leidt zoiets onherroepelijk tot de tuchtraad.

Tuchtraad-1

Twee tuchtraden in dit geval, want Harmen valt onder het eerste gesticht en Hermanna onder het derde gesticht. Zij moet eerst, op 12 november 1836 staat zij terecht voor de Raad van Tucht VH3 vanwege 'de omstandigheid die er met de dochter van den Kolonisten Bouwboer Friso heeft plaats gehad'. De bevalling bedoelen ze.

Hermanna vertelt over de trouwplannen met Harmen en 'betuigd verder dat alleen schaamte de reden is geweest waarom zij tot het laatste oogenblik ontkent heeft van zwanger te zijn'. Zie het zittingsverslag.

Tuchtraad-2

Een week later, op 19 november 1836, is Harmen aan de beurt bij de 'Raad van Policie en Tucht voor Kolonisten Huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen', zie het verslag van die zitting. 'Hij heeft bekend dat de aantijging conform de waarheid was', maar brengt daarna een heel ritsje overtuigend klinkende verontschuldigingen in.
Het klinkt echt of ze er alles aan gedaan hebben om dit te voorkomen.

Reglement is reglement

Het is opvallend dat allebei de tuchtraden het moeilijk vinden dat op dit 'misdrijf' automatisch de straf volgt van verbanning naar de strafkolonie op de Ommerschans. Ze zouden graag zien dat de permanente commissie in Den Haag voor dit keer van dat automatisme zou willen afwijken. Maar de permanente commissie komt op 4 januari 1837 tot het starre standpunt dat regels regels zijn en dat de twee naar de strafkolonie moeten.

Als dat aan Harmen Timmerman is medegedeeld, klimt hij in de pen. De brief is gedateerd 15 januari 1837, hij bevindt zich in invnr 179 scan 281 (zie bovenaan de pagina hoe de scans van dit invnr te bereiken), er wordt uit geciteerd op de pagina's 21-22 van De strafkolonie en de volledige tekst luidt:


Aan de welEdele Heeren van de maatschappij van weldadigheid

De zoon van Hendrik Gerrits Timmerman gehuwt met de Dogter van Ziemens Vriezo Daar ik mij beschuldig fen om nogmaals eens te schrijven om vergiffenis

Daar het mij is gelast van de Adjonk Deriktuur van het Eerste gestigt om te gaan vertrekken naar de Ommeschans Zoo dat ik te huis kom vertel ik dat aan mijn Egtgenoot en zij dat van mij hoorende valt van zigzelfen zoo dat ik bang was dat ik haar niet zou behouden en daar om Heeren verwagt ik ik van uw weledelle Heeren tog een goede verwagting

Daar onze ouders van weerskanten zijn Hoeffenaars in de kolonie veenhuizen daar de ouders van mijn vrouwskant ook al op de Jaaren komen dat zij de Plaas haast niet meer kunnen bedienen

Zoo was mijn verzoek van uw weledelle Heeren om op verfolg tog nog weer bij haar in te wonen of dat ik als Arrebijder mag blijven te veenhuizen

Daar ik zelf wel schuld in heb Heeren daar ik het trouwen al heb verzuimd maar dat ik wel mij tog graag aan de koloniewetten wil onderwerpen maar dat kan ik niet van wegens mijn vrouwskand wand als zij maar van de schans hoord spreken dan de vald zij van zijzelfen en op die voorwaarde ben  ik vetrokken naar mijn vanmiellie en hierop Weledelle Heeren verwagt ik een gunstig berigt op als het uw weledelle Heeren het beliefd en zoo het niet kan zoo dat mij dan onze ontslag van u weledelle Heeren mogen  ontvangen.

H-G-Timmerman en Hermanna Friezo

Geen ontkomen

De permanente commissie noteert op de brief dat ze het behandelt op 8 februari 1837 bij agendapunt N13 en dan besluit ze terug te schrijven dat gelezen de brief enzv en gelet op het besluit van 4 januari 1837 N24 het 'verzoek niet kan worden ingewilligd', invnr 457 (daarvan zijn geen scans).

Er lijkt geen ontkomen aan. Behalve dan natuurlijk door er van door te gaan. Volgens het stamboek van hoevenaars met invnr 1582 (van hoevenaarregisters zijn geen scans) deserteert Hermanna met haar kind op 30 januari 1837. Volgens datzelfde boek zou Harmen pas op 31 augustus 1837 de kolonie ontvluchten, maar dat moet een schrijffoutje zijn, het lijkt me zeker dat ze er samen vandoor zijn gegaan. Uit wiewaswie wordt duidelijk dat ze zich vestigen te Smilde, lekker dichtbij de ouders in Veenhuizen.

Familie Friso
Ik zou nog de gegevens van de familie Friso doen. Het gezin van Simon Jans Friso komt op 23 oktober 1822 aan in de kolonie Willemsoord. Zij worden gevestigd op basis van het contract A40 van de Maatschappij van Weldadigheid met de 'Kerkenraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Groningen' dat een half jaartje eerder is afgesloten. Zie voor een uitleg over A-contracten en zie hier een lijst met alle A-contracten).

Ze worden ondergebracht in hoeve 143 van Willemsoord-Steggerda, zie dit kaartje voor de locatie. Dat is Friesland. Ze zijn te vinden op scan 51 van het stamboek Willemsoord met invnr 1358.

Blijkbaar heeft Simon Jans relaties in Niezijl, want op de zitting van de kleine raad van 5 augustus 1826 vraagt hij een week verlof om daar naar toe te mogen gaan. Onder voorwaarde dat hij zaterdagmorgen zelf zijn pas komt ophalen, zodat de directie kan zien of hij goed gekleed is, wordt dat toegestaan.

Kort daarop, op 19 november 1826 worden ze bevorderd tot het hoogste dat een kolonist kan bereiken, ze worden hoevenaars op een van de grote boerderijen op het terrein rond de gestichten te Veenhuizen. Ze staan nu op scan nummer 142 van het register met invnr 1572.

Daar staat achter de naam van Simon Jans het nummer 506, wat inhoudt dat hij voorkomt in het register van alle op contract geplaatste koloniebewoners met invnr 1389. Op scan 197 om precies te zijn en daar staat grotendeels dezelfde informatie als in de stamboeken.

Voor de rest van hun carriŤre zitten we met het probleem dat hiervoor al even werd aangestipt, dat er geen scans zijn van hoevenaarregisters en die op het archief bekeken moeten worden. Ze staan als bewoners van hoeve 7 bij het derde gesticht in de registers met de invnrs 1368, 1581, 1582 en 1583. Uit deze boeken neem ik de gezinsgegevens over.

● Simon Jans Friso is volgens de op dit punt lang niet altijd betrouwbare kolonieadministratie geboren op 16 augustus 1772. Hij staat regelmatig in de boeken als Jan Simons Friso, maar als dat klopt zouden al zijn kinderen het verkeerde patroniem hebben, dus dat geloof ik niet. Hij is evenals de rest van het gezin hervormd en hij is getrouwd met:

Grietje Harms, geboren 16 maart 1777. Het echtpaar heeft de volgende kinderen bij zich:

Jan Simons Friso, geboren op 9 mei 1810. Hij gaat op 1 juni 1829 met drie maanden verlof. Zie voor de regeling waarop zo'n verlof gebaseerd is dit besluit. Als zo'n werkzoekende jongere na drie maanden niet terug is, wordt hij uitgeschreven en dat gebeurt met Jan Simons. Hij keert echter weer terug op 29 april 1842. Daarna wordt hij opnieuw, en nu definitief, ontslagen op 30 april 1844.

Hermanna Simons Friso, geboren op 7 juli 1813. Zij is in het voorafgaande al behandeld als degene die steeds omvalt.

Hendrik Simons Friso, geboren op 15 november 1819. Hij loopt net als zijn zus van de kolonie weg, maar twee jaar later, het stamboek meldt 'gedeserteerd 10 april 1839'.

Het nu kinderloze echtpaar blijft op hoeve 7 wonen, waar Simon Jans Friso overlijdt op 12 februari 1852. Volgens het register moet zijn weduwe dan per 30 maart 1852 naar een arbeiderswoning aan de buitenkant van het gesticht. Daar woont ze, woning 1 van het derde gesticht, ook even, zie invnr 1575 scan 7, maar ze overlijdt al op 16 oktober 1852.


Op een gegeven moment duikt ook nog op ene Margaretha Friso, geboren 28 februari 1805, van wie ik uit genealogiŽn op internet begrijp dat zij ook een dochter is. Zij heeft nooit bij haar ouders op de boerderij in Veenhuizen gewoond, maar zal er wel op bezoek geweest zijn, want ze trekt per 22 november 1827 in bij een arbeiderskolonist-weduwnaar met twee kinderen in het derde gesticht.

Die echtgenoot heet Jacob Heij(d)t, is volgens de kolonieadministratie geboren op 21 juli 1785 en afkomstig uit Middelburg. Hij wordt op enig moment aangesteld als veearts bij het derde gesticht en staat als zodanig op folio 89 van het personeelsregister met invnr 998 (geen scans). Met hem krijgt ze een aantal kinderen. Ik heb dat verder niet uitgezocht, maar laat dat over aan familieonderzoekers die terecht kunnen bij:

● register arbeiderskolonisten 1824-1834 invnr 1573 scan 22,
● register arbeiderskolonisten 1834-1847 invnr 1574 scan 18, en
● register arbeiderskolonisten 1848-1859 invnr 1575 scan 47.