Extract uit het verhandelde bij den raad van policie over de vrije kolonien
Zaterdag den 2 februarij 1828

Present
de Heer Visser, President
de Heer Bersma
de kolonist Zwier, gemeensman
de kolonist Hoffman, gemeensman
de kolonist Gutsloo, gemeensman
en van Wolda, Secr.

Zijn opgeroepen en voor den raad verschenen, de navolgende kolonisten;

1 Broer Blom van kol No 3, vergezeld van zijne huisvrouw, hebbende blijkens het proces verbaal van den raad van toEzigt van gemelde kolonie, in dato 1 dezer, in de bank van leening gebragt, en dus verzet:
een vrouwenhemd, dat de vrouw uit een best laken gesneden had, en twee bedlakens; verruild tot linnen voor een broek, een pijen broek, jongens 10 jaar, welke te klein was geweest; en dit laatste was geschied te Steggerda, bij Siert, en eindelijk nog verkocht een stoof aan hunne buurvrouw der ouders voor 20 centen

2 Pieter Wijnands, ingedeelde wees bij Smit in kol No 3, welke, volgens proces verbaal van denzelfden raad, van eenen andere wees Willem Zwang, genaamd, een gezangboek gekocht en hetzelve daarna met eenen stuiver winst in de bank van leening te Steenwijk gezet, en nog een derden jongens, Willem Kroeze, mede bij Smit ingedeeld, tot het stelen van een zilveren melklepeltje aangezet zoude hebben.

3 Adriana Johanna de Bruin, oud 18 jaren, wonende in kol No 1, wijk 3, die, naar inhoud van het proces verbaal van den raad van toezigt van kol No 2, dd 1 dezer zwanger zijn en trouwen zoude met Arie Groen, verleden jaar van de kolonie ontslagen.

Deze kolonisten een voor een binnen gekomen zijnde, hebben zij op de hun door den Heer President gedane vragen, geantwoord hetgene volgt:

A Blom en zijn vrouw hadden de goederen, verzet en verruild, zoo als in het proces verbaal was opgenomen, omdat de vrouw in de kraam gelegen had en de man ziekelijk was geweest; - zij beloven de verpande goederen binnen acht dagen wederom gelost en in huis te zullen hebben; - de stoof hadden zij niet verkocht, en ofschoon zij het verpanden der goederen uit nood gedaan hadden, verklaren zij, niemand om eenige hulp of onderstand gevraagd te hebben, en door den Doctor behoorlijk bezocht en van geneesmiddelen voorzien te zijn.

B Pieter Wijnands had het gezangboek van Willem Zwang voor vijf stuivers en voor zes stuivers in de bank van Leening gebragt, en den raad, aan Willem Kroeze, om het zilveren melklepeltje te stelen, omdat hij wel wist, dat hij het van zijne wijkmeester niet kon krijgen; hij neemt aan het gezangenboek te rug te halen

C Adriana Johanna de Bruin was zwanger, sedert drie maanden, zoude trouwen met Arie Groen, haar vader had reeds eene keet met eenig land voor haar gekocht, dat zij zouden betrekken, zoodra zij haar ontslag van de kolonie zoude bekomen hebben.

In overweging genomen zijnde:

Dat de kolonist Blom voor eenige jaren eene erfenis bekomen hebbende, dezelve in de gewone Maatschappij, binnen weinige maanden wederom verteerd had, en andermaal als kolonist is opgezonden.

Dat men uit de handelingen van Pieter Wijnands meent op te merken, dat dezelve eenige aanleg tot stelen heeft. Overigens gedraagt de jongen zich wel.

Dat de jongeling Arie Groen, van wien Johanna de Bruin zwanger is, thans nog in militairen dienst zijnde, niet mag trouwen, en benevens de weduwe Muis, ook van hem bezwangerd zijnde, met hare kindertjes geplaatst is in de Ommerschans.

Is gebleken,

dat de gevoelens der leden van den raad, ten aanzien van den kolonist Blom verschillen, als zijnde de gemeensmannen er voor, dat hij voor eenigen tijd, in de kolonie met de cachot gestraft worde, en de drie anderen leden van den raad zijn van oordeel, dat dit huisgezin, volgens de wetten der Maatschappij van Weldadigheid verplaatst moet worden naar de strafkolonie te Ommerschans.

Omtrent de anderen, zijn de gevoelens der leden overeenkomende.

Waarna besloten is:

a De straf, door het huisgezin Blom verdiend, over te laten aan het oordeel en de decisie van de Permanente Kommissie

b Pieter Wijnands en Willem Zwang, welke laatst hier wel niet verschenen, maar deszelfs misdaad (het verkoopen van een gezangboek) duidelijk bewezen zijnde, de eene voor, en de andere na, ieder voor vier etmaal te doen opsluiten in het cachot van kol No 1

c Johanna de Bruin, in geval de Permanente Kommissie, het door de moeder op den 5e januarij ll aan den kleine raad gevraagde ontslag van de Kolonie niet mogt accorderen, te veroordeelen naar de Ommerschans.

En zal hiervan, bij afschrift dezes, worden kennis gegeven aan de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid.
Voor extract conform,
De Direkteur der Kolonien
Visser

In de kantlijn bij a bijgeschreven door de secretaris van de permanente commissie Van Konijnenburg:

Tot de verwijzing naar de Ommerschans besloten 26 Febr.1828
vK

In de kantlijn bij c bijgeschreven door de secretaris van de permanente commissie Van Konijnenburg:

Tot de verwijzing naar de Ommerschans besloten
vK

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615