Raad van Policie en Tucht in de gewone Kolonien op den 27 Mei 1837


Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt gelezen een proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 1, van den 18 dezer, houdende beschuldiging tegen Gijsbertus, zoon van de Weduwe Verhoeks als onzedelijk te hebben omgegaan met Dorothea Louisa, voordochter van Theodorus Bijkerk, tengevolge waarvan laatstgenoemde zich in een zwangeren toestand bevindt.

De beschuldigde Gijsbertus Verhoeks binnen geroepen zijnde blijft hij ontkennen als nimmer onzedelijk met genoemde dochter van Bijkerk te hebben omgegaan.

De dochter van Bijkerk, zich met hare ouders te Ommerschans bevindende; en welke dus niet met genoemde Verhoeks gehoord kan worden, is de Raad van oordeel deze zaak eenigen tijd te moeten uitstellen, daar zij niet genoegzaam van zijne schuld overtuigd is, en ook niet van zijnen onschuld, zullende de president bij zijn eersten overkomst  te Ommerschans haar onder verhoor nemen om zoo mogelijk daarna te besluiten.



Wordt gelezen een Procesverbaal van denzelfde Kolonie en datum houdende beschuldiging tegen de Kolonistenzoonen Jacob Kramer, oud 14 jaren, Pieter Bakker, oud 13 jaren, Franciscus Johannes Hazeloop oud 16 jaren, Johannes van der Poot, oud 16 jaren  en Lourens van Delsen oud 15 jaren, welke allen baldadigheid hebben gepleegd in de boomkweekerij met het beschadigen van eenige  dennenboompjes.

De beschuldigden allen binnen geroepen zijnde wilden eenen de schuld op den anderen werpen; de Raad houdt het er echter voor, dat ze allen even schuldig zijn.

De Raad gelet op art 2 § e en Art 3 § 3 van het reglement van tucht waarbij dubbele vergoeding van het beschadigde benevens 8 dagen opsluiting in de strafkamer op diergelijke misdrijven wordt bepaald van hen die zich voor de eerste maal daaraan schuldig maken.

Besluit

aan allen de straf toe te wijzen van acht dagen opsluiting in de strafkamer benevens  f 1,- van ieder voor schadevergoeding.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde wordt hun zulks kenbaar gemaakt met de noodige vermaning van den President om zich voortaan rustiger te gedragen.



Verder wordt gelezen een proces- verbaal van dezelfde kolonie van de 26e dezer maand, houdende beschuldiging tegen den Kolonistenzoon Pieter Veldmeijer oud 16 jaren van verregaande brutaliteit en beleedigingen tegen den boekhouder Morrien te hebben gepleegd.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde verklaart alleen geweigerd te hebben de kruiwagen welke hij volgeladen had, wederom ledig te maken.

De raad genoeg van zijnen schuld overtuigd zijnde en gelet op art 2 § a en Art 3 § 1 van het reglement va tucht waarbij de straf van 3 tot 8 dagen opsluiting  in de strafkamer op diergelijke misdragen is gesteld.

Besluit

aan Pieter Veldmeijer de straf toe te wijzen van acht dagen opsluiting in de strafkamer het welk hem daartoe binnen geroepen zijnde door de President wordt kenbaar gemaakt. met de vermaning zich voortaan beter te gedragen.



Nog wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van toezigt van Willemsoord van den 18e dezer maand houdende beschuldiging tegen de bestedeling Johan Frederik Drewell van Hoeve Nr 3, daar hij een koe van een koopman uit Steenwijk welke de straatweg langs ging, zoodanig had gejaagd dat de koe in den tuin van den Kolonist Spel was gesprongen, ten gevolge  daarvan de rug had gebroken en daaraan gestorven was,

De beschuldigde binnen geroepen zijnde verklaart, dat hij de koe had willen tegen houden.

Nog worden als medepligtigen daaraan opgegeven de kolonisten zoonen Jan KistJan Werff en de bestedeling Johs Plas in Hoeve nr 4 welke allen

binnen geroepen zijnde verklaren dat zij geen deel hebben genomen aan deze baldadigheid maar wel dat zij gezien hebben dat J.F. Drewell de koe te rug had gedreven en daar de drijver er zich achter bevond was de koe op zijde gesprongen in de tuin.

De Raad genoeg overtuigd zijnde van de schuld van J.F. Drewell en gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht alwaar opsluiting van drie tot acht dagen in de Strafkamer op diergelijke misdrijven is gesteld.

Besluit

aan Johan Frederik Drewell de straf toe te wijzen van 5 dagen in de strafkamer het welk hem, hij daartoe binnen geroepen zijnde door de President wordt kenbaar gemaakt met de vermaning tevens, om zich voortaan beter te gedragen.



Eindelijk wordt gelezen een proces-verbaal van dezelfde Kolonie  van de 18e dezer maand tegen de Kolonistenzoon Evert van der Hulst en de bestedeling Leendert Houtman en Willem Scheffer in de Hoeve Nr 159 bij de Weduwe Strouw welke zich allen schuldig hebben gemaakt aan het ontvreemden van turf van de bult van de Maatschappij in die Kolonie geplaatst

De beschuldigde Evert van der Hulst is niet verschenen doch, in plaats van hem de moeder welke binnen  geroepen zijnde verklaart dat haren zoon eenigen brokken op de kruiwagen had geladen.

Leendert Houtman en  Willem Schaffer binnen geroepen zijnde, verklaren dat zij ieder een kruiwagen turf hadden geladen en naar huis hadden gebragt.

De raad gelet op Art 2 S e en Art 3 S3 van het reglement van tucht alwaar eene opsluiting van acht dagen inde Strafkamer benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde op diergelijke misdrijven is gesteld.

Besluit

Aan E. van der Hulst, L. Houtman en W. Scheffer ieder de straf toe tewijzen vna acht dagen opsluiting in de strafkamer en daarenboven het huisgezin van de Weduwe Strouw de betaling op te leggen van 50 centen tot vergoeding van het ontvreemde.

De beschuldigden binnen geroepen zijnde wordt zulks kenbaar gemaakt

Aldus gedaan in de Raad te Frederiksoord den 27 Mei 1837


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 18-05-1837


GEEN transcriptie

Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 26-05-1837


GEEN transcriptie

Bijlage 3: Brief van Morriën


GEEN transcriptie

Bijlage 4: Raad van toezicht van Willemsoord 18-05-1837


GEEN transcriptie


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag