Raad van Policie en tucht in de gewone Kolonien op den 19 Augustus 1837


Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt gelezen een Procesverbaal van den Raad van toezigt van kolonie No 1 van den 17e dezer maand, houdende beschuldiging, tegen Hendrik Godfried Rangen, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan het misbruik van sterken drank en daaruit voortvloeijende ongeregeldheden.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde erkent zijn misdrijf, met belofte om zich daarvoor in het vervolg te zullen wachten.

De Raad gelet op Art. 2 § a en c en Art 3 § 1, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen wordt bepaald, voor hen die zich voor de eerste maal aan diergelijke misdrijven schuldig maakt,

Besluit

Hendrik Godfried Rangen de straf toe te wijzen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem hij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen in hetzelfde procesverbaal de beschuldiging tegen de kolonistenzoon Christiaan Verhoeks, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan weigering van gehoorzaamheid tegen de opzieners Zorn en Hazeloop.

Den beschuldigde binnen geroepen zijnde, erkent zijn misdrijf, zonder daarentegen iets tot zijne verschoning te kunnen inbrengen.

De Raad, gelet op Art 2 $ a en Art 3 $ 1, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer wordt bepaald op diergelijke misdrijven,

Besluit

Christiaan Verhoeks de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem hij daartoe binnengeroepen zijnde wordt kenbaar gemaakt.



Nog wordt gelezen in hetzelfde procesverbaal de beschuldiging tegen den bestedeling Antonij Hartgens van zich te hebben verzet tegen zijnen pleegvader A Kranendonk ten gevolge van dronkenschap.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde, erkent zijn misdrijf waarover hij berouw te kennen geeft.

De Raad gelet op Art.2 § b en c en Art. 3 § 1, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen op diergelijke misdrijven is gesteld, daarbij in aanmerking nemende, dat hij zich voor het overige goed gedraagt.

Besluit

Anthonij Hartgers, de straf toe te wijzen van zes dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.



Eindelijk wordt in hetzelfde Procesverbaal nog gelezen, de beschuldiging tegen den kolonistenzoon Coenraad Bohle, welke modder, op een met mandjes geladen wagen, van een voerman van Noordwolde zoude hebben geworpen.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde, wil hij zich verontschuldigen, met te zeggen, dat zulks bij ongeluk zoude zijn geschied, hetwelke echter geen geloof verdiend daar de kolonisten de specie uit de vaart gewoonlijk niet verder werpen dan op de rand van de b??k en zulks dus niet bij ongeluk op een hoog beladen wagen kan komen.

De Raad genoegzaam van zijne schuld overtuigd zijnde en gelet op Art. 2 § b en Art. 3 § 1, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op diergelijke misdrijven is gesteld,

Besluit

aan Coenraad Bohle de straf toe te wijzen van drie dagen opsluiting in de strafkamer hetwelk hem, hij daartoe binnen geroepen zijnde, door den President wordt kenbaar gemaakt.



Wordt gelezen Procesverbaal van de Raad van toezigt van Kolonie No 3 van den 17e dezer maand, houdende beschuldiging tegen den kolonistendochter Koosje Visser zich hebbende schuldig gemaakt aan het onvreemden van aardappelen de Maatschappij toebehorende.

De beschuldigde is niet verschenen, waardoor de Raad haar voor schuldig houdt, hetwelk echter ook blijkt uit het hierbij overgelegd briefje van haren vader Klaas Visser.

De Raad gelet op Art. 2 § c en Art. 3 § 3, waarbij dubbelde vergoeding van het ontvreemde benevens acht dagen opsluiting in de strafkamer is bepaald, daarbij echter in aanmerking nemende, dat het ontvreemde van eene zeer geringe waarde is.

Besluit

Koosje Visser de straf toe te wijzen van acht dagen in de strafkamer.



Verder wordt gelezen in hetzelfde procesverbaal de beschuldiging tegen Hartog Spier van het ontvreemden van aardappelen de Maatschappij toebehorende.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde geeft hij te kennen dat hij die aardappelen te Oldemarkt van een zijne kennissen aldaar zoude gekregen hebbende, het welk de Raad echter over onwaarheid beschouwd.

Van rest zitting geen transcriptie.


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 17-08-1837

Raad van Toezicht, gehouden
in Kolonie N 1, op Donderdag,
den 17 Augustus 1837. -


De gewonen kolonist Hendrik Godfried Rangen oud 62 jaren, wordt binnen geroepen en ondervraagd wegens zijn gehouden berispelijk gedrag, in den namiddag van Zondag den 30 Júlij, toen hij beschonken de weg langs het logement alhier passeerde en daar in twist geraakte met den kolonisten-zoon Isacje Cohen, waarbij hij aan dezen eenige scheldwoorden toevoegde en zich voorts tegen den Onderdirekteur, - Voorzitter van dezen Raad, - toen deze hem ernstig aanmaande om naar huis te gaan, onder bijvoeging, dat hij over zijnen dronkenschap wel naders zoude worden gesproken; nog beleedigende uitdrukkingen veroorloofde.

Rangen bekent volmondig zijne schuld, en zegt dat een bezoek bij den herbergier Eekelboom, te Nijensleek, afgelegd, ter bezichtiging van eenen nieuwen kolfbaan, daarvan den oorzaak is geweest,
belooft zich voor het misbruik maken van sterken drank verder te zullen wachten
en brengt voorts in dat sijne twist met Isacje Cohen ontstaan is over het vermissen van eenen troffel door de zoon des Onderdirekteurs,
welke troffel later is teruggegeven en dat niet hij maar de bij hem ingedeelde bestedeling Jan van Leeuwen, een jongen van 14 jaren, die bij het metselen geplaatst is, dezen troffel tegen eenen anderen en onder genot van 20 centen winst verruild heeft aan eenen knecht van den timmerman Múlder van Noordwolden, hoewel Rangen, om, zoo hij zegt, aan deze zaak een einde te maken, de meergenoemde troffel tegen teruggave van de gerúilde en bijbetaling van 58 centen van den genoemden knecht heeft terúggekregen en aan den eigenaar, den soon des onderdirekteurs, heeft ter hand gesteld. –

De laatste verklaring van Rangen, dat hij ten behoeve van een ander nog geld zoude hebben toegegeven om dien vermisten troffel aan den eigenaar terúg te doen keeren, komt den Raad eenigzints bedenkelijk voor,
waarom zij het noodig oordeelt den bestedeling Jan van Leeuwen, over de toedragt dezer zaak te onderhouden en wordt bij ondervraging van dien knaap, bevonden,
dat deze zowel de troffel in de stal bij de mest soude hebben gevonden,
maar dat hij dezelven na afloop van het werk, aan het logement, mede in de stal heeft neergelegd
en dat niet hij maar zijnen huisverzorger Rangen het geld voor de verruiling aan deze knecht van Mulder heeft ontvangen; om wat wijze Rangen echter aan de troffel is gekomen zegt hij niet te weten, maar wel dat hij dezelve eenige dagen later, nadat ze door hem in de stal des onderdirekteurs was nedergelegd, aan huis van Rangen, onder de overige gereedschappen heeft zien liggen.-

Rangen wordt aangezegd om zich over zijne begane dronkenschap voor de Raad van Tucht te verantwoorden en aan Jan van Leeuwen en Isacje Cohen zal worden aangezegd, om voor dien Raad getuigenis af te leggen, aangaande het voorgevallene met den vermisten en nu teruggegeven troffel.-



Voorts komt binnen de kolonisten zoon Christiaan Verhoeks oud 16 jaren, beschuldigd van op Dingsdag ll, bezig zijnde met zand te verwerken aan de vaart bij Kok, de specie in plaats van op het land te krúijen, dezelve in de vaart, die pas was opgeschoond, uitstortte, hetgeen door de opzieners Zorn en Haseloop ontdekt werd, die hem aanzeiden, dat hij den specie uit de vaart had te halen en dat voor het verrigte werk geen loon zoude worden toegekend, -
waaraan Verhoeks eerst weigerde te voldoen, echter later aan het werk is gegaan, na alvorens de genoemde opzieners met eenige scheldwoorden en ruwe uitdrukkingen te hebben begroet.

De beschuldigde bekent zijne verkeerdheid, maar zegt niet te kunnen begrijpen, dat hij daarom voor den Raad is geroepen; omdat hij nu toch voor het werk geen loon ontving. -

Hem wordt aangezegd, dat hij zich voor den Raad van Tucht, die zitting zal houden op aanstaande zaturdag, nader zal hebben te verantwoorden. -

De Raad is van meening, dat de gepleegde verkeerdheid, ook als een waarschuwend voorbeeld voor anderen, niet snel te stréng kan gestraft worden en zijn de genoemde opzieners vrijgesproken om in den Raad van Tucht nader getuigenis af te leggen, uithoofde van de drukke werkzaamheden en geeft de Voorzitter wijders nog te kennen, dat hij de saak seer naauwkeurig heeft onderzocht en bevonden, dat de opzieners volstrekt hunnen pligt hebben gedaan en dat het van belang is nu hun, bij de vele onaangenaam heden, waarmede zij bijna dagelijks te kampen hebben, hierin krachtdadig te ondersteunen.-



Nog wordt ondervraagd den gewonen kolonist Adrianus Kranendonk, oud 67 jaren, over zijn gedaan beklag wegens mishandeling, hem aangedaan door de bij hem ingedeelde bestedeling Anthonij Hartgers, oud 51 jaren, op Zondag avond den 13en dezer maand, waarbij hij te kennen geeft dat Hartgers zich meermalen en zoo ook toen heeft schuldig gemaakt aan dronkenschap en dan onverdragelijk en twistzoekende mag genoemd worden, doch dat hij buiten dien fout, anders wel met hem kan omgaan.-

Hartgers wordt daarna binnengeroepen en belijdt volkomen schuld, met betuiging, dat hij berouw gevoelt over de gepleegde vergrijping, onder bijvoeging, dat hij zich nu ernstig heeft voorgenomen om volstrekt geen geestrijk vocht meer te gebruiken, daar de ondervinding hem geleerd heeft, welke schadelijke gevolgen daaruit kunnen voortvloeyen. -

De Raad wenschte wel, dat het Hartgers regt ernst mogt wezen, omdat hij overigens een goed werkman is, doch meent niet anders te kunnen doen, dan hem naar den Raad van Tucht te verwijzen, hetgeen hem wordt kenbaar gemaakt. -



Eindelijk komt binnen en wordt gehoord de kolonistenzoon Coenraad Bohle, oud 18 jaar, over de tegen hem ingebragte klagten bij den Adjunctdirekteur der gewone koloniën, door zekeren Van der Linden, wonende aan de Noordwoldsche dijk, die op den 4 dezer maand met een wagen, waarin mandjes ter verkoop of inscheping te Steenwijk waren geladen, de weg langs de koloniale vaart passeerde en aldaar op de hoogte van Spoelstra, door een der aldaar aan het uitdiepen der vaart bezig zijnde werklieden, dat bij onderzoek gebleken is C. Bohle te wezen, met een schep modder werdt begroet, die op de wagen geworpen, de daarop geplaatste mandjes vrij wat beschadigden en althans zoo als ze daar waren ongeschikt maakte ter verkoop.-

Bohle meent zich te kunnen verontschuldigen door te zeggen, dat het bij toeval was, dat die schep modder zoo ver op de weg in den wagen was, neergekomen, maar de Voorzitter brengt hem het nietige van die uitvlugt onder het oog en houdt zich met de wijkmeesters overtuigd, dat het niet anders dan louter moedwil kan geweest zijn, waarom ook C. Bohle naar den Raad van tucht wordt verwezen.-


Bijlage 2: Raad van toezicht van Willemsoord 17-08-1837

Raad van Toezigt
Gehouden in Kolonie N3

Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt binnen geroepen den kolonist Klaas Visser Hoeve 138, wiens dochter Koosje oud 18 jaren, op zaterdag den 29 Julij aardappelen van de Maatschappij op de door hem bewoonde hoeve staande heeft uitgerooid, hetgeen door den onder-Directeur is gezien geworden.

Visser zegt het gebeurde te hebben vernomen, doch verklaard tevens, dat het buiten zijn weten geschied is, hetgeen door den wijkmeester Koppe bevestigd wordt, daar hij van huis was te werken, echter,
verzoekt hij nu even als in de hierbij gevoegde brief de toe te passen straf op genoemd misdrijf hem in plaats van zijn dochter op te leggen, en voegt eindelijk de onder-directeur in verregaande brutaliteit toe, dat dezelve zijn ongeluk zoekt.

De voornaamste reden diens brutaliteit is dat Visser beschonken voor den Raad gekomen is.



Daarna wordt den kolonist Hartog Spier H109 binnen geroepen, welke volgens algemeen gevoelen, zich mede aan vorenstaand misdrijf heeft schuldig gemaakt, hetgeen echter niet gezien is, doch waarin de volgende reden bestaan te geloven,

1e Zijn er nieuwe Aardappelen door zijne vrouw schoongemaakt hetgeen door
anderen gezien is voordat er voor voeding waren uitgegeven.
2e Bij onderzoek van den wijkmeester verklaarde hij geen nieuwe Aardappelen nog in huis te hebben gehad.
3e Op de hoeve door hem bewoond zijn de sporen te vinden waar de Aardappelen uitgehaald zijn. En nu zegt hij wel nieuwe Aardappelen te hebben gehad, maar die had hij gekregen.



Daarna wordt den kolonist Pieter van der Hulst H147 binnengeroepen, welke zich of wel zijne kinderen mede aan dit kwaad zou hebben schuldig gemaakt hetgeen door den kolonist Bleessie H160 verklaard wordt gezien te zijn en wel uit de hoeve van de Wed. L?? hetgeen door van der Hulst wordt tegengesproken, en waarvoor dan ook geen andere overtuigende redenen te vinden zijn.



Daarna wordt binnengeroepen den kolonist Bleessie H160, welke eenige turven uit het veen van den Maatschappij gehaald heeft, hetgeen door den wijkmeester ontdekt is en door Bleessie bekend wordt, als zeggende niets te branden te hebben gehad.



Eindelijk nog wordt den kolonist Johannes Nicolaas Everhardus Staup binnengeroepen, welke de bij hem ingedeelde weezen niet na behoren behandeld, de tuinvruchten en boter worden door hem alleen gebruikt en de weezen laat hij droog brood eten, niet tegenstaande de overige boter door hem naar Amsterdam gezonden wordt, hetgeen door hem wordt tegengesproken, en zegt dat de weezen het zeer goed bij hem hebben.

De Directie is van het tegendeel te zeer overtuigd, daar hij ook volstrekt niet werken wil en derhalve het huisgezin minder uitbetaald wordt, dan wanneer bij behoorlijk medewerkte, waardoor de weezen  hetgeen van zelve spreekt ook weder reden van klagen hebben.

Aldus gedaan te Willemsoord den 17 Augustus 1837

P. Postema
H. Klaassen
A.C. Koppe
J.H. De Nekker
F. de Plot secretaris

Bijlage 3: Brief van Klaas Visser

Willemsoord 31 Julij 1837

Mijn Heer!

’t Is dan waar dat UEd mijn dogter naamentlijk Koosje Visser, op den 29 deezer bevonden hebt, op Hoeve No 138 in Wijk No 4 van genoemde kolonie, daar ?? bij zig hebbende in een mandtje volgens zeggen van de wijkmr A Koppe 40 a 50 aardappels

Gelieve zoo goed te zijn de straf daaromtrent volgens de wet bepaald, aan mij als een verkeerd gebiedende of een Elie gelijkende vader op te leggen.

Ofschoon ik niet met de wet maar wel met de magt van de directie van kolonie bekend ben

Klaas Visser


Bijlage 4: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 17-08-1837

Raad van Toezicht gehouden in kolonie No 2 den 17 Augustus 1837

Compareerde voor ons Johanna Keizer oud 22 jaren, dochter van Teunis Keizer, kolonist in kolonie No 2 1e wijk 2e sectie No 27 – van welke het gerucht ging dat zij zich in een zwangeren staat bevond.

Haar ondervraagd hebbende heeft geantwoord, dat zulks de waarheid was, en wel van den bij hun ingedeelde Jetze de Bree, welke binnengeroepen zijnde bekende dat zij van hem zwanger ging en reeds de 4e maand telde.

Zoo heeft de Raad geoordeeld hun naar de Raad van Tucht te verwijzen en alzoo den Raad gesloten op datum als boven.

Den Onderdirecteur A.H. Idserda
J. Crol
J. Verhagen
Dit X is de handtekening van Volkering
Morrien, secretaris


Bijlage 5: Proces verbaal door onderdirecteur Krieger van de Ommerschans


Op heden den 19e July 1800 zevenendertig is uit 's Gravenhage alhier aangebragt een jongeling genaamd Jacob Bolten en na hem te hebben ondervraagd of hij vroeger in de kolonie gevestigd is geweest, heeft hij geantwoord vroeger uit de kolonie Frederiksoord te zijn gedeserteerd, en wel op een vrijdag avond in het begin der maand Juny jl.

Tot reden van zijn desertie heeft hij opgegeven, dat zijn huisverzorger Lodewijks hem slegt behandelde, altijd zwaar vloekte en raasde en hem op die wijze dan ook de deur heeft uitgegooid, met bedreiging dat indien hij al wederom durfde binnen te komen, hem de hersenen te zullen inslaan, waarna hij bij den Onderdirekteur (de naam hem onbekend) hier over zoude hebben geklaagd, en tot antwoord bekomen hier aan niets te kunnen doen, alstoen zoude hij niet weder bij zijnen huisverzorger hebben durven terug komen en om die reden zijn gedeserteerd.

Aldus opgemaakt te Ommerschans op dag, maand en jaar als boven
De Onderdirekteur
J.F.Krieger


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag