Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien

van den 27 april 1839


Meest transcriptie, met enkele stukjes (cursief) samenvatting


Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt door den President aan de Raad medegedeeld het besluit van de Permanente Kommissie van den 16e dezer maand No 17 houdende de niet-bekrachtiging van het vonnis, door den raad van tucht dd 2 maart jl gewezen aan den kolonist N. Bating van kolonie No 3 als arbeidershuisgezin naar een der gestichten te Veenhuizen.

Den beschuldigde andermaal binnengeroepen zijnde kan hij nog niets tot zijne verschooning inbrengen, en wordt ook hem het besluit van de Permanente Commissie door den President kenbaar gemaakt.

De Raad, in aanmerking nemende dat hij werkelijk 52 kop rogge verkocht heeft en gelet op art ?? van het reglement van tucht, besluit, N: Bating met zijn huisgezin voor eenen onbepaalde tijd te verwijzen naar de Ommerschans, hetwelk hem daartoe binnengeroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt en waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht. 


Wordt gelezen een Proces Verbaal van den Raad van Toezigt van kolonie no 3 van den 25e dezer maand, houdende beschuldiging tegen den kolonist ....


- Teunis Donker tekort rogge -> arbhuisgezin VH



- Frans Dirks tekort rogge -> arbhuisgezin VH


- Mozes Bremer tekort rogge, en:

De Raad in aanmerking nemende dat dit almede een zeer slordig huisgezin is, waarom dit tekort hoofdzakelijk aan slordigheid en achteloosheid moet worden toegeschreven en daarbij gelet op Art 2 § g en Art 3 § 4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing onder de arbeiders te Veenhuizen op die misdrijven is gesteld.
Besluit:
Het huisgezin van M.A. Bremer te verwijzen als arbeiders Kolonisten naar een der gestichten te Veenhuizen, het welk hem hij daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt, en waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.



Daarna wordt in het zelfde Proces-verbaal gelezen de beschuldiging tegen den Kolonist J.H.J. Jaspers hoeve no 72, welke volgens getuigenis van de bestedeling L. Opperman, turf en aardappelen zonder voorkennis van den Wijkmeester van Buiten zoude hebben weggenomen.

Den beschuldigde binnen geroepen zijnde blijft hij zulks ontkennen.

De getuige L. Opperman binnen geroepen zijnde, kan de Raad zich uit hare verklaring niet genoeg van zijne schuld overtuigen te meer daar zij zeer onnoozel is, en
Besluit,
J.H.J. Jaspers met eene ernstige vermaning heen te laten gaan, hetwelke hem hij daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen in hetzelfde Procesverbaal de beschuldiging tegen de kolonisten kinderen zoonen.
Klaas de Vries, oud 15 jaren
Antonius Bolkensteijn, oud 17 jaren
Pieter van Putten, oud 17 jaren
Paulus Jansen, oud 18 jaren
welke allen baldadigheid zouden hebben gepleegd aan de Fabrijk te Willemsoord.

De beschuldigden allen binnen geroepen zijnde, willen zij hun misdrijf ontkennen, zijnde de Raad echter genoeg van de schuld der drie eersten overtuigd, gevende P. Jansen te kennen dat de fabrijksbaas van Galen zoude kunnen verklaren dat hij onschuldig was.

De Raad gelet op Art 2 § a en Art 3 § 1 van het Reglement van Tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen op dat misdrijf is gesteld.
Besluit
K. de Vries, A. Bolkensteijn en P. van Putten ieder de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, en P. Jansen vrij te stellen, zoo door van Galen zijnen onschuld bewezen wordt.
De beschuldigden allen binnen geroepen zijnde wordt hun zulks kenbaar gemaakt door den President.



Voorts wordt gelezen in hetzelfde Procesverbaal de beschuldiging tegen den bestedeling Johannes Heerings oud 17 jaren, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan desertie en de verkoop van een kantschop.

Den beschuldigde binnen geroepen zijnde verklaart, dat hij naar het bosch gaande om hout te zoeken, aldaar was verdwaald en uit honger de kantschop had verkocht.

De Raad houdt het er voor dat hij geen plan heeft gehad te deserteren en gelet op Art 2 § e en Art. 3 § 3 van het reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer opdat misdrijf is gesteld en daarbij in aanmerking nemende dat de kantschop weinig waarde had.
Besluit
Johannes Heerings de Straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem hij daartoe binnen geroepen zijnde, door den President wordt kenbaar gemaakt.



Nog wordt gelezen in hetzelfde Procesverbaal gedaan de beschuldiging tegen den Kolonist J.J. Aanhout Hoeve no. 150, welke

dronkenschap. 5 dagen strafkamer.


- Johan Andries Smit, zonder voorkennis van de directie hout gehakt. 3 dagen strafkamer.


Eindelijk wordt in hetzelfde proces verbaal gelezen de beschuldiging, tegen Clara, dochter van den kolonist J. Spel, van hoeve No 19, oud 22 jaren, welke door onzedelijken omgang met Pijbe Laverman, zoon van den kolonist van dien naam van hoeve No 30, zich in eenen zwangeren staat zoude bevinden.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, blijft zij zulks ontkennen.
De Raad zich niet genoeg van hare schuld kunnende overtuigen, besluit haar met eene ernstige vermaning heen te laten gaan.



Tenslotte wordt nog in hetzelfde proces verbaal gelezen, dat het bij nader onderzoek is gebleken, dat J. van der Zeyden van hoeve no 45, welke men volgens proces verbaal van den raad van tucht van den 2e maart 1839 niet genoeg heeft kunnen overtuigen, werkelijk van zijne tekort komende rogge heeft verkocht.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde, blijft hij zulks ontkennen.

De wijkmeester Kuperus verklaart echter, dat hij aan den boer Pielstra, wonende te Steggerda, een gedeelte heeft verkochten een ander gedeelte verruild voor een geit.

-> strafkolonie


Nav raad van toezicht van Wilhelminaoord van 23 april:

- Elske Volledorp, vrouw Poelstra (k2h44), dronkenschap --> 5 dagen strafkamer


Verder wordt gelezen in hetzelfde proces verbaal de beschuldiging tegen de kolonistendochter Wilhelmina van der Korst van Hoeve no 75, welke het huisgezin van de kolonist Bredenbeek zoude hebben beledigd.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, kan zij niets tot haare verschooning inbrengen.
De Raad gelet op...
Besluit
Wilhelmina van der Korst de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwel haar zij daartoe binnengeroepen zijnde door de president wordt kenbaar gemaakt.


Nav raad van toezicht van kol 1 van 8 maart:

- Maria Reling (= vrouw van Joseph van der Lugt) verpanden en verkopen van eenige goederen, 8 dagen strafkamer


Verder wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van Toezigt van dezelfde kolonie van den 25e dezer maand houdende beschuldiging tegen

den kolonist G.T. Gerritsma, welke in het Sterrenbosch een boom zoude hebben gehakt. Den beschuldigde als vrijboer buiten de kolonien zijnde turf te steken,

Besluit:

De Raad deze zaak tot zijne terugkomst uit te stellen.


- kolonist Pieter Brouwer (k1h34), diefstal kruiwagen turf --> 8 dagen strafkamer

- kolonist Eckhardt maakte tegen Geertrui van Hoogmoed en Cornelia la Tour, allebei 19 jaar, ongepaste uitdrukkingen over de buiten de kolonie dienende dochter van J. W. de Vries. Hij had gezegd dat die met een gestolen zilveren lepel was teruggekeerd. Hij zegt het gehoord te hebben van Maria Catharina de Koning die vroeger bij de Vries was ingedeeld.. Eckhardt krijgt 8 dagen strafkamer.



Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord 25-04-1839


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N. 3

Eerste gedeelte geen transcriptie


Daarna wordt binnenroepen den kolonist J.H.J Jaspers N72  die volgens getuigenis van den ingedeelden Lijsbeth Opperman oud 40 jaar, en des tijds bij Jaspers ingedeeld dat genoemde kolonist meer dan eens des nachts bij de wijkmeester J van Buiten turf en aardappelen van de bulten gehaald heeft,
Jaspers ontkend zulks, doch de onnozele G Opperman zou indien het niet waar was zoo iets niet inbrengen, waarom het wenschelijk is, dat Jaspers die naast den wijkmeester woont op eene andere verder afgelegene hoeve mag verplaatst worden .


Gedeelte geen transcriptie


(...) Clara dochter van den kolonist J. Spel H.19 oud 22 jaren, die zoo als hare vader zelve te kennen gegeven heeft zwanger is, daartoe binnen geroepen zijnde, ontkend zulks.
De raad houd het er evenwel voor dat zij wel in zwangerschap verkeert en onzedelijke verkering gehad heeft met Pijbe, zoon van den kolonist Laverman, hoeve no. 30, welke thans in militaire dienst is…


Rest geen transcriptie.


Aldus gedaan te Willemsoord den 25 April 1839


Bijlage 2: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 23-04-1839


Raad van Toezicht gehouden op Dingsdag den 23 April 1839

Alle leden present zijnde
Is gecompareerd de huisvrouw van den kolonist Poelstra wonende op hoeve No 44 in de 2 wijk, als door den wijkmeester Keizer bevonden, op Zondag den 20 Maart jl, overmaat van sterke drank te hebben gebruikt,
en wel in zodanige hooge mate dat er verschil in het huishouden is ontstaan,
zoo, dat dat de wijkmeester voornoemd, hier bij is tusschen moeten komen.

Haar ondervraagd hebbende.
Heeft zij geantwoord, dat zulks de waarheid was.


Verder wordt binnengeroepen den kolonist Bredenbeek, wonende in de 3e wijk op hoeve No 97, zich beklagende over de mishandeling zijner dochter, door Wilhelmina dochter van den kolonist van der Korst wonende in voornoemde wijk op hoeve No 75,
vergezeld met verscheidene scheldwoorden, op hem Bredenbeek toegepast, namentlijk dat hij voor straf op de Ommerschans was geweest, dat hij in Steenwijk zoo veel schulden had, dat hij in die plaats niet meer durfde komen, en dat hij bij de Heer van Royen te Doldersum overladen was met schulden als ook dat hij zoo verre was gevorderd, dan geen hemd met zijn geheel huisgezin meer aan te hebben, als nog dat hij Bredenbeek reeds door den drank verbrandt was.
Enz.

De dochter van Van der Korst, genaamd Wilhelmina wordt binnengeroepen, en haar ondervraagd hebbende, heeft geantwoord:
Het voorenstaande gedeeltelijk te hebben gezegd,
doch, de dochter van den kolonist Arends, welke in deze zaak tot getuigen moest dienen, ondervraagd hebbende, heeft verklaard dat hetgeen door Bredenbeek was opgegeven, de waarheid inhield.

De Onderdirecteur en wijkmeester Verhagen van de 3e wijk nemen de vrijheid de Raad van Politie en Tucht ter kennis te brengen dat voornoemde Bredenbeek een ijverig man voor zijn huisgezin is, en dat zij hem nimmer gezien of ondervonden hebben dat hij drank gebruikt, veel minder zich hier aan te buiten ging. En daarentegen het huisgezin van Van der Korst veel Ja! zeer veel te wensen overlaat.


Bijlage 3: Raad van toezicht van Frederiksoord 08-03-1839


GEEN transcriptie


Bijlage 4: Raad van toezicht van Frederiksoord 25-04-1839


Raad van Toezigt gehouden in kolonie no1

Donderdag den 25 april 1839

Al de leden zijn tegenwoordig

Achtervolgens worden gehoord de kolonisten L. Muijen, C. van den Bos, en J. Verboom, benevens den bestedeling P. Bresler, waarvan de beide eersten en den laatsten verklaren, in den morgen van den 10 dezer maand, naar hun werk gaande, in het sterrebos gevonden te hebben de zoon der weduwe van den vrijboer Gerritsma, Gerrit Tjalling genaamd, bezig met het kappen van een dennenboom.

De dader deswege voor de raad geroepen, is niet verschenen.


Rest zitting geen transcriptie.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag