Raad van Policie en tucht in de gewone Kolonien

op den 16 Mei 1840


Deels transcriptie, deels (cursief) samenvatting:


Mededelingen president:

- ingedeelde Desiré Joseph Le Clerc (K1H16) is teruggebracht van desertie en zit al in de Ommerschans

- kolonist Daniél van Dinteren heeft zich onderscheidene malen schuldig gemaakt aan misbruik van sterken drank en het verkoopen van goederen, volgens overgelegden brief van den Onderdirekteur, en is ten gevolge daarvan, tot voorkoming van verdere ongeregeldheden, den 13 dezer maand, voorloopig, overgebragt naar de Ommerschans.



Nav Raad van toezicht van kolonie No 1 van den 15 dezer maand, houdende beschuldiging:

- tegen Johanna Agneta Bloemendaal, ingedeeld bij de kolonist Bodenstaf (K1H78): misbruik sterken drank → 3 dgn strafkamer



Nav Raad van toezicht van kolonie No 2 van de 15 dezer maand, houdende beschuldiging :

- tegen Lourina Frankot, voordochter van Hendrik Arends: desertie → onbepaalde tijd Ommerschans (maar zij is andermaal al gedeserteerd)



Nav Raad van toezicht van kolonie No 3 van den 15 dezer maand, houdende beschuldiging:

- tegen de vrouw van kolonist Fellinga (K3H72): ontvreemden turf → Ernstige vermaning


- tegen Jan van Agteren, op hoeve N155 welke volgens aanklagte van de vrouwen van de kolonisten Van der Hulst en Scholten, voor 1½ jaar turf en voor 6 maanden geleden aardappelen zoude hebben ontvreemd.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, ontkent zulks.
De Raad houdt het er voor dat de beschuldiging onbewezn is en
Besluit
J. van Agteren met eene vermaning heen te laten gaan, hetgeen hem door den President wordt kenbaar gemaakt.


- tegen de weduwe Breek, die een zoons kind uit 's Hertogenbosch heeft doen ophalen en in huis genomen heeft.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, verklaart dat het kind, genaamd Ariana Breek, geboren is te 's Hertogenbosch den 30 November 1836. De moeder was geheten Theresia van der Graaf en is te 's Hertogenbosch overleden den 22 October 1837.
De raad laat de beslissing hierover over aan de permanente commissie.


- tegen den kolonist A.R. van Embden en zijne huisvrouw, welke den Israelitischen Onderwijzer Jacobson zouden hebben beledigd, volgens het mede hierbij gevoegde proces verbaal van genoemden Leeraar.
De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, ontkennen hun misdrijf op eene brutale wijze, vergezeld met onbetamende uitdrukkingen, omtrent hunnen Leeraar.
De getuigen biinnen geroepen zijnde, verklaart Boas dat zij den Leeraar gescholden hebben, Wilhelmina en Cornelis Nicola en Barend Matteman verklaren niet te hebben verstaan wat er onder hen voorviel.
De Raad in aanmerking nemende het gedrag van Van Embden en zijne vrouw voor den Raad, benevens de verklaring van Boas, houdt hen beiden voor schuldig, daarbij gelet op Art 2 paragraaf a en art 3 paragraaf 3 van het Reglement van tucht enzovoort besluit A.R. van Embden en vrouw acht dagen opsluiting in de strafkamer op te leggen.


- Grietje Snoek (K3H15): vernieling    → 3 dgn strafkamer


- Kolonistendochter Sara Posener: desertie → onbepaalde tijd strafkolonie


Bijlage 1: Brief van onderdirecteur Hoving van Willemsoord over kolonist Van Dinteren


GEEN transcriptie.


Bijlage 2: Brief van kolonist Daniel van Dinteren


GEEN transcriptie.


Bijlage 3: Raad van toezicht van Frederiksoord 15-05-1840


GEEN transcriptie.


Bijlage 4: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 15-05-1840


GEEN transcriptie.


Bijlage 5: Raad van toezicht van Willemsoord 15-05-1840


Eerste zaak over ontvreemden turf door Fellinga niet getranscribeerd

Jan van Agteren hoeve 155, die naar aanklagte van de kolonistenvrouwen van der Hulst & Scholte aardappelen verkocht en turf den wijkmeester van de bult ontvreemd zou hebben, de diefstal van turf zou nu 1½ jaar en de verkoop van aardappelen 6 maanden geleden gebeurd zijn.

Jan Agteren verklaart van niets te weten en aan geen van deze hem ter laste gelegde feiten zich schuldig gemaakt te hebben.

In overweging nemende dat geen van deze vrouwen iets van dien aard zoo lang konde zwijgen, houd men het voor kwaad spreeken, en wel om dat Scholte door den Raad van Politie en Tucht, is gestraft geworden met opsluiting in den strafkamer om dat hij aardappelen verkocht had en dat door J. van Agteren de directie is kenbaar gemaakt.


Weduwe Breek H 136 die een zoons kind bij zich heeft inwonen hetwelk haar meermalen verboden is hetzelve bij zich te mogen hebben en dat haar nu bij herhaling gezegd en verboden wordt.
Wed. Breek vraagt bij dezen zeer dringend dit kind bij zich te mogen houden daar de moeder van hetzelve overleden en den vader in militaire dienst is, waarom het dan ook wenschelijk was dat het kind in de sterkte der bevolking dezer kolonie mogt worden opgenomen.


A. R. van Emden en zijne vrouw Hoeve 117, die den kerkleeraar en onderwijzer der Israëliten N. Jacobson op eene verregaande wijze beleedigd hebben blijkbaar uit nevensgaande door N. Jacobson ingebragte klagte.

Van Emden en zijne vrouw zijn toen hun zoon te huis kwam zeggende door den onderwijzer te zijn geslagen in de School om dat hij zijn vraagboek vergeten had, dadelijk beide naar den onderwijzers woning gegaan om daarvan meer bepaald de reden van deze zoo harde straf te weten,

dit vragende ontvingen zij van den onderwijzer ten antwoord om dat ik wilde, waarop zij den onderwijzer ten antwoord gegeven hadden om dat wij UW geen 10,00 Mud aardappelen hebben willen verkoopen dat je van ons begeerde en later UW geen groote aardappelen van de Maatschappij voor UW kleinen geven wilde;

Gij zijt een huigelaar ons wordt verboden Zaturdags eenig werk te verrigten. Zelf worden wij bij herhaling van UW verboden ons brood bij den wijkmeester te halen, en op dien dag wordt menig maal en wel terwijl wij in de kerk zijn in UW tuin gearbeid, tot ergernis van alle.

Deze getuigen worden achtereenvolgend gehoord, als:

Wilhelmina, oud 17 jaren en Cornelis oud 15 jaren, kinderen van den kolonist Nicola Hoeve 116, Barend, zoon van den kolonist Matteman Hoeve 121 oud 16 jaren en den kolonist A. M. Boas, Hoeve 119.
Deze verklaren alle niets verstaan te hebben wat er tusschen den onderwijzer en van Emden en zijne vrouw is voorgevallen, als zijnde op eene afstand van een halve hoeve breedte er van af geweest zoo dat zij verklaren niets gehoord te hebben.

Jacob, zoon van den kolonist Nordt, Hoeve 49 oud 14 jaren die getuigd gehoord te hebben dat van Emden en zijne vrouw beide raasden en scholden “dat Gereformeerde hoerenkind, dien huigelaar, ik zal jou spreken dat je de stuipen krijgt, etc.

Daarna is weder C. Nicola binnen geroepen en met straffen bedreigd indien hij de waarheid niet wilde zeggen wat hij gehoord had en wat de andere getuigen hadden kunnen hooren, deze jongen nu verklaarde dat B. Matteman het naaste bij van Emden en zijne vrouw geweest is, maar niet korter dan de afstand van een halve hoeve breedte, hij zelve nog een weinig verder en J. Nordt een geheele hoeve breedte er van daan was, zoo dat die onmogelijk iets heeft kunnen hooren.

De voornaamste reden van dit verschil is deze:
De onderwijzer Jacobson en Nordt, zijn zoo als over bekend is groote vijanden geweest, om Nordt die onmin te zwaarder doen gevoelen, heeft van Emden zich wel eens door den onderwijzer tot het een en ander laten gebruiken en nu is dat alles geheel veranderd,
Jacobson en Nordt zijn weder vrienden en nu heeft van Emden uit spijt van dat alles alle pogingen aangewend en als het ware het er op gewaakt om het twistvuur weder te doen ontbranden.

De onderwijzer Jacobson maakt zich te eigen met de kolonisten, verlies daardoor zijn ontzag en van daar die onophoudelijken twist.


Gerritje Snoek van Hoeve 15 oud 16 jaren die eenige draden  katoen op haar getouw aan stukken gesneden heeft, weet niet ter verontschuldiging in te brengen en men houd het daarvoor dat zij niet haar werk afkrijgende om deze reden als tegenspoed voor boete meende verschoond worden.


Leendert de Jong, ingedeeld in Hoeve 57 oud 17 jaren, heeft in de Katoenweverij in een hoek gewaterd, dat door hem ontkend wordt maar door veele gezien is, door traagheid en onverschilligheid is ook deze jongen wel waardig gestraft te worden, en

In de kantlijn wordt gemeld dat dit niet in de raad van politie en tucht behandeld is als zijnde niet van eenig beduiden geweest.


Eindelijk Sara dochter van den kolonist Posener Hoeve 134 oud 19 jaren die den 10 Februarij 1838 zonder verlof de kolonie verlaten heeft.
Zij geeft voor te Amsterdam dienstbaar te zijn geweest en verzoekt indien zij naar de Strafkolonie mogt verweezen worden, naar Veenhuizen te gaan om aldaar bij de Israëlieten geplaatst te worden.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 15 Mei 1840
Hoving
B: Kuperus
Hazeloop
d. den ouden
F. de Plot

Bijlage 6: Hulpkreet van rabbijn Jacobson aan de landelijke hoofdcommissie tot de zaken der Israëlieten

Willemsoord 11 Mei 1840
               
Aan de Hoofd Commissie tot zaken der Israëliten ’S Gravenhage

WelEdele Gestrenge Heeren!

Ik zie mij in de onaangenaamste en tevens dringendste noodzakelijkheid, door deze UWelEdGestr te moeten berigten, dat, daar ik immer getracht heb, op de minzaamste wijze, ja zelfs gepaard met zelfopofferingen, rust en vrede onder mijne gemeente te behouden; dat ik zelve en ook mijne vrouw door grove beleedigingen als overladen zij geworden, van vele mijner gemeente, het welk tot loon verstrekt voor de onvermoeide pogingen dien ik voortdurend voor hun welzijn in het werk stelde.

Dat ik aan de Directie alhier, hier meermalen kennis van gegeven heb, die ook hen daaromtrent door ernstige waarschuwingen tot hunne verschuldigde pligten trachten terug te brengen, het schijnt echter dat door dit onbesuisde volk geen gehoor daaraan gegeven wordt; daar mij heden wederom zoo danig iets heeft moeten te beurt vallen door Abm Ruben van Emden en deszelfs huisvrouw, om reden, ik haren zoon enigzints gevoelig (naar haar zeggen) getuchtigd heb; wegens een boekje hem tot leering gegeven had zoek gemaakt.
De Grofste beleedigingen gepaard met de zwaarste bedreigingen werden mij onder vloeken en Schelden eerst in mijne woning en toen vóór dezelve door gemelde Abm van Emden en deszelfs huisvrouw toegevoegd, die ik echter mij wel wachte te beantwoorden, ofschoon dezelve zoo ten mijnen opzigte, als die mijner vrouw, in de vernederendste uitdrukkingen gebezigt werden.-

Weshalven WelEdele Gestr Heeren! ik bij dezen Ul: veel vermogende hulp in roepe, om te willen zorgen, dat door een zeer krachtig werkend voorbeeld aan bovengem: Abm van Emden en de zijne te geven, opdat de overige zulks niet meerder zich zullen onderstaan; terwijl mij anders in de dringendste noodzakelijkheid zie gesteld (ondanks ik mij, en vrouw en kinderen voor deze oogenblikken buiten betrekking zoude zien) bij zijne Exc: den minister op mijn ontslag te moeten aandringen, daar ik dit, boven het alhier ten grave zien dragen mijner dierbare nog zeer jonge vrouw prefereere.

Niet twijfelende of UWelEd:Gestr: zult aan dit mijn verzoek eenig gevolg geven, tot voorkoming van alle verdere voor ons alhier onaangename bejegeningen, hebbe ik de eer van met alle gevoel van hoogachting mij te noemen

WelEdeleGestrenge Heeren
UWelEd:Gestr: onderdanige dienaar
(was get:)  N. Jacobson
Israël. kerkleeraar in de gew: kolonie Willemsoord


Bijlage 7: Proces verbaal door rabbijn Nehemia Jacobson

Proces verbaal

Omtrent aangedane beleedigingen door Abraham van Emden en deszelfs huisvrouw Sara Doque aan den ondergeteekenden Israëlitisch kerkleeraar, tevens de post waarnemende van Godsdienstig en Maatschappelijk onderwijzer bij de Israëlitischen gevestigde gemeente in de vrije kolonie der Maatschappij van Weldadigheid Willemsoord.

Dat bovengem: Abm van Emden en deszelfs huisvrouw Sara Doque bij mij ondergeteekende kerkleeraar maandag ll. kwamen voorgevende, dat ik ondergeteekende haren zoon op de school zoude mishandeld hebben;
dadelijk hij van Emden den ondergeteekenden de vuist onder het aangezigt zette en hem dreigde met den vloek “God zal jou verd……. ik zal jou huigelaar wel krijgen, of de duivel haal je “!
dat den ondergeteekende hierop zeide “het is wel van Emden”, en sloot zijne deur van het woonvertrek.
Dat hierop beide genoemde zich in de school met bedreigingen en scheldwoorden hunne ontbrande toorn lucht gaven die echter door den ondergeteekenden niet hebben kunnen gehoord worden, daar zijne deur gesloten was,
dat opgemelde Abm: van Emden en deszelfs huisvrouw zich verder verstouten, zich, bij de woning van den ondergeteekenden en in het naar hunne woning terugkeeren daar de volgende scheldwoorden en lasteringen voort ????? als: “dat gereformeerd hoere kind met haar gereformeerde vader, dat zij geen getrouwde mans hoer was, ik ben geen kapiteins of luitenants hoer, zoo als die Haagse vervloekte gek, die zwendelaar en konkel, dat dieve pak van zijne vrouw –“

Dit werd door mijne dienstmaagd Hille Pothuis gehoord die den ondergeteekenden ook zeide dat natenoeme getuige zulks ook gehoord hadden als Mijntje Nicolai, deszelfs broeder Cornelis, Barend Matteman, Jacob Nord, zoo dat de hiergemelde Cornelis Nicolai hetzelfde ook dadelijk wederom vertelde in het wevershuisje aan zijne makkers, hetwelk desgevorderd ook onderzogt kan worden.

Dat meergem: Abm van Emden en deszelfs huisvrouw in het voorbij  gaan bij Abm Boas volgens zijne getuigenis zich zouden uitgelaten hebben.

Dat verders meergem Abm van Emden en deszelfs huisvrouw Sara Doque zich niet ontzagen door, bij mijnen terugkomst van den Heere Directeur dezer Koloniën dinsdag ll. in hunne schuur mij af te wachten en mij als overladen met scheldwoorden onder anderen “voor de raad zal ik eerst zeggen wie die knoeijer met de kolonisten, dien zwendelaar, die moordenaar onzer arme kinderen, dien huigelaar met zijn hoerenpak met zijn gereformeerd hoere kind is. etc.etc.

Dat den ondergeteekende zijnen weg volgende zich niet liet merken dat zulks hem geldt. dit alles zoude ook door getuigen, indien deze gevorderd worden, kunnen bewezen worden.

Overigens verzoekt den ondergeteekenden UE Heer onderdirecteur wien zulks tot informatie en nazigt moge strekken naauwkeurig nota te laten nemen van beide gemelde door mij aangeklaagde Abm van Emden en deszelfs huisvrouw Sara Doque hare gezegdens; ten einde door onderzoek bewezen zouden kunnen of gemelde gezegdens waarheid of laster zijn.

Aldus door mij ondergeteekenden naar waarheid opgemaakt en door mijne handteekening bekrachtigd op heden te Willemsoord veertien Mei achttien honderd veertig

De Israëlitische Kerkleeraar
N. Jacobson


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag