Raad van Policie en Tucht in de Gewone Koloniën

op den 19e Mei 1845


Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezicht van kolonie N3 van de 14 dezer maand houdende de beschuldiging:

1 tegen de bestedeling Maartje Boon, van hoeve N130 oud 23 jaren, welke door onzedelijken omgang met David Lazoe oud 26 jaren in eenen zwangeren staat verkeert.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, is alleen Maartje Boon verschenen, hebbende D. Lazoe de koloniën verlaten, welke eerste dan ook haar misdrijf bekent.

De Raad gelet op Art: 2§f en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Maartje Boon voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waar op de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt



2 tegen Heiltje van Eisden, welke alsmede door onzedenlijken omgang met Kornelis de Vries, welke als plaatsvervanger in Militaire dienst is getreden, in eenen zwangeren toestand verkeert.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent al mede haar misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§f en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

H. van Eisden voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waar op de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt

Daar het de Raad echter voorkomt dat de bevalling van beide nabij zal men den Directeur voorstellen om ze voorlopig te doen overplaatsen.



3 tegen Gijsbertus Mattheus van der Kleij, oud 21 jaren, welke zonder verlof de koloniën zoude hebben verlaten.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf, zeggende, dat hij in onmin leefde met zijnen broeder, die thans de Koloniën verlaten heeft.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

G.M. van der Kleij voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waar op de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



4 tegen  de kolonisten zoon Hermanus Maré, welke alsmede zonder verlof de koloniën zouden hebben verlaten.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Hermanus  Maré voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waar op de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



5 tegen  de bestedeling Elisabeth Bozer, welke  zonder verlof de koloniën zouden hebben verlaten en dadelijk na haar terugkomst is overgebragt naar de Ommerschans tot voorkoming van vernieuwde desertie.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

de verplaatsing naar de Ommerschans, van E. Bozer bij deze goed te keuren.



6 tegen de kolonist P.A. Schippers, welke hout zoude hebben ontvreemd uit het Bosch van eenen boerenerf te Ronde Blesse, hetwelk hij bij ontdekking daar gelaten heeft .
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§e en Art: 3§3 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

P.A. Schippers de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer en hem vrij te spreken van vergoeding daar het ontvreemde van geen waarde was, door de Boer ook niet gevorderd wordt en door hem daar gelaten is.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



7 tegen de kolonisten zoon Hendrik Scholten, welke rogge bij een Boer onder Steggerda van het land zoude hebben gesneden.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, zegt dat zulks door zijne jongere zusters zoude zijn gedaan, doch door hem in de zak gepakt.

De Raad deze zaak van dezelfden aard beschouwende als voorgaande.

Besluit:

Hendrik Scholten de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



8 tegen de kolonist B. van Putten, welke 3,52 Mud rogge op zijn oogst van vorig jaar zoude zijn tekort gekomen.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, is de vrouw verschenen daar de man sedert 5 jaren bedlegerig is
Vrouw van Putten verklaart ook hier dat het losbreken van de koe hoofdzakelijk de oorzaak van het tekort zoude zijn.

De Raad deze zaak als eene verregaande achteloosheid beschouwende en daarbij gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing  onder de arbeiders te Veenhuizen op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

het huisgezin van B van Putten te verwijzen onder de arbeiders te Veenhuizen.
Vrouw van Putten binnen geroepen zijnde heeft hier zeer veel tegen, wenschte gaarne in de gewone koloniën te blijven en wel van nu tot Aug ieder week 6 NP Brood laten staan en vervolgens 9 pond, om dat tekort spoedig aan te zuiveren
Daar het huisgezin voor het overige zeer ondergeschikt is en goed werken wil en het ook niet gebleken is dat zij rogge heeft verkocht zoude Raad gaarne zien dat de Permanente Commissie aan dit verzoek gehoor gaf.



9 tegen de kolonist J.C. Weenink, welke 2,41 Mudden rogge op zijnen oogst van vorig jaar zoude zijn tekort gekomen.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, erkent dit te kort, zeggend, dat vochtigheid  en het water in de schuur daarvan de oorzaak zouden zijn, dat  hij zich daarover bij den Directie had kunnen vervoegen en nader gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing  naar de gestichten te Veenhuizen op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

het huisgezin van Weenink te verwijzen naar de gestichten te Veenhuizen.
Ook dit huisgezin zoude gaarne verschoond willen blijven van die straf, door ’s wekelijks 6 pond Brood tot Aug te laten staan en vervolgens 9 pond, om deze schuld ten spoedigsten aan te zuiveren.
Het huisgezin is al mede niet ongeschikt waarom de Raad ook gaarne die straf zag verleggen.

In de kantlijn staat een opmerking van direteur der koloniën Van Konijnenburg die niet goed te lezen is, maar neer lijkt te komen op 'oorspronkelijke straffen uitvoeren'



Verder wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N2 van den 14e dezer maand, houdende beschuldigingen

1 tegen den kolonist Jan Bleissie wegens verzet tegen de wijkmeester Elsing door het verschil van een Brood, het welk de kolonist Bleissie vermeende te min te hebben ontvangen.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, blijft ontkennen het Brood te hebben ontvangen, de kolonist van der Walle verklaart gezien te hebben dat het huisgezin het bepaalde heeft ontvangen, de wijkmeester Elsing komt binnen en doet verslag op welke wijze hij hem het Brood heeft verstrekt, waaruit de Raad genoeg kan opmaken dat hij werkelijk zijn getal Brooden heeft ontvangen

De Raad gelet op Art: 2§g en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J: Bleissie de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem, hij daartoe binnengeroepen zijnde wordt kenbaar gemaakt.



2 tegen Johannes Jacobus Elmers welke een blaadje uit zijn schuldboekje zoude hebben gescheurd, waarop de boeten waren aangeteekend
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, verklaart dat zulks door de kinderen zoude zijn gedaan

De Raad kan geen geloof slaan aan deze gezegden, daar het dan al te zeer toevallig zoude zijn geweest dat er juist datgeene uitgescheurd was het welk hij er zoo ongaarne in zag en daarbij gelet op Art: 2§g en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J:J: Elmers de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer,
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3 tegen de kolonisten zoon Willem Leendert Lagcher, welke zonder verlof de koloniën zoude hebben verlaten.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf, zeggende, dat hij zijnen broeder naar Appelscha had gebragt en toen aldaar een paar dagen was  overgebleven.

De Raad gelet op Art:2§d en Art:3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

W.L. Lagcher voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans.
Gaarne zou de Raad zien dat de Permanente Commissie deze straf enigzints verzachte, daar hij slecht twee dagen is weg geweest en een goede werkman in de smederij is en daarboven door anderen is overgehaald en verleid.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: verzachtende omstandigheid; Het komt mij voor dat hij zich wel degelijk heeft schuldig is als hebbende zich verwijderd destijds zonder verlof van de kolonie hij ten einde bij zijn broeder zou werken, zie Procesverbaal van Kol N2 waaruit blijkt



4 tegen de bestedeling Baan Metzelaar wegens verregaande luiheid en onverschilligheid in de weverij
De beschuldigde binnengeroepen zijnde toont een groote onverschilligheid en kan niets tot zijne verschooning in brengen

De Raad in aanmerking nemende dat deze jongeling  volstrekt ongeschikt is  voor de gewone  kolonien en daarbij gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

B. Metselaar voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht



Nog wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van kolonie N1 van de 9e dezer maand houdende beschuldiging

1 tegen de bestedeling Hendrika van Putten welke voor de tweede maal uit de koloniën was gedeserteerd en vandaar naar de Ommerschans is terug gebragt
De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld daarbij overwegende dat zij moeijelijk in de gewone koloniën te houden is,

Besluit:

de overplaatsing van H.van Putten voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans bij dezen goed te keuren.



2 tegen den kolonist Geurt van der Hoef en de zoon van den kolonist Jan van der Hoef, genaamd Hendrik, welke de wijkmeester Uhl door lasteringen zoude hebben beledigd.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde verklaart Geurt van der Hoef niet ander verhaald te hebben dan hetgeen hem door zijnen Broeder gezegd was.
Hendrik van der Hoef verklaart wel gezegd te hebben dat er slechte aardappelen onder gevoegd werden doch niet had gesproken over verrotten

De Raad beschouwdt alleen Hendrik van der Hoef als oorzaak der lasteringen en daarbij gelet op Art: 2§a en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

H. van der Hoef de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem wordt kenbaar gemaakt



3 tegen de kolonistenzoon Jan Wibier, welke de bestedeling Jan van Leeuwen door scheldwoorden zoude hebben beledigd.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde verklaart Jan van Leeuwen te hebben gescholden omdat hij een ingedeelde had geslagen.

Wat het gebruik van sterken drank in de Fabriek betreft daarvoor heeft men geene grondige bewijzen kunnen bekomen, daar de fabriekbaas wel verklaart een flesch te hebben gevonden, doch dat daar in water geweest was
De Raad de zaak van eenen geringen aard beschouwende, Besluit Allen met eene ernstige vermaning heen te laten gaan



4 tegen den kolonist Cornelis Johannes Zuidhoorn, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan het misbruik van sterken drank.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§e en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

C.J. Zuidhoorn de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem , hij daartoe binnengeroepen zijnde wordt kenbaar gemaakt

Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord den  9e Mei 1845

C. Hulst
L: ten Broek
P Hertog
J Arsli
P Souvereijn
F.J.P. van Marle  secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord 14-05-1845


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N3

Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt binnen geroepen de koloniste zoon David Lasoe hoeve N143, oud 26 jaren en de ingedeelde Maartje Boon hoeve N130 oud 23 jaren waarvan door onzedelijk verkeering laatstgemelde zwanger is aan welk misdrijf zij bekennen schuldig te zijn.

Daarna wordt Neeltje dochter van de wed. van Eisen hoeve N111 binnen geroepen, oud 24 jaren, die zich mede in zwangeren toestand bevindt, door onzedelijke verkeering met Kornelis de Vries, die niet meer tot de koloniën behoort, als hebbende de kolonie verlaten door, als plaatsvervanger in militaire dienst te treden
Ook zij bekend haar misdrijf
 
Nog wordt binnen geroepen Gijsbertus Mattheus van der Kleij hoeve N97, oud 21 jaren die den 26 Maart jl gedeserteerd en den 16 April jl teruggekomen is
Hij weet niets ter verontschuldiging in te brengen

Ook wordt binnengeroepen Hermanus zoon van kolonist Maré hoeve N136 oud 18 jaren tegelijk met voorstaanden gedeserteerd en teruggekomen.
Ook hij weet niets geldend ter verontschuldiging in te brengen

L. Bozer bestedeling in hoeve N67 was de 5e November jl gedeserteerd en den 4 April ll teruggebragt uit Stavoren, - deze is reeds naar Ommerschans overgeplaatst.

Nog wordt binnengeroepen de kolonist P.A. Schippers die door den Onder Direkteur betrapt is, hout te steelen uit een boschwal van eenen boerenbedrijf in de nabijheid dezer kolonie gelegen, de ronde Blesse genaamd.
Hij geeft voor weinig turfs gehad te hebben en daarom eenig brandhout uit dat bosch te hebben gehaald, - of hij veel – of weinig turfs had mogt dit toch niet geschieden.

Nog wordt binnen geroepen Hendrik, zoon van de kolonist Scholte, hoeve N151, oud 18 jaren die van een boerenerf onder Steggerda gelegen groen rogge heeft afgesneden voor de koe, op welke daar hij betrapt is door eenen boer uit dien plaats, welke daarover heeft geklaagd, en waarom  men de genoemden jongem heeft ondervraagd, die zegt het nooit weder te zullen doen- hij had wat rogge en gras in eenen zak, maar toch te veel was om het door een ander van het land te laten halen

Daarna wordt  binnen geroepen vrouw van Putten hoven N39 (die man is ziek) beneden taxatie ingeleverd 3,32 mud Rogge en moet inleveren 13,33 Mudde, dus ruim ¼ gedeelte van het geheel.
Zij geeft voor dat de koe er drie malen in geweest is en daardoor veel schade veroorzaakt heeft, dat kan waar zijn, maar, indien die koe het tekort in drie malen gebruikt had, zoude zij niet meer leven, dat is duidelijk maar een praatje, het tekort is verkocht of verwaarloosd

Nog wordt binnen geroepen de kolonist Weenink hoeve N167, die 2,41 mud Rogge te min ingeleverd heeft op een taxatie van 10-16-7 Mud dit is ook bijna een 1/20e gedeelte.
Hij geeft voor: dat de Rogge bij de taxatie nat was, hetgeen bewezen wordt onwaarheid te zijn, en geeft nog ter verschooning voor dat zijn deel bij het dorschen nat was waardoor veel rogge is verloren gegaan.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 14 Meij 1845

JH  Hoving
J van Agteren
J. Klijzing
P. Hertog
T. de Plot


Bijlage 2: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 14-05-1845


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N 2 op Woensdag den 14 Mei 1845

Alle leden present is

Voor den Raad moeten komen den kolonist Jan Bleissie wonende in de 3e wijk op hoeve N96 als hebbende zich schuldig gemaakt aan verregaande  dadelijk verzet tegen den wijkmeester Elsing
Met daadzaken als aangrijping, hetwelk ontstaan is door dien voorn kolonist prétendeerde nog een brood van de wijkmeester te moeten hebben, hetwelk bezijden de waarheid was, hij ’s wekelijks drie broden en 10 ct ontvangt
Dit geval heeft nog eens plaats gehad doch is door de wijkmeester in minzaamheid geschikt geworden met hem 6 ct brood te geven waaruit dit ontstaan was.
Binnen geroepen zijnde heeft alles ontkend en zooveele eeden, verwenschingen en vloeken gebezigd dat de Raad genoodzaakt is dat verder aan de wijsheid van de HH leden der Raad van Tucht te moeten overlaten.

Verder is voor den Raad geroepen de kolonist Johannes Jacobus Elmers uit hoofde er uit zijn schuldboekje een blad is uitgescheurt, zijnde waarop de boeten is genoteerd wegens verregaande luiheid en het turfe voor het zelfde geval als voorheen met Schurmans en Westerveld heeft plaatsgehad

Ook is voorde Raad geroepen de kolonistenzoon Willem Leendert Lagcher  hebbende zich zonder verlof op maandag den 21 April jl van de kolonie verwijderd en vanzelve weder teruggekomenn op woensdag de 23 dier maand
Hem ondervraagd de reden van zijnene verwijdering op te geven heeft hij geantwoord dat hij plan had turf te steeken te Appelscha

Mede is voor de Raad geroepen Baan Metzelaar wees van ’s Hage oud 18 jaar thans ingedeeld bij de wed. Joossens ter zaken dat hij zeer onverschillig is en zijne werkzaamheden in den katoenweverij zoodanig dat hij ’s weekelijks 10 baal moet worden
De Raad heeft hem tot beterschap aangemaand waarop hij verkoos naar de Ommerschans te worden overgeplaatst

De leden van den Raad van Toezigt hebben gemeend van een en ander aan den Raad van Tucht te moeten kenbaar maken

Fredriksoord 14 Mei 1845
De president
A W Idserda
A.Croll
A Keizer
P Souvereijn
Morriën secr


Bijlage 3: Raad van toezicht van Frederiksoord 09-05-1845


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N 1 op Woensdag den 9e Mei 1845

Waarbij alle leden tegenwoordig zijn

Overgegaan tot de zaak van Hendrikus van Putten, oud 14 jaren, welke voor de 2e maal is weggeloopen op den 23 Januarij en de 24e daaraanvolgende teruggebragt  en de 23 Februarij jl teruggebragt aan de Ommmerschans in de maand Maart jl, zodat hij alhier niet heeft kunnen verschijnen, doet de raad hiervan verslag aan de Raad van Politie en Tucht om hier over te kunnen handelen;


Vervolgens geeft de wijkmester J. Uhl aan de raad te kennen dat aan hem het berigt is gegeven, dat door en vanwege Geurt van der Hoef het gerugt is uitgestrooid, dat het meerendeel der door hem wijkmeester aan de 3e wijk  toegezonden aardappelen uit verrotte bestaan zou en op een bedriegelijke wijze boven over met goede gedekt waren.
Verzoekende hij wijkmeester, dat hier omtrent noodig onderzoek zou gedaan worden, en wel onder meerdere bij den kolonist J. Lhembroek als ooggetuige van hetgeen door Hendrikus van der Hoef aan hen gezegd is geworden.

Deze binnen geroepen zijnde, zegt genaamd te zijn Johannes Lheimbroek, oud 47 jaren kolonist verklarende wijders in substantie, dat aan hem getuige door H. van der Hoef gezegd is dat hij door den wijkmeester Uhl is belast geworden om de aardappelen ter verzending naar de 3e wijk bestemt te sorteren en de rottige, zoo er uit te schieten, dat de slechten onder de goeden boven onderkwamen te leggen; dat zijn broeder Geurt hem gevraagd had “hoe leeft de wijkmeester met de aardappelen en bijvoegende “ik ben de wijk wel uit, maar zal de wijkmeester toch wel krijgen”

Dat overigens de beschuldiging van G van der Hoef geheel tegen de waarheid is als hebbende de wijkmeester juist het tegendeel gelast en namelijk de bedorvene er geheel uit te laten, zodat de 3e wijk er geen van moest hebben en dat deze slechts dient om de wijkmeester in ongelegenheid te brengen, als oorzaak van dit opzet opgevende het verstoord zijn van van der Hoef en de zijnen op de wijkmeester ter zake van het weren van het steken van zooden op de Vledderheide daartoe intusschen hij de wijkmeester door den Directeur gelast was - dat eindelijk deze uitstrooijing ten naams van den wijkmeester geschiedt is op het verhaal van Hendrik van der Hoef door zijnen broeder Geurt van der Hoef, door geheel de 3e wijk

Daarna is voor de raad verschenen de kolonist Jacobus van Attekum, oud 52 jaren, wiens verklaring hoofdzakelijk hierop neerkomt, dat Geurt van der Hoef aan hem gezegd heeft, dat onder de ingezonden aardappelen zich veele bedorvene bevonden en wel der wijze, dat deze onder en de goede boven gelegd waren, hebbende Geurt van der Hoef er bijgevoegd mijn broeder heeft het mij gezegd.

Hendrik van der Hoef, oud 17 jaren hierna binnengeroepen zijnde, ontkent grootendeels het door de getuige Lheimbroek verklaarde, te kennen gevend dat hij door de wijkmeester belast was om de aardappelen te sorteren en de slechten er uit te zoeken, doch dat hij aan Lheimbroek alleen gezegd had dat het wel gebeuren kon dat er zich bedorvene onder bevonden.

Geurt van der Hoef op gelijke wijze zich bepalende tot het ontkennen van het hem ten laste gelegde feit van lastering, betuigd alleen te hebben gezegd, dat er zich veele bedorvene onder de gezonden bevonden, doch dat hij dacht dat er ook wel goede onder zijn konden.

Het is overigens de raad van toezigt voorgekomen dat de korte maar pertinente en duidelijke getuigenissen van Lheimbroek en van Attekum in verband met elkander en in tegenstelling van wijffelende houding de verdraaijingen en de omwegen van Hendrik en Geurt van der Hoef het gebezigd hebben hunner lasterlijke uitdrukkingen ten opzigte van den wijkmeester Uhl maar al te zeer in het licht stellen uithoofde waarvan de raad van toezigt ook op dringend verzoek van de gemelde wijkmeester de behandeling dezer zaak aan de wijsheid van den raad van Politie en Tucht nadrukkelijk vermeend te mogen aanbeveelen


Is verschenen voor dezelfde raad Jan van Leeuwen, oud 22 jaren, wonende bij den kolonist Klaver hoeve N17, te kennen gevende, dat hij door den zoon van de weduwe Wiebier, koloniste wonende alhier op hoeve N25 in den namiddag van den 2e Maart  is uitgescholden geworden voor Smeerlap en uitgedaagd om met hem te vechten opgevolgd door meerder bedreigingen, dat hij klager hieraan geen gehoor willende geven, echter de voortdurende tergingen van gezegde Wiebier moede zijn wedervaren aan den Onder Directeur heeft te kennen gegeven met dat gevolg dat hij nu voor de raad als klager tegen de gezegde Wiebier optreed als getuige Klaas Bijvoet welke er van den beginne is bij geweest en daarna Anna Lawende en Elizabeth van Keulen welke de uitdrukkingen van Jan Wiebier mede zouden aangehoord hebben

De raad den getuigen hebbende doen binnen staan verklaart Klaas Bijvoet ingedeelde bij den kolonist van Ham (oud 22 jaren), dat hij gehoord heeft dat Jan Wiebier de bovengemelde uitdrukkingen van Smeerlap tegen van Leeuwen gebezigd heeft, ontkennende echter de uitdaging en opgevolgde bedreigingen

Elizabeth van Keulen en Anna Lawende getuigen dat Jan Wiebier gezegd heeft dat zij drie groote smeerlappen waren daarmee bedoelende Cornelis Verboom. Cornelis Zuidgeest en Jan van Leeuwen, alle adsistenten buiten de weverij dat zij maar moesten opkomen hij zoude hun wel slaan etc.

De beklaagde Jan Baptist Wiebier boven gemeld en omschreven oud 22 jaren binnen geroepen zijnde, erkent dat hij de gemelde uitdrukkingen tegen van Leeuwen gebezigd heeft, met ontkenning echter van de uitdaging en verdere bedreigingen
Op de vraag met welk regt hij deze schampnaam aan van Leeuwen en de verdere adsistenten had toegevoegd geeft de beklaagde ten antwoord dat het voorgevallene in de groote werkplaats der katoenweverij deze kolonie hem hiertoe aanleiding gegeven heeft, dit uitbreidende en verklarende door te zeggen dat de Adsistenten voornoemd, gedurende de afwezigheid van de baas Eman in het kantoortje sterken drank gebruikten en met de weverinnen Leijda Franken en Johanna Mahof voortdurend stoeiden  dat dit door zijne zuster Ninni is gezien omdat deze hierover lachte, haar door de adsistenten is toegevoegd dat zij haar wel zoude vinden, zoals later door haar verplaatsing op een ander getouw is gebleken, hetgeen intusschen naar luid der verklaring van den baas op zijn last is geschied en nader als getuigen van het gebeurde in het kantoortje opgevende Antonius van Ham en Jan Smies.

De eerstgenoemde  hierop binnenstaand verklaart dat in het begin der maand April en wel in de namiddag op donderdag door hem is gezien dat de meergenoemde adsistenten in het kantoortje sterken drank gebruikten en met de bovengenoemden meisjes gestoeid hebben; dat wijders het gebruik van drank vrijdag is ontgaan-  dat den flesch met drank door het raam is ingenomen en op den zolder verborgen gehouden alwaar het door de baas is gevonden, welke den genoemde adsistenten hier over berispt heeft, zijnde overigens de baas meestal afwezig geweest.

De tweede getuige Jan Smies begint met te zeggen dat hij niets gezien, maar alles van horen zeggen heeft, terwijl zijn geheugen allengs wakker geworden en voortgaat met te verklaren dat hij wel weet dat het er niet toeging zooals behoorde en op de vraag waaruit hij dit had kunnen opmerken eindigde met te getuigen dat hij dat bemerkte uit het voortdurend blijven van den adsistenten in het kantoortje en het stoeijen met de meisjes, uit hunne houding, taal en zwevende gang mitsgaders het gejoel der toeschietende jongens en meiden, dat hij tevens de anderen heeft horen spreken over het vinden van eene flesch met drank door den baas.

De Opziener der katoenweverij de baas Eman voornoemd in de raad geroepen en verschenen bepaald zich tot eenvoudige verklaring dat door hem niets is gehoord, gezien of bespeurd geworden.


Is eindelijk voor den raad geroepen Cornelis Zuidhoorn, wonende alhier op hoeve N142, oud 28 jaren ter zake dat hij zich op den 5 dezer maand zoude hebben schuldig gemaakt aan misbruik van sterken drank
De beschuldigde binnengeroepen zijnde en des wegen ondervraagd erkent zijn misstap ter verontschuldiging er bij voegende dat hij door den verkooper der varkens op sterken drank is getracteerd geworden en juist niet door de groote hoeveelheid van den drank  maar door den lange weg is bedwellemd geraakt
Dat hij overigens zich nimmer aan deze verkeerdheid heeft schuldig gemaakt en zijn leedwezen er over betuigende.

De Raad van toezigt vermeend met te mogen bijvoegen dat de opgemelde Zuidhoorn bij alle leden van den raad bekend staat als een ijverig en ordentelijk man weshalve zij vermeend hem aan de belangstelling van de raad van Politie en Tucht te mogen aanbevelen

Aldus gedaan op datum, maand en jaar als

De President
H Faaken

De Leden
J: Arsi
W Taatgen
J. Uhl

Secretaris
J Heerkes de Vries


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag