Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien op den 30 Junij 1859


Alle leden zijn  tegenwoordig,

Worden gelezen twee Processen verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N. 1 van den 8 & 15 dezer maand, houdende beschuldiging

1 tegen de kolonisten huisgezinnen van S. Pronk en P. H. Hess wegens onderling schelden en kijven en daaruit ontstane vechtpartijen
De getuige A  Boon wordt gehoord en verklaart gezien te hebben dat ze allen met elkander slaags waren dat Hess eindelijk op den grond was gevallen en Pronk er boven op en dat hij laatstgenoemden er had afgehaald.
De getuigen Verschoor, Landsbach en Olie verklaren allen gezien te hebben dat zij slaags waren en dat Olie tweemalen Hess van Pronk had gehaald en dat Hess de eerstbeginnende zoude zijn geweest.
Pronk verklaart dat hij, naar huis gaande, Hess had gegroet en die toen was beginnen te schelden en razen.
Hess verklaart dat Pronk eene kat van hem zoude hebben vermoord en daar door de ruzie was aangekomen.

Het is de Raad gebleken dat Hess de aanleidende oorzaak van de ruzie zoude zijn geweest en daarbij gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

P. H. Hess de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer en hem tevens te doen overplaatsen in eene andere wijk of kolonie, tot voorkoming van nieuwe verschillen.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



2 tegen de bestedeling Johannes Verbrugge welke zich aan dronkenschap zoude hebben schuldig gemaakt.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde bekent zijn misdrijf.
De Raad gelet op Art 2 § c & Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld

Besluit

J. Verbrugge de straf op te leggen van 3 dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen een proces verbaal van de Raad van toezigt van Kolonie N. 3 van den 28 dezer maand houdende beschuldiging

1 tegen de bestedeling Gezina Jansen welke op eene onzedelijke wijze met den kolonist Cornelis van Ham door den kolonist Johannes Hessing zoude zijn gevonden in een boschje op den kerkweg.
De kolonist Hessing is niet verschenen hebbende voorgegeven dat hij ongesteld was.
Gezina Jansen wordt binnen geroepen en verklaart dat van Ham over eene struik was gevallen en hij haar ter hulp had geroepen om hem wederom in de been te krijgen, waarop Hessing was aangekomen en hen toen had beschuldigd van onzedelijkheid
De kolonist Van Ham wordt binnen geroepen en doet genoegzaam de zelfde verklaring.
De Raad kan niet denken dat de beschuldigden op de publieke kerkweg onzedelijkheid zouden bedrijven en kunnen zich ook niet overtuigen van hunne schuld doordien Hessing niet  is verschenen, waarom zij moeijelijk eene straf hierop zoude kunnen toepassen en Besluit

G. Jansen en C. van Ham met eene ernstige vermaning heen te laten gaan, waartoe beiden worden binnen geroepen.



2 tegen den kolonist Arnoldus Jansen welke een kruiwagen en tafel buiten de kolonien zoude hebben verkocht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, verklaart alles voor laster zeggende dat zulks genoegzaam is bewezen doordien de Wijkmeester onderzoek in zijn huis had gedaan en alles aanwezig had bevonden.
Jan Zwak komt binnen en zegt dat hij den persoon zoude kunnen aanwijzen aan wien hij de tafel had verkocht zonder dat de persoon echter verschenen is.
De Raad zich niet genoegzaam kunnende overtuigen van de schuld van Jansen

Besluit

Hem met een vermaning heen te laten gaan, waartoe Jansen wordt binnen geroepen.

Aldus gedaan in de Raad te Frederiksoord, den 30 Junij 1859

(get) C. Hulst, M.A. Overhoff, F. Burks, J. Asperslag, L. ten Broek, van Marle, secretaris


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3283

Notities bij het zittingsverslag