Raad van Tucht, gehouden te Frederiksoord den 24 Mei 1860


Alle leden zijn  tegenwoordig

De Raad van Tucht

Gelezen een procesverbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N: 1, van 23 Mei, inhoudende eene door den Directeur der M. v. W. ingebragte beschuldiging van dronkenschap tegen den kolonist S. M. Coenraads, Kol. 1 hoeve N: 2a

De beschuldigde binnen geroepen geeft op de aan hem gerigte vraag, of het hem ten laste gelegde feit, met de waarheid overeenkomt, een toestemmend antwoord, er bijvoegde, dat hij er berouw over gevoelt, en zich daaraan in het vervolg niet weder zal schuldig maken terwijl hij de Raad verzoekt  de minst mogelijke straf op hem toe te passen.

Overwegende dat de beschuldigde voor de eerste maal in beschonken toestand is aangetroffen.

Overwegende, dat zijn voorkomen de kenteekenen draagt dat hij berouw gevoelt over het gebeurde.

Gelet op Art: 102 Litt c, in verband met het eerste gedeelte van art: 103 van het Reglement van beheer.

Besluit

Den kolonist S. M. Coenraads voornoemd, ter zake voorschreven te veroordeelen tot een dag opsluiting in de strafkamer. En wordt de uitvoering hiervan aan den Onder Directeur van Kol: 1 opgedragen.



Gelezen een proces verbaal van den Raad van Toezigt van Kol: N. 3 van den 16e Mei 1860, waarbij de kolonist Pieter Holland Hess hoeve 143, van Kol: N: 3 beschuldigd wordt van verduistering van bouwmaterialen in voornoemd proces verbaal naauwkeurig omschreven aanwezig in de afgebrande en thans wederom opgebouwd wordende woning van genoemden Hess.

Gehoord de getuigen, zooals die in het hierbij overgelegde proces verbaal, achtereenvolgend worden vermeld, welker verklaringen met de vroeger afgelegde overeenkomen, terwijl de getuige van Galen bovendien verklaart, dat Hess zijn zwager Asperslag die de eerste geweest is, welke van de vermiste voorwerpen gevonden heeft bedreigd had, hem een froets te zullen spelen, waarvan hij niet zou opfrisschen, hebbende hij zulks gezegd in tegenwoordigheid van den mede hier verschenen getuige K. van Buiten die dit bevestigd.-

Gehoord den beschuldigde die al het hem ten laste gelegde ontkent, ook de bedreiging door hem aan van Galen rakende Asperslag gedaan, terwijl hij te zijner verontschuldiging aanvoert, dat hij niet altijd bij het huis heeft gewaakt en slechts korten tijd in het bezit der sleutels is geweest.

Overwegende, dat de goederen in het huis aanwezig, aan Hess ter bewaring waren toevertrouwd, die bij den opbouw als opper?? was aangesteld.

Overwegende, dat het niet wel mogelijk is, dat iemand anders dan den beschuldigde zoo vele en veelsoortige materialen heeft kunnen verduisteren en de beschuldigde tijdens de ontdekking, de sleutel van het huis binnen welke die goederen bewaard waren, onder zijne berusting had.

Overwegende dat de kalk gevonden is, in den grond binnen het huis, en er die bezwaarlijk door derden zou kunnen worden uitgehaald, wanneer de sleutel in handen was van Hess, of het huis later door hem en de zijnen weder was bewoond.

Overwegende dat de afgelegde verklaringen van de getuigen, in verband met het vorenstaande, genoegzamen grond opleveren om te veronderstellen dat niemand  anders dan de beschuldigde dader is van het gepleegde feit waarvan de Raad innerlijk overtuigd is.-

Gezien Art: 102 Lett F: in verband met Art: 103 4 van het reglement van Beheer

Besluit

De kolonist Pieter Holland Hess en diens gezin het verder verblijf in de koloniën te ontzeggen.

En zal dit besluit overeenkomstig Art: 111 van voornoemd reglement aan de goedkeuring van den Heer Voorzitter Commissaris worden onderworpen.-

Frederiksoord, 24 Mei 1860

(get) C. Hulst, Voorzitter, W. Wolfs, Burks, M. A. Overhoff, Borger, secretaris


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3283

Notities bij het zittingsverslag