20 april 1885: Proces verbaal van het getuigenverhoor in zake Vossebelt voor den Commissaris Jhr Mr de Savornin Lohman, ten getuige van den Directeur

Leentje Klijzing deelt in hoofdzaak het volgende mede.
Het gezin Vossebelt was bevriend met dat van haar Vader.
Zij kwam ook dikwijls ’s avonds bij de Vossebelts praten, in den regel werd zij dan thuis gebracht door de dochters, zoo deze afwezig waren door Vossebelt.
Deze had meermalen onzedelijke praatjes gehouden, volgens haar zeggen echter slechts eenmaal tot dadelijkheden gekomen, hij zou daarbij geweld gebruikt hebben en daar hij zoo veel sterker was kon zij zich niet verzetten, zij duide de plaats aan als te zijn gelegen bij de vroegere touwbaan, terwijl het voorviel tusschen tien uur en half elf.
Vossebelt had haar ook gezegd, dat zij niet bang behoefde te zijn voor de gevolgen, want dat hij daar wel voor zou oppassen, nog deelt zij mede dat zij een paar glaasjes likeur gedronken had en dat dit haar opgewonden had gemaakt.
Vossebelt bleef later voortdurend bij haar vader aan huis komen en informeerde meermalen hoe het er mede stond.

Weduwe Kranendonk legt in hoofdzaak de volgende getuigenis af.
Vossebelt kwam als wijkmeester meermalen bij haar aan huis.
Slechts enkele keeren had hij onzedelijke handelingen met haar gepleegd, ze meende ongeveer vier malen.
Dit geschiedde in den namiddag na het koffie drinken, er was dan slechts een kind thuis terwijl de anderen naar school waren.
Op de vraag of het met haar wil geschiedde antwoorde zij, dat zij een arme weduwe was en zich niet tegen den Wijkmeester durfde te verzetten.
Op de pertinente vraag of nog anderen zich wel aan dezelfde feiten met haar hadden schuldig gemaakt, antwoorde zij van ja en wel de Onder Directeur Schothorst.
Dit was ook slechts enkele malen gebeurd en steeds overdag.
Beiden hadden volgens haar maatregelen genomen dat er geen gevolgen van konden komen.

G. Jacett, vrijboer deelt mede dat voor een jaar of vijf Vossebet eens bij hem gekomen was toen zijn vrouw alleen te huis was, hij had eerst een praatje gemaakt en had haar vervolgens beet gepakt en gezegd dat hij een zoen wilde hebben.
Zij had dit echter geweigerd en verklaard dat zij er niets van weten wilde.
Vossebelt had na dien tijd geen pogingen meer in het werk gesteld.

De dochter van den vrijboer Jordan verklaart, dat zij voor een paar jaren bij hare getrouwde zuster alleen in huis zijnde en bezig om het bed op te maken, een bezoek had gekregen van Vossebelt.
Deze wilde zijn pijp opsteken, hield onbehoorlijke praatjes en wilde een zoen van haar hebben.
Zij verweerde zich echter en stond het niet toe.
Vossebelt had zich toen verwijderd en later geen poging meer ondernomen.

Vossebelt legt in hoofdzaak het volgende getuigenis af.
Op de vraag, of hij weet wat er over hem gesproken wordt antwoordt hij bevestigend.
Op de vraag of hij het erkent, antwoordt hij neen, nooit.
Hij wijt alles aan laster, waar men zich niet tegen kan verweren.
Hij heeft Leentje wel nu en dan thuis gebracht, doch nimmer onkuischheid met haar gepleegd. Wel heeft hij nu en dan eens een gekheid aan haar gezegd, doch verder is hij nooit gegaan. Van de hele zaak van Leentje Klijzing wist hij niets af voor dat hij een schrijven ontving van den vader van Leentje, waarin deze hem verweet dat hij de oorzaak was van haar ongeluk en dat hij voor het vervolg alle vriendschap opzegde.
Op de vraag welke reden Leentje Klijzing er voor kon hebben om hem te noemen antwoorde hij dat hij zulks niet wist doch dat het mogelijk wel was om een ander en hier bedoelde hij den
Onderdirecteur Schothorst te redden.
Hij kon er echter niet meer van zeggen, zijn hoofd liep in den laatsten tijd om.

Leentje Klijzing weder binnen geroepen antwoordt op de pertinente vraag of een ander dan Vossebelt zich wel vrijheden met haar veroorloofd heeft, ten stelligste ontkennend.
Zij zegt dat zij weet dat Vossebelt den Onderdirecteur er mede wil betichten, al moest ze er voor sterven, zou ze blijven verklaren dat Schothorst zich nimmer onbehoorlijk tegen over haar had gedragen, doch dat Vossebelt en hij alleen de schuldige was.
Hiermede was het getuigen verhoor afgeloopen.



Commissarissen der Maatschappij van Weldadigheid

Gehoord het voornemen van den Directeur om J. Vossebelt als Wijkmeester te ontslaan
Gelet op den uitslag van het namens hen ingesteld onderzoek naar de aanleiding tot dat ontslag

Overwegende, dat niet alleen het ontslag van den ambtenaar noodzakelijk is, maar zijn verder verblijf in de Kolonien moet worden geacht te zijn in het nadeel der bevolking

Besluit,

 dat J. Vossebelt voornoemd vóór of op 1 Mei a.s. de Kolonien der Maatschappij van Weldadigheid zal moeten  verlaten.
Belasten den Directeur met de uitvoering van dit besluit

20 April 1885

Commissarissen voornoemd
(get) J. H. W. Quarles van Ufford, voorz.
W. H. de Savornin Lohman, Secr

Voor afschrift Conform
De Directeur der Maatschappij van Weldadigheid
(get) F. B. Löhnis

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3285

Notities bij het zittingsverslag