Raad van Tucht
zitting van 8 en 13 mei 1829
te Ommerschans


Gerrit Burger
, opzichter, door onderscheidene personen beklaagd, zoo met woorden als daden zijne meede-kolonisten te hebben beleedigd, en onder zware verdenking leggende van zeedelooze omgang, is ingevolge Art: 16 en 17 van het Reglement van Tucht gedurende den tijd van zes weken als opzichter gesuspendeert.

Pieter Barends, zich schuldig gemaakt hebbende aan desertie voor de eerste maal, zal ingevolge Art: 11 met vijf dagen opsluiting in de boeyen gestraft worden, en gecondemneerd tot het dragen van het distinctief pak.

Johannes Andries Maalman, zich schuldig gemaakt hebbende aan dronkenschap, voor de eerste maal, zal ingevolge Art: 10 met opsluiting van zes dagen gestraft worden.

Aagje Margje Meidema, zich schuldig gemaakt hebbende aan het verkoopen van een laken en een kussen sloop de Maatschappij toebehorende zal ingevolge Art: 13 van bovengemeld Rglement met drie nagten opsluiting gestraft worden, en het door haar verkochte voor haare rekening worden aangekocht.

Maria Catharina Andree, medepligtig in de verkoop van bovengemelde laken en kussensloop gemaakt hebbende, zal ingevolge Art: 13 van bovengemeld Reglement met drie nagten opsluiting gestraft worden.

Kempe Ouwes Streekstra, zich schuldig gemaakt hebbende aan de bepalingen bij Art: 9 van bovengem Reglement vervat, zal met zes nagten opsluiting gestraft worden

Gedaan en gevonnist in de Raad als boven, en door derzelver Leeden ondertekend

(handtekeningen moeilijk leesbaar:)

van de Wal Adj. Direct.
J. Frederiks (onderdirecteur-binnen)
J.A. Bosscha (onderdirecteur-buiten)
G. ten Broek (fabrieksbaas)
P. Schnatz (zaalopziener)
Seijl (zaalopziener)
A.J. Vorman (zaalopziener)
Pous (boekhouder)


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623