Raad van Tucht, gehouden in het Gesticht de Ommerschans

Zitting van den 4e Juny 1829


Hendrik Mathijs Rietveld zich schuldig gemaakt hebbende aan desertie voor de 1ste maal zal met 5 dagen in de boeyen gestraft worden, en het dragen van het distinctief pak ingevolge art. 11 van het reglement van Tucht.

Arnoldus de Wilde zich schuldig gemaakt hebbende aan desertie voor de 1ste maal zal ingevolge art. 11 van gemeld Reglement zal met 3 dagen opsluiting om den anderen dag te water en brood gestraft worden.

Jan Hubregt zich schuldig gemaakt hebbende aan desertie voor de 1ste maal zal insgelijks met 3 dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en het dragen van het distinctief pak gestraft worden.

Frederik Hofman zich schuldig gemaakt hebbende aan verpanding van koloniale goederen zal ingevolge art. 13 met vijf dagen opsluiting gestraft worden.

Geertrui Bakker zich schuldig gemaakt hebbende aan zedenloze omgang met anderen zal ingevolge art. 16 van gemelde Reglement met agt dagen opsluiting gestraft worden.

Antonia de Baar zich schuldig gemaakt hebbende aan het verzetten tegen haar overheeden zal ingevolge art van het Reglement met 4 dagen opsluiting gestraft worden.

Gedaan en gevonnisd in den raad als boven door derzelver leden onderteekend

(handtekeningen moeilijk leesbaar:)

P. van de Wal
J. Frederiks (onderdirecteur-binnen)
J.A. Bosscha (onderdirecteur-buiten)
G. ten Broek (fabrieksbaas)
Müller (zaalopziener)
Donniger (zaalopziener)
A.J. Vorman (zaalopziener)
C. Seijl (zaalopziener)
Pous (boekhouder)




BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623