Proces Verbaal

zie het verslag van de tuchtzitting waarop dit proces-verbaal behandeld wordt


Het was op den 24 februarij ten duizend acht hondert twee en dertig, des avonds omstreeks zeven uren, dat ik ondergetekende ontwaarde dat zekeren kolonisten bedelaar Kammeijer genaamd, de op de binnenplaats van het Gesticht staande afscheidingshekken was overgeklommen tot op dat gedeelte alwaar de Vrouwen gehuisvest zijn, vervolgens de trappen van zaal 35 was opgeklommen en zekere koloniste met name Ontrop op gezegde zaal gedugte slagen had toegebracht. –

Ik begaf mij terstond derwaarts, doch vond genoemden Kammeijer niet meer daar, hij had zich middelerwijl wederom naar zijn zaal begeven. daarop gaf ik aan den Brigadier Veldwachter Blatter benevens aan den Veteranen Veldwachter Thijssen last om Kammeijer in de strafkamer te brengen –

Genoemde Veldwachters begaven zich tot dat einde dan ook dadelijk naar zaal 4, doch daar gekomen zijnde wierd de lamp door Kammeijer uitgeblazen, en met een daar aanwezig zijnde houten schop bragt Kammeijer den Veteraan Thijssen een slag op zijn hoofd toe, dat hij geheel bebloed wierd.

In de kantlijn bijgeschreven, vermoedelijk door de permanente commissie: hoe weet men dit – de lamp was immers uitgeblazen

Middelerwijl bespeurde ik dat een gedeelte der bevolking van zaal 4 partij voor Kammeijer trokken, en niet zouden gedogen dat hij in arrest genomen wierd, zoo dat ik vermeende best te zijn zoo lang te wagten tot dat de laatste bel geluid hadde, en de Zaalen allen gesloten waren.–

Alzoo gedaan, omstreeks 8 uuren begaf ik mij met bovengenoemde Veldwachters in persoon naar zaal 4, klopte aan, te kennen gevende dat het den OnderDirecteur was, die hunl. wat te zeggen had, en dat zij de deur voor mij moesten opendoen, maar in stede van aan dit mijn verlangen te voldoen, wierd ogenblik tafels en banken voor de deur geplaatst, en de kagchel pook wierd ten overvloede op de klink gestoken. –

Ik gaf hunl. (= hunlieden) nogmaals te kennen, dat zij de deur zouden openen, ten einde mij niet in de noodzakelijkheid te stellen, die maatregelen te nemen die zeer onaangename gevolgen voor hun allen zouden te weeg brengen, maar niettegenstaande dit alles bleef de deur gebarricadeerd.

Ik begon eenige voetstoten op de deur te doen om te beproeven of het slot wilde openspringen en om als dan met de macht die middelerwijl was aangekomen de Tafel en banken weg te dringen, toen zich op dat ogenblik van boven uit zaal 3 een stem liet hooren “als gijl. daar onder niet weggaat dan zullen wij eens afkomen” ook zaal no 7 even als het geheele mannenkwartier wierd, hoe wel juist wel niet oproerig evenwel buitengewoon roerig.

Daar het omstreeks 9 uuren geworden was vond ik goed mij een poos tijds met mijne manschappen te verwijderen, om de te huis komst van den Heer Adjunkt Directeur af te wagten, die om Koloniale aangelegenheden juist op dit ogenblik absent was; tot voorzorg evenwel last gevende om de Veteranen van hunne posten met hunne wapenen gedurende de nagt aan het Gesticht te doen komen, die dan ook spoedig arriveerden, en van welke manschappen ik er twee met scherp geladen voor zaal 4 deed post vatten.-

Het wierd allengskens overal rustig, des morgens in de vroegte begaven zich den Heer Adjunkt Directeur en den ondergetekende naar zaal 4, de schuldige Kammeijer wierd dadelijk gearresteerd, als mede zekere kolonist Ruis van zaal nr 3, die men herkent had, als de boven gezegde oproerige kreet te hebben aangeheven, terwijl de Raad van Tucht Zoo spoedig mogelijk omtrent dit voorval zal zitting nemen. –

Aldus naar waarheid gerelateerd op dato als boven
De Onderdirecteur binnen
Rensing

In de kantlijn bijgeschreven, vermoedelijk door de permanente commissie: herkenning van horen dus slechts – getuigen schijnen er niet te zijn. Hij heeft intusschen erkend hetgeen te zijnen laste is gebracht


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623