Kolonie Ommerschans
Vergadering van de Raad van Tucht
Dingsdag den 15 Januarij 1833


Alle de Leden zijn tegenwoordig en de Voorzitter opent de Raad.-

De President brengt ter kennisse van de vergadering dat de Bankolonist Lembroek is aangeklaagd ter zake van gezegdens ./. te onbetamelijk hier uit te drukken ./. die hij in tegenwoordigheid van zijn buurvrouw, vrouw Geertsema zoude geüit hebben, en die niet, dan vuile lastertaal ten opzichte van den Adjunkt en Onder Direkteur ./. binnen ./. behelsden, en overigens in opruijïngen van Kolonisten bestonden.

Lembroek wordt ontboden en komt binnen.-

De President vraagt hem, wat hem bewogen heeft tot de gezegdens, die vrouw Geertsema verklaard uit zijn mond gehoord te hebben.- Het antwoord is, niets ten laste der Direktie of iets anders hoegenaamt gezegt te hebben, en beroept zich op den Kolonist Mollebeek en vrouw.

Lembroek wordt buiten gelaten en Mollebeek en vrouw komen binnen.

De President weet, door eene welgepaste voorbehouding, van der waarheid getrouw te zijn, Mollebeek en vrouw ./. die in de eerste oogenblikken zich zeer onkundig van het geval hielden ./. zoo in het naauw te brengen, dat zijl. openhartig beiden belijden: Ja Mijn Heer, dit alles dat vrouw Geertsema verhaald, is waarheid. Lembroek heeft in onze tegenwoordigheid dit alles gezegd.-

Lembroek wordt binnen gelaten en hoorende dat zijne getuigen nu tegen hem verklaarden, verstomd hij, en weet niets meerder te zeggen.

De President geeft hem te kennen dat men van zijne uitbrakingen in het minst geen notitie neemt; maar dat hij evenwel de welverdiende straf. niet zal ontgaan.

Gezien art. 2 eerste gedeelte van het Reglement van Policie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen luidende als volgt:

“Weigering van gehoorzaamheid aan,- onbescheidenheid “jegens,- of wel dadelijk verzet tegen een der Koloniale “ambtenaren.”

als mede het 1e gedeelte van het opvolgend art 3 bepalende op bovenstaande overtreding:

“Opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer; naar gelang der omstandigheden van hen die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder Litt.a vermeld, heeft schuldig gemaakt.”

De President vraagt het gevoelen van elk Lid in het bijzonder:

Overwegende dat Lembroek van tijd tot tijd moet terecht gesteld worden, en een wrevelig en nijdig sujet is, die niet alleen de Direktie belastend, maar zelf de Permanente Kommissie verwenscht.-

Besluit met eenparigheid van stemmen dat Leembroek voor acht dagen zal worden opgesloten in de Strafkamer.

De President doet Leembroek binnen komen, en maakt hem met dit zijn vonnis bekend, brengt hem tevens daarbij onder het oog dat, wanneer het geringste wederom met hem voorvalt, hij onmiddelijk, en wel met hangende de approbatie daartoe, in het binnen gesticht met zijn Huisgezin zal ingedeeld worden.-

Gelast den Brigadier Veldwachter Blatter om Lembroek te brengen ter plaatse alwaar hij behoord, op dat dit zijn vonnis van stonden af aan worde geëxecuteerd.

Op rondvrage van den President, niemand der Leden iets meerder hebbende voor te dragen, wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op datum als boven

De President en Leden
H.Steenbeek
V.Mulder
Lt Hoogstra
P. Schnatz
Rensing
Müller
Stous Jr.
JA Bosscha


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag