Vergadering van de Raad van Tucht te Ommerschans op den 10 April 1833


Alle de leeden tegenwoordig uitgenomen den Onderdirecteur Bosscha, die door ongesteldheid is verhinderd.

De President maakt aan de Leeden bekent, dat er bij hem is ingekomen eene klagte, tegen C. van der Hoef dienstdoende als apothecar, G. Zondervan portier van het Hospitaal en Geertje van der Pol ziekemoeder, dewelke op Paaschmaandag onder hun drieen naar de Vaart waren geweest, en zich aldaar bedronken hadden.

Men laat de drie aangeklaagden tegelijk binnenkomen, aangezien hunne overtreding gelijk is.

De President vraagt hun hoe zij zich van hunne gewigtige betrekkingen hebben durven te verwijderen, en in den drank te buitengaan.

De beklaagden geven ten antwoord dat zij een verlofpas van den Geneesheer hebben gehad, om naar de Vaart te mogen gaan en dat zij wel een borrel hadden gedronken, maar niet beschonken waren geweest.
De beschuldigden treden af, en men gaat over tot de deliberatien.

Intusschen blijkt het uit den verklaring van den sergeant-veldwachter De Bruin dat zij wel degelijk beschonken zijn geweest.

Door het medelid Steenbeek wordt doctor Andereg als hoofdzakelijke oorzaak van het voorval in dezen beschouwd, hetgeen door de overige leden insgelijks daarvoor gehouden wordt, op grond dat er geen dronkenschap zoude hebben plaatsgehad indien zij geen verlofpas gehad hadden.

De President vereenigt zich volkomen met dit gevoelen der Leeden, en geeft daarenboven nog te kennen, dat het volstrekt aan geen Geneesheer, onder wat voorwendsel ook, vrij staat om aan Kolonisten permissie tot verwijdering van het Gesticht te geven, dat dit alleen door de Directeur kan gedaan worden, en die daarvan nog niet als in de noodzakelijkste omstandigheeden gebruik maakt en dan nog onder geleide, en geeft al verder de Raad te kennen, dat hij niet zal afzijn van den Geneesheer zijne verkeerde handelings ernstig onder het oog te brengen.

Gezien Artikel 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

“Dronkenschap voor de 1e maal zal met opsluiting tot 5 dagen worden gestraft”.

Overwegende dat het gevoelen van den Raad aangaande de verleende verlofpas als eenigzints gunstig voor de beklaagden kan beschouwd worden en men alzoo eene verzagting in de bepaling der straf zoude kunnen maken.

De President vraagt de mening van elk lid in het bijzonder.

Twee stemmen tot afzetting hunner bediening.

Twee stemmen tot opsluiting voor den tijd van 24 uur benevens afzetting hunner posten.

De President vereenigt zich met laatstgenoemde stemmen en er wordt besloten dat de Kolonisten C. van der Hoef, G. Zondervan, benevens G. van der Pol respectivelijk worden afgezet van hunne bedieningen en gecondemneerd tot opsluiting in de strafkamer voor 24 uren.

De beklaagden worden binnengeroepen en de Secretaris leest hun het vonnis voor waarna zij wederom aftreden.


De Kolonist Groen is voor de 4e maal gedeserteerd en door een politiebediende teruggebragt, verschijnt voor den Raad, doch heeft geene verschooning in te brengen.

Dezelve treed wederom af. Gezien Artikel 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

“Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt verhinderd of ontvlugt en weder teruggebragt is, zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe, de twee eerste te water en brood worden gestraft”.

Met meedeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheeden als ook ontvlugting voor de 2e maal met opsluiting in boeijen gedruende 14 dagen waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood, en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen, met 15 tot 40 rietslagen en opsluiting als voren, benevens het dragen van het deserteurspak gedurende vier maanden”.

De Leeden bepalen in deezen de volle straf en alzoo wordt de Kolonist Groen gecondemneerd:

1e. tot 40 rietslagen en
2e, tot opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, de 3 eersten en 3 laatste dagen te water en brood.

De Kolonist Groen wordt binnengeroepen.

De Secretaris leest hem zijn vonnis voor, waarna hij wederom aftreed.

Op rondvrage van de President niemand der Leeden iets meerder hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op dag, maand en jaar als boven.
De President en Leeden, K. Mulder;
Rensing;
H. Steenbeek;
D. Otterbeen;
H. Meeuwissen.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623