Extract uit de Notulen van den Raad van Tucht gehouden binnen de Kolonie Ommerschans
Zitting op Dingsdag den 22n. December 1835 s’avonds te zes uren


Daar alle Leden tegenwoordig zijn, zoo wordt den Raad door den President geöpend.

Wordt voor denzelve gebragt den Kolonist J. Krijgsveld N 1907, wegens poging tot desertie met medeneming van meer dan zijne gewone aanhebbende kleeding.

De Voorzitter vraagt hem naar de redenen die hem noopten om te ontvlugten, waarop hij ten antwoord geeft, dat hij verlangende was naar zijne vrouw terug te keeren, en dit de eenige reden zijner poging tot ontvlugting is geweest, waarop de President hem zijne strafbaarheid ingevolge art 11: van het Reglement van Tucht te kennen geeft.

Men laat hem aftreden.

Gezien gemeld art. 11 luidende als volgt:

“Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt verhinderd of ontvlugt en, weder terug gebragt is, zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting en boeyen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens eenvoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietslagen en opsluiting als voren; Zullende alle de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene Kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst”

President en leden besluiten eenpariglijk Krijgsveld te straffen met 10 dagen opsluiting in boeijen de drie eerste en de drie laatste te water en brood en het dragen van het onderscheidingskleed.

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij ter opsluiting wordt weggebragt.



Ten tweede wordt ter tafel gebragt een Proces Verbaal van den volgenden inhoud.

“Den 21 December 1835 heeft den Onder Directeur de Heer Krieger met den Opziener der Strafkolonisten een ijzer, dat los stond, uit een der ramen genomen van de Wed van Rooijen, hetwelk volgens veronderstelling van den Opziener al eenige dagen heeft losgezeten en nu en dan door eenen Schrevendijk op zijde is geschoven, waardoor hij wel eens eenige eetbare waren heeft doorgegeven en zelfs een en andermaal is doorgekropen.”

Ommerschans, 22 December 1835, (geteekend) Hoogstra

de Wed van Rooijen verschijnt voor den Raad, en bij ondervraging, zegt zijn niet te hebben geweten dat dat ijzer los was, en er zelfs van schrikte toen den opziener het met zoo een ruk er uit wrong, dat den kolonist Schrevendijk N1163 ook niet bij haar in huis was geweest, na dat hem hetzelve door den Heere Krieger was ontzegd geworden, veel minder dat hij door de traliën gelijk een dief bij haar zoude zijn geweest, dat haar fatsoen haar nog te na was, Schrevendijk niet openlijk mogende ontvangen, denzelven dusdanig toegang te verleenen.

De Opziener Hoogstra verzoekt dat men zijne twee kinderen doe komen, welke zouden zeggen hetgeen zij gezien hebben, welke kinderen binnengekomen dan ook getuigen gezien te hebben dat Schrevendijk eetbare waren door het raam van de Wed. van Rooijen heeft gegeven, met opzijde schuiving der stijlen van het Vengster.

den Kolonist G. van Schrevendijk N1163 komt voor, ontkend al het bovenstaande hem ten laste gelegde en zegt voor geene regtbank met kinderen getuigenis voor den dag te komen, en dit wel de eigen kinderen des Opziener, hunnen aanklager, maar met mannen voor den dag te komen, welke geloof verdienen.’

De President laat hen buiten gaan.

De Opziener verzoekt alsnu den Raad voor denzelven tot getuigen te doen verschijnen de strafkolonisten N. Blokkers en Vrouw Beets.

dezelven verschijnen en verklaren dat Schrevendijk op zondag den 13 dezer bij de Wed van Rooijen is geweest onder de Godsdienstoefening en wel de gewone deur in.

Men laat hen vertrekken.

De Raad oordeelt gepaste maatregelen te moeten nemen, om alle moeijelijkheden voor het vervolg in deze te voorkomen, en besluit eindelijk Schrevendijk uit de betrekking van Magazijnknecht, hetwelk hem overal doet komen, te ontslaan, naar het land te zenden, hetwelk hem binnen het gesticht houdt en hem alle gemeenschap met de Wed. van Rooijen afsnijdt.

De beklaagden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest Schrevendijk het besluit van den Raad voor, waarop de President de Wed van Rooijen onder het oog brengt, dat, wanneer meergemelden Schrevendijk nog eenmaal bij haar gezien werd, men tot het besluit zal overgaan haar binnen het Gesticht te plaatsen, hetgeen zij zich zelve alsdan te wijten zal hebben.

Men laat hen vertrekken.

Op rondvraag van den President niemand der leden iets meer hebbende voortebrengen, zoo wordt den Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.
(geteekend) A. de Geus, Adjunct Directeur President
J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra, Mulder en Bourlard, Zaalopzieners en Hoogstra, Opziener der Strafkolonisten, allen leden van den Raad
In kennisse van mij
De Secretaris
Stous


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623