Ommerschans

Zitting gehouden op Dingsdag
des avonds te Zeven Uren
op den 22 December 1835


Alle de Leden van den Raad zijn tegenwoordig en de President opent denzelve.

Er wordt gelezen een Proces Verbaal van den volgenden inhoud:

“Aan den Hoofdonderwijzer Hoogstra toegevoegd zijnde ter zijner adsistentie in de School een Bedelaars Kolonist met name Louis Lolkema, en deze zonder voorkennis van zijne Directie onderscheidene malen naar de Vaart gegaan zijnde, niet alleen, maar daar ook sterken drank gehaald hebbende voor de Kolonisten, zoo is hij hiervoor gestraft geworden met arrest binnen de Ommerschans,

dit afgeloopen zijnde, heeft Meester Hoogstra aan den ondergeteekende verzocht voornoemden L. Lolkema uit de School te mogen wegzenden, zonder daarbij te vermelden om welke reden, hoewel den Onder Directeur dit wel begreep te zijn als voor het niet vervullen zijner verpligting op de School.

Daarna heeft den ondergeteekende, bij geruchte gehoord, dat dit wegzenden uit de School zoude zijn geschied, om dat meergemelden L. Lolkema aan deze en gene had verteld, dat de Hoofd onderwijzer H. Hoogstra met de huisvrouw van den Arbeiders Kolonist Dirk Wiemes op eene gemeenzame wijze zoude verkeeren, hetwelk door L. Lolkema zelve beter kan worden verhaald dan met geschiktheid in dit Proces Verbaal te vermelden is.

Vervolgens heeft den Arbeiders Kolonist D. Wiemes voorleden Zaturdag avond te huis komende, met zijne vrouw hevige Twist gekregen, ja elkander mogelijk geslagen, hetwelk veroorzaakt is doordien hij D. Wiemes had vernomen dat het algemeen gevoelen was van eenige Kolonisten, dat zijne vrouw eene vrij gemeenzamen omgang had met voornoemden Hoofd onderwijzer H. Hoogstra,

op dit gerucht is de meester Hoogstra in zijne Kwaliteit van Opziener der Wal Kolonisten, bij Wiemes in huis gekomen, om aldaar deze zaak waarin hij zelve betrokken was, weder in der minne te doen einden, doch heeft daarbij verzuimd aan den Onder Directeur hiervan kennis te geven, en deze zaak laten voorbijgaan van Zaturdag avond tot maandag ochtend, als wanneer hij dien ochtend evenwel bij den Heer Adjunct Directeur moetende zijn en den Onder Directeur zich toevallig daar ook bevindende, van deze zaak gewag heeft gemaakt.

Zoo wordt eindelijk deze zaak aan den Raad kenbaar gemaakt, ten einde te beöordeelen in hoe verre dit lastertaal is, welke voornoemden Bedelaars Kolonist L. Lolkema heeft uitgestrooid en of hieraan eenige waarheid kan worden gehecht.”

Ommerschans 22 December 1835
De Onder Directeur
(get.) J. F. Krieger"


De Voorzitter laat den Kolonist Louis Lolkema N1483 ontbieden, denzelve verschijnt voor den Raad en wordt gehoord, verklarende dat hij wel 25 maal gezien heeft, dat meester Hoogstra tusschen de school uuren, met vrouw Wiemes (die de Kerk en de School schoon houdt) in het Konsistorie Kamertje is geweest, doch niet wetende wat aldaar gebeurde, dewijl de deur dan digt was, alsmede dat hij meermalen gezien heeft als gemelde Vrouw de kagchel in de school kwam potlooden, zij met de meester zeer gemeenzaam was, hetwelke de Ondermeester Sniet ook meermalen zoude gezien hebben.

Men laat den Kolonist Willem Hendrik Sniet N556 insgelijks binnen komen en na ondervraging zegt hij gezien te hebben dat de meester verscheiden malen met Vrouw Wiemes in het Consistorie-kamertje is geweest, doch niet weet wat zij daar deden, en dat zij daar uit komende, de Potloodpot en borstels welke daarin stond in de hand had.

Trouwens Lolkema ook meenende dat er Vrouwen onder de Walkolonisten waren welke van die verdachte omgang ook meer wisten, vind de President het noodzakelijk, bedoelde Walkolonisten te ontbieden, om dezelven over de zaak te hooren, men laat de vrouw van den Walkolonist Lehmbroek binnen komen, welke zegt van den Opziener der Walkolonisten, aangaande eenige omgang met Vrouw Wiemes niets te weten, en als die Opziener iets uitstaande had met Vrouw Wiemes hij haar daar niet bij zoude roepen.

Men laat de Vrouw van den Straf Kolonist Brinkman ontbieden voor den Raad;
Verschijnende, zegt zij, dat zij het er voor houdt dat haar Opziener namentlijk H. Hoogstra iets met Vrouw Wiemes uitstaande heeft, uit hoofde hij een Paar Kleedingstukken, nagelaten door Harmtien Karst, overleden den 27 Juli 1835, welke eenigen tijd bij haar in huis geweest is, en haar beloofde tijdens zij ziek was, en als zij kwam te sterven, de Kleeding Stukken bestaande in een Zwarte rok, Boezelaar enz. voor haar waren, dewijl zij haar zoo goed had opgepast, en welke goederen bij Vrouw Brinkman in huis waren, doch dat zij na het overlijden van gezegde H. Karst gemelde goederen niet durfde te houden, maar dezelve aan haar Opziener Hoogstra heeft gebragt, met vermelding van het bovengezegde, waarop denzelve haar antwoorde, dat die goederen verkocht moesten worden, dat zij dan even zoo na(?) als de andere Strafkolonisten was om dezelve te koopen;
deze gemelde goederen waren van te weinig waarde, en zijn met voorkennis van den Onder Directeur binnen, aan Vrouw Wiemes gegeven.

De Voorzitter ontbied den Opziener H. Hoogstra en geeft hem te kennen, hetgeen als voorz. voor den Raad is geöpenbaard, waarop denzelve antwoord dat het wel waar was, hij meerder gemeenzamen omgang had met het Huisgezin van Wiemes, dan wel met de andere Huisgezinnen, doch dat hij daarvoor geene de minste reden had, als, dat dit Huisgezin van D. Wiemes geen Strafkolonisten maar een Arbeiders Huisgezin was,
doch dat de Kolonist L. Lolkema een slecht sujet is, aangezien hij zich van tijd tot tijd aan misbruik van sterken drank, verwaarloozing en wegmaking van boeken en wegneeming van goederen die anderen toebehoorden, heeft schuldig gemaakt,
op welke beschuldiging hij Lolkema niets wist in te brengen,
en uit dien hoofde zich weinig aan die laster stoorde, en aan den Raad verzocht gemelde Kolonist te straffen.

De Raad overwegende dat Lolkema zich van tijd tot tijd aan ondeugden heeft schuldig gemaakt, waarvan den Onderwijzer Hoogstra echter getuigd eerst ná dat hij door hem belasterd is geworden - door zijnen eersten adsistent-onderwijzer Sniet is onderrigt geworden, - hetgeen den Raad echter zeer bevreemde, dat den Onderwijzer Hoogstra met de ondeugden van Lolkema niet vroeger en beter bekend is geweest, -

de Raad oordeelt dat Lolkema een Jongeling is die niet te goed is geweest gemelde ondeugden te plegen, niet te goed is om zijn Meester te belasteren, men hem moet aanmerken als een groote deugniet, en dat den Ondermeester Sniet, die bekend is geweest met alle de ondeugden van zijn Makker Lolkema en verzwegen heeft, beiden alzoo strafbaar zijn aan ongehoorzaamheid, ingevolge art: 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:

“Alle ongehoorzaamheid jegens de Koloniale ambtenaren, zal met verplaatsing in de discipline zaal van drie tot acht dagen worden gestraft, en, indien dezelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor denzelfden tijd in de Provoost.”

De Raad legt mitsdien aan Lolkema de straf op van 8 dagen, en aan Sniet van 3 dagen Provoost.

Vervolgens brengt de President den Opziener der Strafkolonisten onder het oog, dat het zeer onvoorzichtig van hem gehandeld is, om zoo gemeenzaam met menschen om te gaan waarover hij gesteld is, en dat hij daaraan te wijten heeft, dat zelfs zijne adsistenten over zijn gedrag openlijk aanmerking maken.

Men laat Sniet en Lolkema binnen komen, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij wederom aftreden.

De Raad meend ook te moeten hooren de betrokkene Vrouw Wiemes en haar Man.

Wiemes wordt binnen gelaten en wordt door den Raad gevraagd of hij eenige grond had, te veronderstellen, dat zijne Vrouw met Hoogstra eene verdachte verkeering zoude houden – antwoord, dat hij daar volstrekt geen redenen toe gehad heeft; echter dat hij door goede vrienden was gewaarschuwd en dat hij dien ten gevolge met zijne Vrouw verschil gehad had, daarna wordt hij buiten gelaten en zijne Vrouw binnen geroepen.

De President geeft haar te kennen dat er niet gunstig over haar gedrag en omgang met Meester Hoogstra gedacht wordt, waarover zelfs de adsistenten zich als voorschr. hadden uitgelaten.
Zij ontkent de verdachte gemeenschap waarmede men haar belasterd, en dat zij altijd met haar man goed geleefd had, en zich met geen ander heeft, noch zoude willen ophouden.

De President zegt, dat echter de al te gemeenzamen omgang met meester Hoogstra een verdachte verstandhouding door sommigen had doen openbaren, en zij, zich tot verdere stoornis in haar eigen Huisgezin, geen aanleiding tot dergelijke gedachten meer behoorden optewekken, waarna zij aftreed.

Geen der Leden van den Raad iets meer te verhandelen hebbende, zoo wordt den Raad gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.
(geteekend) A. de Geus, Adjunct Directeur, President
J. F. Krieger, A. J. Wijkstra & H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra, Mulder & Bourlard, Zaal Opzieners, allen Leden van den Raad

In kennisse van mij
De Secretaris
Stous


Bijlage: Uit de brief van de directeur 05-01-1836


De directeur der koloniën zendt op 5 januari 1836, invnr 167 en vul rechtsonder het scannummer 72 in, 'onderscheidene zittingen van den Raad van Tucht te Ommerschans' en merkt daarbij op:

De zaak met den schoolonderwijzer Hoogstra, daarin mede voorkomende, is aan den Heer Inspecteur bijzonder bekend, zoo dat ik mij van alle consideratiën hieromtrent kan onthouden.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623