Ommerschans
Zitting gehouden op Donderdag den 31 December 1835


zie hier voor de nota met klachten van Hoogstra
die deze zitting behandeld wordt


Alle Leden van den Raad zijn tegenwoordig en de President opent denzelve.

door den President wordt aan den Raad voorgelegd en gelezen de hierbijgevoegde Nota van Klagten door den Onderwijzer Hoogstra opgemaakt tegen den Kolonist Lolkema, welke op den 22 dezer, voor den Raad van Tucht is gevonnisd, wegens ongehoorzaamheid of laster van zijn Meester, voor acht dagen in de Provoost, volgens welke hij op den 30 dezer, dus gisteren moest ontslagen worden.

Op den 30e des avonds voormeld echter wordt door den Brigadier veldwachter gerapporteerd, dat bovengemelde Lolkema is gedeserteerd en tevens waarop wordt ontdekt dat hij twee dagen te vroeg uit de Provoost is ontslagen.

De Adjunct Directeur laat den Onder Directeur binnen dadelijk ontbieden, onderzoeken dien, wie, eigentlijk de oorzaak is van het te vroeg ontslaan van Lolkema uit de Provoost. den Onder Brigadier de Bruin zegt dat hij de orders tot ontslag van den Onder Directeur Krieger had ontvangen, hetgeen den Heer Krieger erkend, en geeft den Heer Inspecteur der Kolonien welke daarbij juist tegenwoordig was, te kennen, dat het te vroege bevel geenzints met eenig inzigt is geschied, maar aan een abuis moet worden toegeschreven, over welke onachtzaamheid den Heer Inspecteur zijn ongenoegen heeft getoond.

De Raad neemt in aanmerking, dat de Nota in den Raad van Tucht op den 22e dezer, voorloopig tot Instructie behandeld is, dat den beschuldigden Lolkema, de beschuldigingen meerendeel heeft erkend, als het misbruik van sterken drank, ontvreemding van goederen en weder verkooping van dien.

De verklaring van Lolkema omtrent de ontvreemde Messen in de Nota vermeld, was, dat hij het mes met zilveren beslag niet uit het huis van Kris den Bakker aan de Vaart, maar buiten het huis had gevonden en in de zak gestoken, en toen hij daarna in dat huis gekomen was, en er naar dat Mes gezocht wierd, het niet voor den dag durfde brengen, en het toen had medegenomen, dus ontvreemd.-

dat hij het andere mes ook gevonden had op de weg maar niet uit de zak van een boeren jongen had genomen;-

de beide messen die hem niet toekwamen, zijn dus door den Raad beschouwd als ontvreemd.

Deze Messen zijn door Lolkema verkogt aan de Kolonisten Renier Vermeulen en Sjordema, welke personen ook in tegenwoordigheid van den Heer Inspecteur zijn gehoord, en in den Raad nader bevestigd, daarbij de bedoelde messen hebben vertoond, welke zij van Lolkema hebben gekocht.

De Raad verklaart Lolkema schuldig overeenkomstig art: 9, 10 en 13 van hetReglement van Tucht, luidende als volgt:

“art: 9 Alle ongehoorzaamheid jegens de Koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal van drie tot acht dagen worden gestraft en indien dezelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor denzelfde tijd in de Provoost.”

“art: 10, Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe, worden gestraft, en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden, als ook eenvoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe, te water en brood om den anderen dag.”

“art: 13: Ontvreemding of Verpanding van Koloniale goederen of van mede Kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen, naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.”


De Raad overwegende dat Lolkema zich aan meer andere ondeugden als de voorname hierbovengemelde heeft schuldig gemaakt – meend dat art: 21 van het Reglement hier van toepassing is, luidende hetzelve art: als volgt:

“art: 21. In al die gevallen waarin de vorenstaande artikelen daartoe vrijheid geven, is het aan den Raad overgelaten de bepaalde dubbele straffen te vereenigen en die te zamen den schuldigen op te leggen.”

- dien ten gevolge besluit men Lolkema, door desertie absent, te veroordeelen, en de straffen op te leggen volgens art: 10 voor tien dagen opsluiting in de boeijen en volgens art: 13 voor veertien dagen, dus te zamen voor 23 dagen opsluiting in de boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.

De Raad besluit verder dat wanneer Lolkema van desertie zal worden teruggebragt, gemelde straffen hunne Executie dadelijk zullen erlangen.

Geen der Leden iets meer hebbende voor te dragen, zoo houdt de President den Raad voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven
(geteekend) A. de Geus, Adjunct Directeur, President
J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra, Mulder & Bourlard, Zaalopzieners, allen Leden van den Raad
In kennisse van mij
De Secretaris
Stous


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623