Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht te Ommerschans
Zitting gehouden op dinsdag den 17 January 1843


De leden zijn tegenwoordig, de President opend de vergadering.

Zijn voor dezelve verschenen

de Kolonist Antje Smit, N2070, wegens het verkoopen van een baaije rok, een doek en een paar kousen

Hermina van der Meent, N2327 wegens het verlenen van hulp aan eerstgemelde in het verkoopen van de baaije rok.

Johanna Bonn, N1628 wegens het verkoopen van dezelve rok.

Niets ter hunner verschooning weten in te brengen laat men ze aftreden.

De Raad, gelet op Artikel 13, hiervoren omschreven, en in aanmerking nemende dat de rok aan de eigenaar is teruggegeven, doch dat de doek en de kousen niet weer zijn teruggekomen

Heeft besloten eerstgemelde te straffen met acht dagen opsluiting en dubbele vergoeding van de doek en de kousen ad f 2.80 en de twee andere ieder met acht dagen opsluiting zonder meer.

Ten tweede verschijnen voor den Raad de Kolonisten Gijsbert van den Broek N4554 en Hendrik Schull, N3215 bijde schuldig aan ontvlugting voor de eerste maal.

Zij weten niets ter hunner defensie in te brengen. Men laat hen aftreden.

Gezien Artikel 11 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

dit gedeelte is niet getranscribeerd, zie voor de tekst van het artikel bij Reglementen

Wordt besloten de schuldigen te straffen met acht dagen opsluiting waarvan de twee eerste te water en brood en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van vier maanden.

De schuldigen worden weer binnengelaten, de Secretaris maakt hun de geslagen vonnissen bekend waarna zij aftreden en ter opsluiting weggevoerd.

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven (was getekend) A. Hulst, J.F. Krieger, P. Postema, J. Steenbeek, Borman, Otterbeen en Smies, allen leden van de Raad.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623