Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht te Ommerschans
Zitting van Woensdag den 15 Maart 1843


Verschijnt voor den Raad den strafkolonist Joseph Struijlaard N3, deserteur voor de 1e maal. Geene reden ter verschooning wetende in te brengen laat men hem aftreden.

Gezien Artikel 11 hiervoren gemeld…

De Raad besluit hem te straffen met acht dagen opsluiting, de twee eerste te water en brood en het dragen van een distinctief pak voor de tijd van vier maanden.


Ten tweede verschijnt voor den Raad Geertruij van der Goor, N4603, schuldig aan het ontvreemden van garen uit de fabriek a f 0.50, alsmede van het verkoopen van een hemd en een doek. Zij heeft niets ter harer verschooning in te brengen, als zeggende dat Johanna Westenberg N3441 haar tot het ontvreemden van gemeld garen had verleidt.

J.Westenberg wordt binnengeroepen, zeggende dat zij aan Van der Goor wat garen gevraagd had om kousen te brijen. De President, zeer misnoegd over hunne handelwijze, gelast hun af te treden.

Gezien Artikel 13 hiervoren gemeld

wordt besloten G. van der Goor te straffen met 8 dagen opsluiting en dubbele vergoeding a f 3,50 en J.Westenberg voor 14 dagen opsluiting.

Ten derde verschijnt voor den Raad Aaltje Rensen N342, schuldig aan het verkoopen van 1 muts, 1 paar kousen en 1 doek. Zij heeft geene reden tot verschooning. Zij wordt buiten gelaten.

Gezien Artikel 13 hiervoren omschreven..

Na gehouden deliberatie wordt besloten haar te straffen met acht dagen opsluiting en dubbele vergoeding a f 3.40.


De schuldigen worden binnengelaten, de Secretaris maakt hun de vonnissen bekend, waarna zij aftreden en ter opsluiting weggevoerd.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven (was getekend), A. Hulst,J.F. Krieger, P. Postema, J. Steenbeek, Uhl, Borman en Hameetman, allen leden van de Raad. In kennisse van mij, Pous.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623