Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht te Ommerschans
Zitting van Dingsdag den 4e April 1843


Alle de Leden zijn tegenwoordig. De President opend de vergadering.

 Verschijnt voor dezelve de Kolonist Theodorus Hendrikus te Stroet, N289, schuldig aan het vervaardigen van een bijl in de smederij, welke hij in stede als smidsknegt gemaakt had. Hij weet geene de minste redenen ter zijner verschooning. Men laat hem aftreden.

Gezien Artikel 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

dit gedeelte is niet getranscribeerd, zie voor de tekst van het artikel bij Reglementen

De Raad besluit hem te straffen met 8 dagen opsluiting en dubbele vergoeding zijnde gezegde bijl geschat op f 2.00 , dus voor f 4.00.


Ten tweede verschijnt voor den Raad Adrianus van Kordenoort, N 2040, schuldig aan het vervaardigen van een klijn koekepannetje in de smederij, hij geeft voor dezelve van oud ijzer was, en uit dien hoofde daar het minste kwaad in zag. De president zegt hem dat hoegenaamd ook niemand iets van de Maatschappij of iemand anders mag wegnemen, hem dientengevolge schuldig verklaard aan Artikel 13 van het Reglement van Tucht, hiervoren gemeld. Hij wordt buitengelaten.

Met eenparigheid van stemmen wordt besloten den schuldige te straffen met 8 dagen opsluiting en dubbele vergoeding a f 0.20.


Zij worden beiden binnengelaten en door den Secretaris het vonnis kennelijk gemaakt, waarna zij aftreden.

Niemand op den rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven (was getekend), A. Hulst, J.F. Krieger, P. Postema, J. Steenbeek, Smies, Borman en Bourland, alle Leden van de Raad , mij present.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623