Tuchtraad voor Bedelaars Kolonisten in de OMMERSCHANS

Woensdag den 22 November 1854.


Tegenwoordig
de Adjunct-Directeur A. Hulst, President
de Onderdirecteur van der Schroeff
de Onderdirecteur P. Postema
de Fabrieksbaas J. Steenbeek
de zaalopziener Borman
de zaalopziener Lakenberg
de boekhouder M.J. van de Meij de bie, secretaris


Voor den Raad worden gebragt

1. Bernardus Jansen, N2028, Foppe Minnes Fopma, N4915 beide wegens desertie voor de eerste maal met medeneeming van meer Koloniale kleedingstukken dan zij gekleed zijnde aan mogten hebben.

Niets ter verschooning kunnende aanvoeren laat men hen aftreden.

De Raad

Gelet op Artikel 11 van het Reglement van Tucht, luidende hiervoren omschreven,

Heeft besloten

Bernardus Jansen, N2028 en Foppe Minnes Fopma, N4915 elk voor zich te straffen met 14 dagen opsluiting om den anderen dag te water en brood en boeijen en het dragen van een onderscheidingspak voor den tijd van vier maanden.


2. Johannes Minnee, N2051 wegens het voor de tweede maal verkoopen van Koloniale Kleedingstukken, nu bestaande in 1 paar kousen en 1 doek maat 2 taille.
Tjalling Talsma N4588 wegens het voor de tweede maal verkoopen van Koloniale kleedingstukken nu bestaande in een paar gedragen kousen ter waarde van 15 cents en wel volgens zijne opgaaf aan den Kolonist Jan Jansen, N3719 die zulks bij verhoor heeft ontkend; terwijl de eerste deswegens geen bewijs heeft kunnen leveren, zeggend dat de verkoop onder hun beiden had plaatsgehad zonder dat iemand het had gezien, hebbende Talsma zich bovendien nog schuldig gemaakt aan het koopen van een paar kousen maat 2 taille van den Kolonist Johannes Minnee N2051.

Niets ter verschooning kunnende aanvoeren en Minnee N2051, verder voorgevende den kooper van zijne doek niet te kennen, laat men hen aftreden.

De Raad

Gelet op Artikel 13 van her Reglement van Tucht luidende; hiervoren omschreven en op het Besluit der Permanente Commissie dd. 18 October 1844, N12

Heeft besloten

Johannes Minnee N2051 en Tjalling Talsma N4588 elk voor zich te straffen met veertien dagen opsluiting om den anderen dag te water en brood in boeijen, dubbele vergoeding, respectivelijk ten bedrage van f 2.60 en f 2.20 en het dragen van een onderscheidingspak voor den tijd van 3 maanden.


3. Josina Geldof, N2414, Grietje Kuikhoven N264, Betje de Boer N695, Antje Honing N2198, Theodora van Herpen, N2204, Johanna de Hoog N4200, Johanna Catharina Heimsen N4027, Leentje Lammers N4874, Wilhelmina Hogeboom N5646, en Theodora van London N6161, allen wegens het ontvreemden van aardappelen van het land alwaar zij werkzaam waren gezamentlijk eene hoeveelheid van zestig kop alzoo ieder zes kop.

Niets ter verschooning kunnende aanvoeren laat men hen aftreden.

De Raad

Gelet op Artikel 13 van het Reglement van Tucht luidende hiervoren omschreven

Heeft besloten

Josina Geldof N2414, Grietje Kuikhoven N264, Betje de Boer N695, Antje Honing N2198, Theodora van Herpen N2204, Johanna de Hoog N4200, Johanna Catharina Heimsen N4027, Leentje Lammers N4874, Wilhelmina Hogeboom N5646 en Theodora van London N6161 ieder voor zich te straffen met drie dagen opsluiting en dubbele vergoeding a f 0.18.


De beschuldigden worden weder binnengeroepen en met hunne straffen kenbaar gemaakt, waarna men hen ter opsluiting laat wegbrengen.

Niets meer aan de orde wordt de vergadering gesloten.

Aldus gearresteerd
Was get. A. Hulst
Van der Schroeff
Postema
Steenbeek
Borman
Lakenberg
M.J. van de Meij de bie.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 19 december 1854 N3, invnr 794

Notities bij het zittingsverslag