Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen Vondelingen en verlatene Kinderen bij het 1e gesticht te Veenhuizen

Zitting van den 12 Februarij 1859


Present
C. W. Rensing, President
Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
& J. F. Morriën, secrts

De Raad te zaâm gekomen zijnde, wordt door den voorzitter geôpend.

Wordt voorgebragt de wees Anna Christina Bosman N97, die van de wees Henke van Steenwijk N3 P.K. f 2,30 koloniale munt ontvreemd heeft, waar van de eigenaresse f 2,- heeft terug bekomen.

De beschuldigde behoorende tot de zalen van den Zaalopziener Meijer, is in den avondstond door inklimming door het val raam, in één der twéé zalen van den Zaalopziener van de Ven geslopen (:welke zaal onbewoond is, en waarin enkele meisjes een kistje of koffertje hebben staan, benoodigt bij hun aanstaand vertrek met verlof of ontslag:) om daar uit het kistje van de wees Henke van Steenwijk geld te ontvreemden, hetgeen zij wist dat in hetzelve aanwezig was.-

Zij is niet op de daad betrapt geworden, maar, door het besteden in den winkel van meerder geld dan zij hebben konde, is zij onder verdenking gekomen, en na haar onderscheidene malen hier over onderhouden te hebben, heeft zij eindelijk bekend, de diefstal op de hier boven opgegeven wijze begaan te hebben.

Gezien artikel 4 § 8 van het Reglement van Tucht voor weezen.

Gelet op de notulen van het verhandelde ten opzigte van deze wees in de Raad van Tucht van den 25 October 1858

Wordt besloten:

De wees Anna Christina Bosman N97 te straffen met opsluiting in de strafkamer gedurende den tijd van 8 dagen, benevens dubbele vergoeding van de door haar ontvreemde gelden.

Niemand der leden iets meerder hebbende voor te dragen, wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op datum als in het hoofd dezes vermeld; en was onderteekend door:
C. W. Rensing, president
Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze & B. Nijman
J. F. Morriën, secretaris

Voor Copij Conform
De Secretaris
J. F. Morriën

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 31 maart 1859 N5, invnr 910

Notities bij het zittingsverslag