SAMENSTELLING RAAD VAN TUCHT VOOR WEZEN BIJ HET EERSTE GESTICHT 1829-1859

De Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen bij het eerste gesticht te Veenhuizen, bestaat overeenkomstig artikel 2 van het reglement van tucht uit:
- de adjunct-directeur van het eerste gesticht, de hoogste gezagsdrager ter plekke, als President van de Raad,
- de onderdirecteur binnen het gesticht,
- de onderdirecteur buiten,
- twee zaalopzieners,
- de boekhouder-binnen die als secretaris van de Raad dienst doet.

Die functies worden vanaf de invoering van het reglement (juli 1829) tot en met 1859 bekleed door de navolgende personen:

De adjunctdirecteur

Johannes Poelman zit als adjunctdirecteur de raad voor tot zijn overlijden op 14 maart 1845.
Daarna wordt de raad enkele malen voorgezeten door 'de fungerend president', de onderdirecteur binnen Augustinus Matthias Jacobus Textor.
Totdat op 1 juli 1845 als nieuwe adjunctdirecteur is benoemd Cornelis Wilhelmus Rensing die vanaf dat moment de raad voorzit tot aan 1859.

De onderdirecteur binnen het gesticht

Dat is eerst Jacob Heinrich Textor, tot hij op 06 januari 1831 vrijwillig in dienst gaat (om ten strijde te trekken tegen de Belgen die zich van Nederland willen afscheiden). Hij wordt officieel ontslagen 14 maart 1832.
Daarna wordt per 1 april 1832 benoemd Jacob Kluvers (komt van VH2).
Kluvers wordt bevorderd tot adjunct van het tweede gesticht per 01 mei 1834 en op diezelfde datum begint als nieuwe onderdirecteur binnen Kornelius Laarman (komt van VH3).
Op 01-12-1836 gaat ook Laarman naar het tweede gesticht en vanaf dat moment is de onderdirecteur binnen Augustinus Matthias Jacobus Textor, een zoon van de eerste onderdirecteur binnen Jacob Heinrich Textor.

De onderdirecteur buiten

Dat is vanaf het begin Gerrit Harms Kuipers.
Tot hij per 1 oktober 1852 wordt overgeplaatst naar het tweede gesticht te Veenhuizen.
Dan zit als nieuwe onderdirecteur buiten in de raad Willem Lammerts Heidema.

De zaalopzieners

Officieel moeten die elk jaar opnieuw benoemd worden, maar in het begin is men daar een beetje laks mee.
Vanaf het begin tot 03-01-1835 zitten in de raad Jan Hendrik Kloekers en Laurens Vrieze. Vanaf 03-01-1835 tot het eind van dat jaar zijn het Jan Danens en Jacob Meijer.
Vanaf 02-01-1836 tot het eind van dat jaar zijn het Martinus van der Meij de Bie en Akkerman Bak.
Vanaf 28-01-1837 zijn het Laurens Vrieze (2e maal) en Johannes Adrianus Steenmeijer. Halverwege het jaar neemt Steenmeijer ontslag en wordt zijn positie overgenomen door Lodewijk Harmeling.
Vanaf 13-01-1838 tot het eind van dat jaar zitten als zaalopzieners in de raad Jacob Meijer (2e maal) en Johan van de Ven.
Vanaf 26-01-1839 tot het eind van dat jaar zijn het Laurens Vrieze (3e maal) en Herman Frans Kalfs.
Vanaf 03-01-1840 tot het eind van dat jaar zijn het Arend van den Berg en Johan van de Ven (2e maal).
Vanaf 02-01-1841 zijn het Laurens Vrieze (4e maal) en Klaas Nieuwenhuis.
In augustus verdwijnt Nieuwenhuis (vóór zijn aanstelling als zaalopziener was hij kolonist in Frederiksoord en daarnaartoe wordt hij weer teruggeplaatst) en wordt zijn plek ingenomen door J. Visser.
Vanaf 22-01-1842 zijn het Jacob Meijer (3e maal) en Evert Buck.
Vanaf 02-01-1843 zijn het Laurens Vrieze (5e maal) en Johan van de Ven (3e maal).
REST moet nog ingevuld.

De boekhouder-binnen

De eerste boekhouder-binnen die als secretaris van de Raad dienst doet, is Thomas Holsteijn, tot hij eind 1830 vrijwillig in dienst gaat (om tegen de Belgen ten strijde te trekken), Vanaf 11-12-1830 dient Augustinus Matthias Jacobus Textor (de zoon van de voormalig onderdirecteur-binnen) als secretaris, tot 28-03-1831. Vanaf dan worden de notulen gemaakt door Leonardus Coelen (voormalig arbeiderskolonist).
Vanaf ???? worden de notulen gemaakt door Johannes Antonius Franciscus Morriën (per 08-12-1839 aangesteld als fungerend boekhouder buiten het eerste gesticht), die bij zijn ondertekening de 'A' weg laat, dus als J.F. Morriën tekent..