Tucht voor 'Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen' bij het DERDE gesticht te Veenhuizen    1829 tot en met 1842


Net als in het eerste gesticht wonen weeskinderen in het derde op zalen van dertig meter bij vier meter zeventig. Tachtig kinderen per zaal, twee zalen onder het toezicht van een zaalopziener die met zijn gezin tussen die twee zalen in woont. Het derde gesticht wordt midden 1825 in gebruik genomen.

Over de tuchtrechtspraak vóór 1829 is niets bekend. Daarna vindt het plaats op basis van het Reglement van Tucht voor de Gestichten van Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen van den 8 july 1829' (zie bij Reglementen). Er zijn echter van het derde gesticht veel minder zittingsverslagen bewaard gebleven dan van het eerste.

Vrijwel al deze transcripties zijn gemaakt door Luurt Vrijen. We hebben zoveel mogelijk geprobeerd te identificeren welke weeskinderen ze bedoelen. Er zijn namenlijsten van wezen die voorkomen in de zittingen, zie daarvoor deze pagina.

De wezenopvang in het derde gesticht van Veenhuizen houdt in de loop van 1842 op. Met uitzondering van enkelingen worden alle wezen overgebracht naar het eerste gesticht.


Jaren
Zittingen
1829-1831
Tien zittingen in 1829, waaronder drie waarop niets te behandelen is. Met de sterke neiging van de leidinggevenden om een zootje te maken van de tuchtrechtspraak, men heeft blijkbaar veel moeite het tuchtreglement te lezen en begrijpen. In 1830 elf zittingen, maar februari tot en met april missen. In 1831 slechts vier, alle vier in januari/februari, de rest van het jaar mist.
1832-1835
Van 1832 zijn slechts drie zittingen bewaard gebleven, met steeds dezelfde medespelers. Van 1833 vier zittingen, van 1834 twee en van 1835 vijf.
1836-1839
Er staan transcripties van zes zittingen in 1836, drie in 1837, zeven in 1838 en zeven in 1839.
1840
In 1840 zijn er eenendertig verslagen van zittingen van de tuchtraad, waar niet zo veel wezen maar vooral als wees verpleegde bedelaarskinderen terechtstaan.
1841-1842
Ook in 1841-1842 zijn het vooral bedelaarskinderen. Er zijn twaalf zittingen in 1841 en zes in het eerste gedeelte van 1842. Daarna houdt het op.