Weeskinderen

Extract uit de Notulen van de Raad van Tucht gehouden op den 6 Meij 1836 aan het 3e Etablissement te Veenhuizen.


De raad vergadert zijnde wort door den president geopend.

Wordt voorgenomen de desertie van den wees P. de Vogel die door ons uit deze omstreken is teruggehaald, alwaar hij zoo als wij vernomen hadden, sedert eenigen tijd was rondzwervende.

De voorzitter beveelt dat P. de Vogel binnen kome, en vraagt hem naar de redenen zijner ontvlugting.

Zijn voorgeven is dat hij gaarne bij een boer wilde dienstbaar zijn.

De president brengt hem zijne herhaalde misstappen onder het oog, die blijken dat altijd vrugteloos zijn gestraft geworden, daar hij in het kwade blijft volharden, waarna hij wederom buiten gaat.

Men gaat tot zijne strafbepaling over.

Men is bedacht op het vonnis hem door de raad van tucht op den 4 Maart jl opgelegt,

Gezien art. 9 van het Reglement van tucht luidende als volgt:
“Bij aldien het blijken mogt, dat geen der voorgeschrevene strafbepalingen voldoende was, om een of ander bij uitstek ondeugend voorwerp van zijne verkeerdheid terug te brengen, zal de Raad van Tucht besluiten tot een voorstel aan de Permanente Commissie om zoodanig onverbeterlijk persoon uit het Gesticht te verwijderen en in de ommerschans overteplaatsen.”

Wordt met algemeene stemmen besloten dit art op P. de Vogel toetepassen en de Permanente Commissie voor te stellen zoo als geschied bij dezen, om den Wees P. de Vogel voor eenen onbepaalden tijd over te plaatsen naar de Strafkolonie aan de Ommerschans.

De wees P. de Vogel komt binnen en hoort zijn vonnis.

De Raad wordt daarna gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

De president en Leden
Was getekend, S. B. Drijber, C. W. Rensing, L. Neijenbandering, J. Emmelot, W. van Tellingen
Voor Extract Conform, De Secretaris
Haarman

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag